
Het was bitter koud, en de lucht was statisch van wat er allemaal ging gebeuren. De wereld stond stokstijf stil, precies om vier uur. Nergens bewoog iets, geen mens, geen vogel. Eén nanoseconde lang was er alleen stilte, alleen bewegingsloosheid. Figuren stonden bevroren in het bevroren landschap. Mannen, vrouwen en kinderen.
Als je daar was geweest, had je niets gemerkt. Je had niets van je eigen bewegingsloosheid gemerkt in dat kleine stukje tijd. Maar als je daar was geweest en je had, op de een of andere ondoorgrondelijke manier, de bewegingsloosheid gesignaleerd en er een negatief van gemaakt zoals een glasplaat licht ontvangt, om het later te ontwikkelen, dan zou je hebben geweten, zodra de herinnering volledig was, dat dit het moment was waarop het begon. De klok tikte. De klok sloeg. Alles bewoog weer. De trein was te laat.
Het sneeuwde nog niet, maar dat zou niet lang meer duren. Zo te ruiken hing er een sneeuwstorm in de lucht. Het land lag al onder vertrapte sneeuw. Het land hier vluchtte onder je ogen vandaan, verdween achter de zwarte horizon zonder een detail op je netvlies achter te laten. Stoppelig door de sneeuw, scherp als scheermesjes. Kraaien pikten in niets. Zwarte rivier, ijzige olie. Wie zegt dat de hel een vuur moest zijn, bedacht Ralph Truitt, die in zijn sobere kleren op het perron van het kleine treinstation midden in het bevroren niemandsland stond. Dit kon ook heel goed de hel zijn. Het zou met de minuut donkerder worden. Het zou koud genoeg zijn om de huid van je botten te vriezen.
Hij stond midden in de massa, maar zijn eenzaamheid was enorm. Hij voelde dat in alle bevroren en uitgestrekte ruimte waarin hij zijn leven leefde – iedere behoeftige hand, ieder hart dat wat van hem wilde – iedereen een reden had om te bestaan en een plek om zich te vestigen. Iedereen behalve hij. Voor hem was er niets. In de gehele grote, koude en bittere wereld was er nergens een plekje waar hij kon gaan zitten. Ralph Truitt keek op zijn zilveren horloge. Ja, de trein was te laat. De ogen om hem heen keken in stilte voor zich; ze wisten het. Hij had erop gerekend dat de trein vandaag op tijd zou zijn. Precies op de minuut, had hij ze verteld. Hij had punctualiteit geëist, zoals een ander een biefstuk naar zijn wens bestelde. Nu stond hij hier voor gek en iedereen keek toe. En hij was ook gek. Zelfs met dit detail had hij gefaald. Er zou niets van komen, van dit laatste sprankje hoop. Hij was een man die gewend was te krijgen wat hij wilde. Sinds zijn eerste schokkende verliezen, twintig jaar geleden – zijn vrouw, zijn kinderen, zijn grootste hartenwensen en zijn laatste levendige fantasieën – was hij gaan inzien hoe onverzoenlijk zijn eigen verwachtingen waren als de enige verdediging tegen zijn eigen angsten. Meestal werkte het prima. Hij was meedogenloos en de mensen in de stad respecteerden dat, waren er zelfs bang voor. En nu was de trein te laat.
Op het perron, om hem heen, waren de mensen uit zijn stad aan het rondlopen en kijken en wachten. Ze probeerden heel nonchalant te kijken, alsof hun wachten een ander doel had dan te zien hoe Ralph Truitt op een trein wachtte die te laat was. Ze vertelden elkaar grapjes. Ze lachten. Ze praatten zacht, uit respect voor wat ze herkenden als het falen van Ralph Truitt. De trein was te laat. Ze voelden de sneeuw in de lucht. Ze wisten dat de sneeuwstorm snel zou beginnen. Net als die ene dag in elke lente dat de vrouwen uit de stad, alsof iemand een geheim teken had gegeven, voor het eerst in hun zomerjurken naar buiten kwamen nog voordat de eerste warmte was gevoeld, was er ook een dag dat de winter zijn mes liet zien voordat de eerste snee werd toegebracht. Dit was die dag: 17 oktober 1907.Vier uur en bijna donker.
