Ebru – Ingezonden brieven: wat vindt u?

Ebru Umar is vaste columnist voor Metro en Libelle. In 2004 verscheen Burka & Blahniks van haar hand. In 2005 schreef zij Vier over 8 en Geen talent voor de liefde.
Haar nieuwste boek Turkse Verleidingen verscheen op 6 februari en ligt nu in de winkel. Sprankelende reisverhalen in een land zonder straatnamen en mét een leger dat vrouwenrechten beschermt, restaurants die het woord ‘service’ wél kennen en winkelcentra die zelfs de meest verwende shopper doen duizelen.
Ziek kan ik ervan zijn. Van een pissige lezersbrief. Scheldbrieven laten me koud, dreigbrieven daar lach ik om, maar van een brief van een mevrouw die klaagt over de inhoud van mijn ‘Ebru-stukje’ in Libelle word ik echt ziek. Om twee redenen: ten eerste omdat die stukjes gewoon niet gemeen, flauw of aanstootgevend zijn. Het zijn gesprekken met mensen die in het nieuws zijn. Ik reageer op die mensen, ik leg ze niets in de mond. Daar is Libelle het blad niet voor. Als mensen iets zeggen of iets gedaan hebben dat mij intrigeert, ga ik erop in. Als ik benieuwd ben naar iets specifieks, dan vraag ik ernaar – uiteindelijk is zo’n gesprek ook voor mij een kans om mijn vraag te stellen of mijn verwondering ergens over te doen blijken. Het zijn leuke, gezellige gesprekjes voor in een vrouwenblad waaraan je, als je het stukje uit hebt, een glimlach moet overhouden. Of die je misschien net dat stukje info geven waar je nog niet eerder aan gedacht had. Maar ja, blijkbaar zit niet iedereen op een stukje info te wachten. Van de week kreeg ik een boze reactie op mijn stukje met Dieuwertje Blok. Ik had haar gevraagd of ze het niet gek vindt dat we aan kindertjes het sinterklaasverhaal ophangen. Immers, je moet ze ook op een gegeven moment weer vertellen dat je ze hebt voorgelogen. Sinterklaas bestaat niet. Wat doet dat toch met de tere kinderziel? Ik ken een meisje dat stampvoetend naar haar kamer stormde, woedend huilend: “En God bestaat zeker ook niet!!!” Dat indachtig stel je die vraag. En hoppa, een boze brief. Hoe ik (de redactie) het in mijn hoofd haalde om zoiets op die pagina te zeggen. Immers, Jan, Jans en de kinderen staat naast mij en die wordt door kindertjes gelezen.
Eerlijk? Ik heb er nog een mailtje aan gewijd toen ik het stukje inleverde. Kan dit? Ja natuurlijk kan dit, was de reactie. We zijn een vrouwenblad, niet de Donald Duck. Afgelopen jaar heb ik nog twee boze brieven gekregen, eentje over mijn stukje met Joris Luyendijk, de ander over mijn stukje met Jan Pronk. Luyendijk zegt iets over Ayaan Hirsi Magan, ik reageerde dat ze gewoon een leugenares is, hij ontkent helemaal niets en gaat er niet op in want hij vindt haar totaal niet interessant. Hoppa, boze brief. Of ik even wil uitleggen waarom Ayaan volgens mij een leugenares is. Wat ik vervolgens keurig doe (over de mail) en de brievenschrijfster alleen maar bozer maakt. Het is nooit goed. De ander ging over Pronk, die mij vertelde over documentatie te beschikken dat een groot aantal asielzoekers linea recta vanuit het vliegtuig is opgevangen door lokale inlichtingsdiensten. En van wie nooit meer iets gehoord is. Dus ik vraag aan hem of dat niet ‘misdadig’ is (aldus de brievenschrijfster, ik was zo ziek van die brief dat ik het maar niet heb opgezocht). Pronk zegt iets, ik reageer en hij antwoordt. Vervolgens wordt een lezeres boos omdat ik iets vraag. Of wordt ze boos om Pronks antwoord?
Ik weet het allemaal niet meer. Mensen klimmen wel in de pen om te klagen maar zelden om hun bewondering uit te spreken. Dus ik verkeer in dubio. Wat vindt u, moet ik maar geen politici meer spreken en politieke onderwerpen bespreken? Moet ik moeilijke of lastige of eigenlijk juist intrigerende vragen maar uit de weg gaan? Of moet ik me maar niets meer aantrekken van dit soort brieven?
Ebru Umar






