Ebru – Mijn spullen. Foetsie.

Ebru Umar is vaste columnist voor Metro en Libelle. In 2004 verscheen Burka & Blahniks van haar hand. In 2005 schreef zij Vier over 8 en Geen talent voor de liefde.

Haar nieuwste boek Turkse Verleidingen verscheen op 6 februari en ligt nu in de winkel. Sprankelende reisverhalen in een land zonder straatnamen en mét een leger dat vrouwenrechten beschermt, restaurants die het woord ‘service’ wél kennen en winkelcentra die zelfs de meest verwende shopper doen duizelen.

Het was een nogal rauw einde van mijn schrijfvakantie. Ik kwam de laatste dag rond zes uur terug van het strand en stond voor een dichte deur. Vreemd, want de afgelopen vijf weken opende de sleutel zonder problemen mijn deur. Ik keek nog of ik op de juiste verdieping voor de juiste deur stond. Dat stond ik. Het naambordje UMAR was niet te vermijden. En toen zag ik iets vreemds: een gat naast het slot, in de deursponning (heet dat zo?). Vreemd, dacht ik weer. Hoe lang zou dat gat er al gezeten hebben? Het was me niet eerder opgevallen. Totdat ik me realiseerde dat de deur geforceerd was. Dat gat was nieuw, iemand was me voor geweest. Een inbreker. Ik flipte. Binnen lag mijn Apple notebook, met mijn manuscript. En natuurlijk had ik een back-up. Op mijn iPod. Binnen. Ik sjeesde naar de conciërge, liet hem een slotenmaker bellen en probeerde met man en macht de deur te openen. Kansloos, zelfs de slotenmaker was er een half uur zoet mee.

Eenmaal binnen klopte er iets niet: de woonkamer was intact: er lagen nog twee laptops. En nog vijf duizend euro aan elektronica. En toen begon het te dagen: mijn sieraden. In mijn slaapkamer was het duidelijk, uit mijn la was alles verdwenen. Mijn Hermès-horloge, vorige maand van mijn moeder voor mijn verjaardag gekregen. Mijn 24-karaats gouden ring met robijn, gekocht van mijn eerste boekengeld. Mijn 24-karaats gouden ketting met robijnen, gekregen van mijn moeder een aantal jaar geleden. Een ring die ik op verzoek van Cisca Dresselhuys had laten maken. En nog drie andere gouden ringen van me. Plus nog een eenvoudig kettinkje. Totale waarde, nog afgezien van de emotionele waarde, toch zeker zeven duizend euro. De politie kwam, sporenonderzoekers kwamen en ik bracht de avond door op het politiebureau. De volgende ochtend daagde het: de dief was linea recta naar mijn kamer gelopen, had exact een la opengetrokken en was daarna weer weggelopen. Er was er maar één die zo precies wist waar ze moest zijn: de werkster, de vrouw van de conciërge. Ik toog weer naar de politie en vertelde mijn vermoedens.

De politie reageerde precies zoals ik wilde dat politie zou reageren: “Ik pak die hele familie op en ros ze net zo lang in elkaar totdat ze bekennen.” En toch flipte ik. Dit zijn nare mensen, tuig. Die doen een ander iets aan. Ik smeekte de politie die hele familie pas op te pakken als ik goed en wel naar het vliegveld was vertrokken. Dom misschien want nu ben ik in Nederland en tja, mijn sieraden zijn allang verpatst. Het hoort natuurlijk niet, maar ik had het maar wat fijn gevonden als de politie die hele familie inderdaad had opgepakt en eens een lesje had geleerd. Dat mensenrechtengezeik daar kan ik niets mee. Hoezo zij mijn deur openbreken en linea recta naar de slaapkamer lopen om zich mijn spullen toe te eigenen? Ik ben trouwens nog bij de werkster geweest. Ik heb vijf honderd euro geboden voor mijn spulletjes mits ik ze voor mijn vertrek dezelfde dag nog terug zou zien. Ik werd uitgelachen. Er is, buiten mijzelf en de werkster om, niemand in mijn huis geweest. Mijn conclusie was echt zo gek nog niet.
Had ik die familie toch meteen moeten laten oppakken? Wat had u gedaan?

Ebru Umar

x
x
x
x
x
x
x