Allemaal, stuk voor stuk, hielden ze met één oog het weer in de gaten en met het andere Ralph. Wachtende zagen ze Ralph wachten, en ze keken elkaar iedere keer aan wanneer Ralph op zijn zilveren horloge keek. De trein was te laat.
Boontje komt om zijn loontje, dachten sommigen, vooral de mannen. Sommige anderen, vooral de vrouwen, dachten aardiger. Misschien, dachten die, na al die jaren.
Ralph wist dat ze over hem praatten, wist hoe ze over hem dachten, hoe gecompliceerd die gedachten waren, en dat ze het daar hardop met elkaar over hadden, zodra hij voorbij gelopen was en even tegen zijn hoed had getikt vanuit de beschaving die hij met zoveel moeite dag na dag tentoon spreidde. Hij zag het in hun ogen. Hij had het iedere dag van zijn leven gezien. Het dralende geklets, het onvermijdelijke gegrinnik over wat ze allemaal wisten van zijn verleden. Soms werd er iets aardigs gefluisterd, omdat er ondanks alles iets aan Ralph was dat, nog steeds, sympathie opriep.
De truc was, wist Ralph, om niet toe te geven. Om niet je schouders te buigen in de kou, of met je voeten te stampen, of warme adem in je koude handen te blazen. De truc was om je in de kou te ontspannen, te accepteren dat die was gekomen en lang zou blijven. Om je eraan over te geven, zoals je je kon overgeven aan een warm lentebriesje. De truc was om er deel van te worden, zodat je aan het eind van een toch al loodzware dag niet in de kou stond met stramme, pijnlijke schouders en rode handen.
Aan sommige dingen kon je ontsnappen, dacht hij. Aan de meeste dingen niet, en zeker niet aan de kou. Je kunt niet ontsnappen aan de dingen, meestal slechte, die je gewoonweg overkomen. Het verlies van liefde. De teleurstelling. De verschrikkelijke klap van een tragedie. Dus stond Ralph daar onvermurwbaar, borst naar voren, gehard in de kou, niet van slag door het geroddel, zijn ogen gericht op de rails die naar de verte leidden. Hij had hoop, was verbaasd dat hij die hoop had, hoopte dat hij er overtuigend uitzag, niet te oud, niet te stom, of te onverzoenlijk. Hopende dat de onrust van zijn ziel, zijn hopeloze eenzaamheid, onzichtbaar was, in ieder geval op dit tijdstip voor de sneeuw ging vallen en hen in zou sluiten.
Hij had een goed mens willen zijn, en hij was ook geen slecht mens. Hij had zichzelf aangeleerd niets te willen, nadat hij ooit iets gewild had en dat had verloren. Nu wilde hij weer iets en hij was verbaasd en woedend over zijn eigen verlangen. Toen hij thuis zijn toilet maakte voor hij naar het station ging, had Ralph even zijn gezicht gezien in een van de spiegels. Hij was ervan geschrokken. Geschrokken van wat verdriet en neerbuigendheid met zijn gezicht hadden gedaan. Zoveel jaren van haat, woede en spijt. Thuis, voor hij hiernaartoe ging, waren zijn handen druk bezig met het boordenknoopje, en de knoop van zijn das. Hij deed die dingen iedere ochtend, het knopen en rechttrekken; precieze bezigheden van een keurige heer. Maar tot hij in de spiegel had gekeken en zijn eigen bange hoop had herkend, had hij niet gedacht, in geen enkele fase van deze idiote onderneming, dat dit moment daadwerkelijk bereikt zou worden en hij het uiteindelijk niet vol zou kunnen houden. Maar dat was wat in hem was opgekomen toen hij naar zijn ingevallen gezicht in het spinnige glas keek. Hij zou het niet aankunnen dat die ellende weer tot leven werd gewekt. Al die jaren had hij de dood verdragen, de afschuwelijke schaamte. Hij had het volgehouden, tegen al zijn instincten in. Hij was blijven opstaan, naar de stad blijven gaan, blijven eten, zijn vaders zaak blijven leiden en daarbij onvermijdelijk de zorgen van al deze mensen, hoewel hij geprobeerd had het te vermijden, op zich blijven nemen. Hij had altijd verondersteld dat zijn gezicht maar één ding uitstraalde: alles is goed. Alles gaat goed. Niets gaat verkeerd. Maar deze ochtend, in de spiegel, zag hij dat het niet waar was, dat hijzelf de enige was die ooit voor de gek gehouden was. En hij zag dat hij bezorgd was, dat het er allemaal toe deed.
