De wereld van de vrijmarkt is apart te noemen. Een dagje zoldervulling verkopen vereist verkooptalent en een goed inzicht in vraag en aanbod.
Beide talenten zijn aan mij voorbijgegaan. Op Koninginnedag geef ik bijna alles gratig weg. Ik vind het bijna gek om voor mijn ouwe troep nog iets te vragen, terwijl de koper dat wel doet. Toch irriteert het mij dat er op het moment van afrekenen wordt afgedongen op de prijs.
Mijn spullen gaan naar mijn bescheiden mening natuurlijk al bijna voor niets weg. Een houten telraampje bijvoorbeeld, waarvan de helft keurig is afgeknaagd door mijn nageslacht, doe ik in de reclame voor maar een euro. Het blijft namelijk handgemaakt houtwerk.
Een potentiële koper die tot drie keer toe naar mij terugkwam met de mededeling dat het wat hem betreft 50 eurocent kon worden, heb ik tot aan zijn schoenveters afgefikt. Niet bepaald een verkooptechnische actie. Bij de volgende klant dacht ik slim te zijn door één euro vijftig te vragen. Misschien zou de potentiële koper een euro bieden, dan was de zaak beklonken. Die actie werkte ook niet, ik werd uitgelachen met mijn eenvijftig.
Het gras bij mijn vrijmarktburen is groener, hun zak met klinkende euro’s ook. Zij verkopen op deze Koninginnedag wel heel goed. De spullen zijn hetzelfde, echter hun prijzen liggen beduidend hoger. Aan de cupmaat van mijn buuf kan het niet liggen. Ze heeft net als ik, een vlotte B cup. Wel is ze verkoopvriendelijker en bovenal verkooptechnischer dan ik. Ze is hoogblond, heeft evengoed een leuk decolleté en ze lacht van tijd tot tijd vriendelijk naar al haar potentiële kopers (lees: slachtoffers).
Mijn verkoopglimlach daarentegen lijkt meer op een belegen grijns na een akelig bezoek aan de tandarts. Mijn koopwaar lacht me uit, blijft lekker op het kleedje liggen, uitgestrekt in de zon. Daar kom ik vandaag dus niet meer vanaf. Er komt een gedachte in me op waar ik direct vrolijker van wordt. Als ik van mijn verkoopwaar af wil, moet ik slim zijn. Van mijn techniek en van mijn uiterlijk moet ik het vandaag niet hebben.
Na een rondje over het vrijmarktgebeuren kom ik terug bij mijn stal, die tijdelijk door zoon is bemand. Hij heeft intussen voor vijf euro handel verkocht. Ik heb wat kartonnen dozen gescoord, bij succesvolle verkopers die bijna “los” zijn. Na wat knippen en peuteren (neem altijd uw schaar en stiften mee!) houd ik drie middeldozen over, die ik voorzie van een prijs. Ik heb nu een doos van vijftig cent spullen, een doos met eurospul en een doos met artikelen van twee euro. Mijn handelswaar deponeer ik, netjes op waarde gesorteerd, in de bijbehorende dozen. Het verkoopkleedje knip ik in drieën als bedekking voor op de dozen.
De rest van de dag mogen mijn boeren, burgers en buitenlui grabbelen. Voor vijftig cent, een euro of twee euro mag je met je hand onder het kleedje grabbelen naar iets ongezien leuks. Raden mag, daar wordt het flink gezellig van. Niet alleen heb ik de rest van de dag geen gezeur meer over de prijs van mijn handel; na enkele uren is een groot deel van mijn handel in andere handen overgegaan.
Mijn zolder is nagenoeg leeg, mijn portemonnee is iets voller dan vanmorgen.