Ebru – Met een boog om Marokkanen lopen?

Ebru Umar is vaste columnist voor Metro en Libelle. In 2004 verscheen Burka & Blahniks van haar hand. In 2005 schreef zij Vier over 8 en Geen talent voor de liefde.
Haar nieuwste boek Turkse Verleidingen verscheen op 6 februari en ligt nu in de winkel. Sprankelende reisverhalen in een land zonder straatnamen en mét een leger dat vrouwenrechten beschermt, restaurants die het woord ‘service’ wél kennen en winkelcentra die zelfs de meest verwende shopper doen duizelen.
En opeens stonden er vijf Marokkanen om ons heen. Het was de tweede keer op zaterdagmiddag dat een Marokkaanse jongen het nodig achtte me hoer te noemen alleen werd het deze keer niet uit een auto gegild. Het zit toch blijkbaar in onze genen want mijn zusje en ik draaiden ons tegelijkertijd om en stapten op de Marokkaan in trainingspak af om verhaal te halen. Wie noem je hier hoer en vooral waarom? “Als je niet binnen tien tellen weg bent, krijg je een pak slaag waardoor je aan de overkant van de straat komt te liggen.” We gingen geen millimeter opzij. “Ik begrijp niet precies waarom jij me hoer noemt.” De Marokkaan ging bijna schuimbekken: “Rot op nou man. Hé jongens, kom eens. Hier is, jeweetwel, die kankerhoer, hoe heet ze ook alweer?” “Ebru Umar”, hielp ik hem. “Ebru Omar.” “Umar. Ik ben geen Marokkaan.” En toen stonden er opeens vijf Marokkanen om ons heen. “Jij bent die vriendin van Van Gogh, hè; hij is nu in de hel.” “Waarom zeg jij allemaal negatieve dingen over Marokkanen?” Altijd leuk, dit soort gesprekken. Schijnbaar onbewogen bleven we staan. “Wat zeg ik dan?” Tien tegen één, wat zeg ik, een miljoen tegen één dat deze jongens nog nooit een stuk van mijn hand gelezen hebben. “Jij moet echt heel snel doorlopen. Ik ga je slaan, je hebt toch al eens klappen gehad?” “Goh, ik denk dat je moeder je niet zo heeft opgevoed.” Mijn zusje. Een rustig meisje, totdat ze boos wordt. “En houd je mond over mijn moeder!” “Heeft je moeder je geleerd om woorden als hoer tegen een vrouw te zeggen?” Heen en weer gewijs, geschreeuw en één rustige Marokkaan. “Wie is zij? Joh, ik ken haar niet eens.” Dank je. “Je weet wel, van tv en Van Gogh. Scheldt altijd op moslims.” Ik leg rustig uit dat ik zelden op moslims scheldt, sterker nog, dat de heren waarschijnlijk nog nooit een column van me hebben gelezen. Want deze week ging mijn column in Metro over Rotterdam, die van vorige week over Amsterdam, de week ervoor over Turkije en volgende week hoogstwaarschijnlijk over Suriname aangezien ik dan in Paramaribo zit. Er kwam geen kutmarokkaan in voor. De heren een goed weekend wensend, lopen we naar huis. Mijn Marokkaanse hulp wordt kwaad als ik haar vertel wat me net is overkomen. “Jij moet verhuizen, dit is een slechte buurt. Allemaal jongens die niet werken en op straat hangen, dit is een gevaarlijk buurt voor jou.” Ik lach haar uit. Ik woon prima, in het mooiste huis van Amsterdam, ik laat me niet wegjagen. Mijn zelfverdedigingsleraar heeft manmoedige pogingen gedaan om me te leren bang te zijn - je iPod is je leven niet waard en vijf Marokkanen moet ik, 1.60 m, 56 kilo toch echt uit de weg gaan. Kansloos verhaal. Ik weiger, weiger pertinent om opzij te gaan voor tuig en zal altijd de discussie aangaan. Niet slim misschien, maar moet ik soms mijn mond houden? Wat zou u doen?
Ebru Umar
Lees ook