Deze mensen, hun kinderen werden ziek. Hun vrouwen of mannen hielden niet van hen en als ze dat wel deden – Ralph werd gekweld door het idee van de seksuele daad – lagen hun seksuele levens diep verborgen onder hun kleren. Lusten van andere mensen. Ze raakten elkaar aan. Hun kinderen stierven, soms tegelijkertijd, hele gezinnen, binnen een enkele maand, aan difterie of tyfus of griep. Hun mannen of vrouwen werden in één nacht gek, in de kou, en staken zomaar hun huizen in brand of schoten hun eigen verwanten, hun eigen kinderen dood. Ze scheurden zich in het openbaar de kleren van het lijf en urineerden op straat en liepen de kerk uit, kronkelden als slangen. Ze doodden kerngezonde beesten, verbrandden hun schuren. Het stond iedere week in de krant. Iedere dag was er ergens een nieuwe tragedie: een nieuw, onverklaarbaar falen van het gewone.
Ze drenkten hun kleren in nafta en gingen roekeloos veel te dicht bij een vuur staan en vlogen in brand. Ze dronken vergif. Ze voerden elkaar vergif. Ze hadden dochters bij hun eigen dochters. Ze gingen gezond naar bed en werden gek wakker. Renden weg. Hingen zichzelf op. Die dingen gebeurden.
Maar al die tijd had Ralph gedacht dat zijn gezicht en lichaam stoïcijns waren, dat hij eerlijk en sympathiek naar de mensen keek en naar hun verdriet en hun absurde problemen. Toen hij naar bed ging, had hij geprobeerd om er niet aan te denken, maar toen hij vanochtend was opgestaan, had hij het allemaal gezien, de tol die het had geëist.
Hij had een vale huid. Zijn haar hing slap en was dunner dan hij zich herinnerde. Zijn mond- en ooghoeken hingen naar beneden, waardoor hij permanent verdrietig en minzaam keek. Zijn hoofd hing wat achterover van alle aandacht die hij had geschonken aan lichamen die veel te dichtbij stonden en veel te hard praatten. Die dingen, voortkomend uit de afgrijselijke bewegingsloosheid van zijn hart, waren zichtbaar. Iedereen zag het. Hij had helemaal niets verborgen gehouden. Wat was hij een dwaas geweest. [rectangle]
Ooit was er een tijd dat hij op iedere straathoek verliefd werd. Iets kleins als een leuk lint om een hoed had nagejaagd. Lichte voetstappen, het geritsel van een vrouwenrok, een gehandschoende hand die een vlieg bij een sproetneus wegjoeg, ooit was dat allemaal genoeg geweest om zijn hart sneller te laten kloppen. Met plezier sneller te laten kloppen. Met eerlijke, dierlijke verwachtingen sneller te laten kloppen. Zo diep verliefd, dat zijn lichaam pijn deed. Maar nu wist hij niet meer hoe hij verliefd moest worden. En toen hij zichzelf in de spiegel zag, dacht hij met een steek van jaloezie aan zijn jongere, wellustige ik. Hij herinnerde zich de eerste keer dat hij een blote arm van een volwassen vrouw had gezien. Hij herinnerde zich de eerste keer dat een vrouw alleen voor hem haar haren had losgemaakt, de verbijsterende, weelderige krullen, de geur van shampoo en lavendel. Hij herinnerde zich nog elk meubelstuk in de kamer. Hij herinnerde zich zijn eerste zoen. Hij had van dit alles gehouden. Ooit was het alles voor hem geweest. Was de honger van zijn lijf de zin van zijn hele leven geweest.
