Ebru – Vragen uit Suriname

Ebru Umar is vaste columnist voor Metro en Libelle. In 2004 verscheen Burka & Blahniks van haar hand. In 2005 schreef zij Vier over 8 en Geen talent voor de liefde.
Haar nieuwste boek Turkse Verleidingen verscheen op 6 februari en ligt nu in de winkel. Sprankelende reisverhalen in een land zonder straatnamen en mét een leger dat vrouwenrechten beschermt, restaurants die het woord ‘service’ wél kennen en winkelcentra die zelfs de meest verwende shopper doen duizelen.
Een writersblock dames, ik kan het niet anders omschrijven. Of een overdaad aan verschillende indrukken, dat kan natuurlijk ook. Ik zit in het land van Humberto Tan, Quintis Ristie, Jetty Mathurin en Jörgen Raymann. Suriname. Het land van Jong Oranje. Ik ben hier aan het werk maar het voelt als vakantie, heel anders dan Turkije. Daar moest ik nog een boek schrijven, hiervandaan hoef ik alleen maar wat artikelen naar Nederland te mailen. Zittend in de lounge van het Torarica Hotel (geopend door prinses Irene in 1974) schrik ik op van de muziek. De Turkse zanger Tarkan schalt door de ruimte. Ik kan het woord voor woord meezingen en dat maakt mijn verwarring compleet.
Al dagen verbaas ik me erover dat iedereen Nederlands spreekt en nu dit weer. Het is allesbehalve vanzelfsprekend dat mensen op meer dan negen uur vliegen van Amsterdam Nederlands spreken, anders dan dat het een koloniale erfenis is. En het wordt nog minder vanzelfsprekend als je je realiseert dat Suriname al sinds 1975 onafhankelijk is en werkelijk geen hond op, ik noem een dwarsstraat, Curaçao – dat nog steeds onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden is – Nederlands spreekt. Ik zie een land waar Nederland zich uit heeft teruggetrokken maar waar haar invloed nog overal aanwezig is.
In hotel Torarica kun je bitterballen krijgen. In de supermarkt gestampte muisjes en hagelslag. Bij de Esso dropjes. En naast Fort Zeelandia staart Koningin Wilhelmina over de Suriname rivier. Eeuwen geleden is het Nederlanders gelukt op duizenden kilometers afstand van Nederland een hele bevolkingsgroep inclusief geïmporteerde bevolkingsgroepen te assimileren, op zodanige wijze dat ze vandaag de dag nog zó in Nederland zouden kunnen leven. Ik vind dat best knap maar vraag me tegelijkertijd af wat voor verplichting dat schept. Of dat verplichtingen schept. De impact van de (koloniale) relatie tussen Nederland en Suriname heb ik me onvoldoende gerealiseerd. Op dit soort momenten ben ik echt een vreemdeling, een Turk, die zich verwondert over de Nederlandse geschiedenis en daar vragen zonder antwoorden op heeft. Vandaar dat ik ze maar hier stel. In hoeverre hoort Suriname vandaag de dag nog bij Nederland, in hoeverre is Nederland ‘klaar’ met Suriname? Zijn er wederzijdse (morele, sociale, economische) verplichtingen? Ik ben in Suriname en heb, zoals zo’n beetje alle Surinamers die ik ontmoet, gemengde gevoelens over wat ik hier zie. Help!
Ebru Umar