Je kunt met een dergelijke hopeloosheid slechts leven tot je zelf daadwerkelijk hopeloos bent. Hij was vierenvijftig, en de wanhoop was in zijn lijf geslopen zonder dat Ralph het had gemerkt. Hij kon niet het moment aangeven waarop de hoop zijn hart had verlaten. De mensen uit de stad knikten eerbiedig terwijl ze langsliepen. ‘Avond, meneer Truitt.’ En ze konden er niets aan doen: ‘De trein is een beetje laat, hè, meneer Truitt?’ Hij wilde ze slaan, zeggen dat ze weg moesten gaan, dat ze hem met rust moesten laten. Omdat ze het natuurlijk wisten. Er waren telegrammen verstuurd, telegrafische overschrijvingen, een ticket. Ze wisten alles.
Ze kenden zijn hele geschiedenis vanaf dat hij een baby was. Veel van hen, de meesten, hadden op de een of andere manier voor hem gewerkt, in de ijzergieterij, in de mijn, in de aan- en verkoop, of in het bijhouden van de rentes of verkoopbedragen. Degenen die niet voor hem hadden gewerkt, werkten voor het merendeel helemaal niet, behalve wat moeizaam scharrelwerk en wanhopige baantjes die de onnozelen en luilakken in strenge klimaten in leven hielden.
Sommigen waren lui, dat wist hij. Anderen waren wreed voor hun vrouwen en kinderen, ontrouw aan hun saaie en brave echtgenoten. De winters waren veel te lang, veel te streng, en er werd van niemand verwacht dat hij het volhield.
Voor sommigen werd het normale leven een nachtmerrie. Ze gingen bijna dood van de honger in die afgrijselijke winters. Ze trokken zich terug uit het gemeenschapsleven en woonden alleen in bouwvallige hutjes in de bossen. Ze werden bazelend en naakt aangetroffen en naar het gekkenhuis in Mendota gebracht, waar ze in ijskoude doeken werden gewikkeld en elektrische schokken kregen tot ze weer rustig en gezond waren. Dergelijke dingen gebeurden.
Toch gingen er elke dag meer mensen door dan dat er ophielden, bleven er meer mensen dan er weggingen. Degenen die bleven, gek of gezond, allemaal kregen ze vroeg of laat te maken met Ralph Truitt. Ook Ralph Truitt moest door de kou en zijn eigen afschuwelijke eenzaamheid heen. ‘Het gaat harder sneeuwen,’ zeiden ze.
‘Het is al donker,’ zeiden ze. ‘Vier uur en al donker.’ ‘Avond, Ralph, meneer Truitt. Het gaat een grote worden, daar lijkt het tenminste op. De almanak zegt het ook.’ Al die kleine dingetjes die ze bedachten om de tijd door te komen, hun kleine, maar dappere poging om een menselijke band met hem te creëren. Ieder gesprek met hem werd iets waarover nagedacht moest worden, wat van verschillende kanten bekeken en veranderd moest worden, ruim voordat de woorden werden uitgesproken, en dat onthouden en doorverteld moest worden nadat hij was weggegaan. ‘Heb meneer Truitt vandaag gesproken,’ zouden ze tegen hun vrouwen kunnen zeggen, omdat weinigen hem anders durfden te noemen. ‘Hij was hartelijk en vroeg hoe het met jou en je kinderen ging. Kende al hun namen.’
Ze haatten hem en hadden hem nodig en ze verexcuseerden hem. Als hun mannen tierden over wat voor een gierige hufter hij was, wat voor een vrek, wat voor een arrogante klootzak, dan zeiden hun vrouwen: ‘Ach, weet je, hij heeft het moeilijk.’ Natuurlijk wisten ze het. Ze wisten het allemaal. Hij sliep alleen. Hij lag dan in het donker en zag ze dan voor zich, die mensen. Hij droomde hun levens in het donker. De mannen zouden zich omdraaien en hun vrouwen zien en begeerte zou als een explosie door hen heen branden. Ralph stelde zich hun levens voor, hun verlangens, aangewakkerd door niet meer dan een dun nachthemd. Elf kinderen, soms dertien: negen dood, vier levend; zes levend, zeven weg.
In de gedachten van Ralph Truitt, midden in de nacht, vormden de knopen van dood en geboorte een krankzinnige veter, die de stad verbond in een zalige orgie van seksuele daden en de voortbrengselen daarvan. Allemaal huid op huid in het donker, vlak onder de zware, knellende kleding van overdag. Nog steeds in zijn gedachten, zouden de echtgenoten tussen de verwarmde lakens glijden en weer jong zijn, jong en verliefd, al was het maar voor vijftien minuten in het donker, liggend naast oude vrouwen die in diezelfde paar minuten weer jonge, mooie meiden waren met glimmend gevlochten haar en lokkende lachjes. In het donker dacht hij alleen maar aan seks. De meeste nachten kon Ralph dat wel aan. Maar sommige nachten niet. Die nachten lag hij verhit in bed onder het gewicht van de lusten die hij om zich heen vermoedde, de verlangens die vervuld werden, de onuitgesproken fysieke contacten die in het donker kunnen ontstaan, zelfs tussen mensen die elkaar overdag niet kunnen uitstaan. In ieder huis, bedacht hij gefascineerd, wordt er een ander leven geleefd. Is er seks in ieder bed. Iedere dag liep hij in zijn stad over straat en las op ieder gezicht de simpele liefkozingen die ze in het donker hadden uitgewisseld en zei hij tegen zichzelf dat alleen hij degene was die dat niet nodig had om verder te kunnen leven.
Hij ging naar hun bruiloften en begrafenissen. Hij beslechtte hun ruzies, zat hun tirades uit. Hij nam ze aan en ontsloeg ze, en hij hield altijd voor ogen hoe ze in het donker hun weg zochten op zoek naar troost en hoe ze die vonden, zodat ze als de zon weer opkwam, hun levens verder konden leven. Die ochtend, in de spiegel, had hij zijn gezicht gezien, en het was een gezicht dat hij niet wilde laten zien. Zijn honger, zijn inhalige eenzaamheid: ze waren niet dood. En de mensen om hem heen waren niet blind. Al die jaren moesten ze net zo geschokt zijn geweest als hij deze ochtend was.
In zijn zak zat de brief, en in die brief zat een foto van een eenvoudige vrouw die hij niet kende, besteld als een paar laarzen uit Chicago, en in die foto lag Ralphs hele toekomst en iets anders deed er niet toe. Zelfs zijn schaamte, terwijl hij daar tussen de slome menigte op een trein wachtte die te laat was, was daaraan ondergeschikt, want hij had zijn hart op een pad gezet voor hij ook maar enig idee had waar dat pad hem zou brengen, en ook omdat hij onder hun spiedende ogen niet zijn blik kon afwenden of kon veranderen wat hij met zijn hele hart had besloten, lang voordat hij had geweten wat het in zou houden.
De trein zou komen, te laat of niet, en alles wat voor die aankomst gebeurde, zou daarvoor zijn en alles wat daarna gebeurde, zou daarna zijn. Het was nu te laat om te stoppen. Zijn verleden was niet meer dan een aantal gebeurtenissen die hem tot deze radeloze daad van hoop hadden geleid. Hij was een man van vierenvijftig jaar die van zijn eigen gezicht schrok, en over een paar tellen zou ook die lei schoongeveegd worden. Hij stond zichzelf toe die hoop te hebben. We willen allemaal de simpelste dingen, dacht hij. Ondanks wat we mochten hebben, of de kinderen die sterven, willen we de eenvoud van liefde. Het was toch niet te veel gevraagd dat hij als de anderen mocht zijn, dat ook hij iets mocht krijgen wat hij wilde hebben.
Twintig jaar lang had niemand hem welterusten gewenst wanneer hij het licht uitdeed en ging slapen. Niemand had hem goedemorgen gewenst wanneer hij zijn ogen opendeed. Twintig jaar lang was hij niet gezoend door iemand die hij kende en toch, zelfs nu nog, nu het zacht begon te sneeuwen, herinnerde hij zich hoe het voelde, de zachte druk van lippen, de zoete honger ernaar. De mensen uit de stad keken naar hem. Niet dat het nog belangrijk was. ‘Wij waren erbij,’ zouden ze tegen hun kinderen en buren zeggen. ‘We waren erbij. We zagen haar voor het eerst uit de trein stappen, en ze is maar drie keer uit de trein gestapt. We waren er bij. We zagen het moment dat hij haar voor het eerst zag.’ Hij had de brief in zijn hand. Hij kende hem uit zijn hoofd. Ik ben een eenvoudige, eerlijke vrouw. Op mijn reizen met mijn vader heb ik veel van de wereld gezien. Door mijn missiewerk heb ik de wereld gezien zoals die is en ik maak me geen illusies. Ik heb de armen gezien en ik heb de rijken gezien en volgens mij bestaat er geen scherpe tegenstelling tussen hen, want de rijken zijn net zo hongerig als de armen. Ze zijn hongerig naar God. Ik heb onvoorstelbare dodelijke ziektes gezien. Ik heb gezien wat de wereld de wereld aan kan doen, en ik kan er niet meer tegen om nog langer op de wereld te zijn. Ik weet dat ik er niets aan kan doen, en ook dat God er niets aan kan doen. Ik ben geen schoolmeisje. Ik ben mijn hele leven een dochter geweest en heb allang de hoop opgegeven om een echtgenote te worden. Ik weet dat u me geen liefde kunt aanbieden, en dat zoek ik ook niet. Ik zoek een thuis en ik zal aannemen wat u geeft, want meer wil ik niet. Ik zeg dat niet in de veronderstelling dat het weinig is. In feite kan een mens niet meer aan goedheid en aardigheid willen. Het is alles in vergelijking met de wereld die ik heb gezien en als u me wilt hebben, kom ik.
Bij de brief had ze een foto van zichzelf gevoegd, en zijn duim streek langs het rafelige randje, terwijl hij weer voor iemand zijn hoed optilde. Hij zag vanuit een ooghoek nog iemand zijn ongebruikelijke soberheid en de luxe van zijn zwarte pak, stevige schoenen en bontgevoerde overjas schattend bekijken. Zijn duim liefkoosde haar gezicht. Zijn ogen zagen haar gelaatstrekken, die niet knap of lelijk waren. Haar grote, heldere ogen keken onschuldig in de lens. Ze had een eenvoudige jurk met een effen stoffen boord aan. Een eenvoudige vrouw die zo hard een echtgenoot nodig had, dat ze bereid was met een vreemdeling te trouwen die twintig jaar ouder was. Hij had geen foto teruggestuurd, en ze had er ook niet om gevraagd. In plaats daarvan had hij een ticket gestuurd naar het christelijke pension waar ze woonde, in het vieze, gevaarlijke Chicago. En nu stond hij hier, een rijke man in een kleine stad in een koud klimaat, aan het begin van een winter in Wisconsin in het jaar 1907. Ralph Truitt wachtte op de trein die Catherine Land naar hem toe zou brengen. Ralph Truitt had heel lang gewacht. Hij kon nog wel wat langer wachten.