Ik moet naar de tandarts. Er moet geboord, anders is de kies verloren. En ik wil niet. Niet omdat ik de goede man niet aardig vind maar in de loop van mijn schooltijd heeft zich een diepgewortelde afkeer van de tandarts ontwikkeld. Precies ja, de schooltandarts. Hij heeft gezorgd voor een jarenlange afkeer van alles wat met tanden te maken heeft.
Nu nog, op mijn veertigste, weet ik nog precies hoe ik me voelde op de basisschool. Wanneer er een wit busje bij het schoolplein stond geparkeerd, was dat voldoende om over te gaan op hyperventileren. Ook al was het in sommige gevallen het busje van de volledig onschuldige schoolschilder.
Dat busje was misleidend. Toen er wat weken later weer zo’n wit kreng voor de deur stond geparkeerd, dacht ik in alle onschuld, dat het de schilder was. Mooi niet. “Schooltandarts” stond op de zijkant van het busje afgebeeld. Een magere juffrouw in witte jas, met in haar hand een klembord, stroopte de klassen af, op zoek naar slachtoffers. Doordat ik geen eigen tandarts had, maakte ik deel uit van die groep.
Als lammeren naar de slachtbank werden we in rijen van twee naar het tandartslokaal gedirigeerd. Een ongezellig hok zonder ramen, met daarin uiteraard De Stoel met ernaast een Aziatisch uitziend mannetje, de tandarts. Nederlands sprak hij niet, behalve de woorden “In de stoel” en “mond open." Van pure zenuwen kon ik dàt zelfs vaak niet eens verstaan.
Zonder orthopedagogisch verantwoorde openingszin of aankondiging werd er direct geboord, zonder verdoving en zonder voorafgaande toestemming van de ouders. Zonder verdoving boren voelde als het amputeren van je teennagels. Vaak had ik ’s avonds hevige pijn en koorts. Van pure angst en stress.
Toen ik als tiener een beugel moest, veranderde mijn tandartsleven. Het goede nieuws was, dat ik voorlopig niet meer naar de schooltandarts hoefde, aangezien de man absoluut geen verstand had van beugels en er zich (godzijdank) verre van hield. Een beugel betekende afscheid van de tandenmishandelaar, met een onleesbaar briefje voor de beugelboer.
Het slechte nieuws was, dat ik van de beugeltandarts direct naar de tandarts van mijn vader moest, om maar liefst zes kiezen te laten verwijderen, om ruimte te maken voor mijn scheefstaande tanden. Twee melkkiezen en vier volwassen exemplaren moesten het veld ruimen. Mijn kaak was zo nauw, dat de snijtanden in mijn verhemelte groeiden.
Voor de zeskiezige trekbeurt ging mijn vader mee. Na veertien verdovingsspuiten werd hij door de tandarts dringend verzocht om op mijn benen te gaan zitten, aangezien die dusdanig trilden, dat het trekken van de kiezen zonder hulp van buitenaf niet verantwoord was. ’s Avonds voelde ik me als een bejaarde, die was opgegaan voor een kunstgebit. Er zaten aan weerskanten van mijn kaak, zowel boven als beneden, gapende gaten, die bovendien nog gingen ontsteken ook.
Tijdens de beugelperiode heb ik verder geen tandarts meer bezocht. Ik was er klaar mee. Door de kosten die eraan verbonden zaten, vond mijn vader dat ook wel een goed plan. Jaren later besloot ik dat het toch verstandig was om me weer eens te melden bij de tandenboer. Gelukkig had ik op dat moment geen gaatjes. Het tandartsbezoek werd voorzichtig aan iets minder belastend.
Mijn tanden groeiden weer scheef, toen ik ongeveer 24 was. Het leek wel onkruid. Als ongeleide projectielen schoven mijn snijtanden over elkaar. Ik kon niet eens fatsoenlijk een broodje vleeswaar eten, er hing altijd een reepje vlees over mijn kin. Op mijn trouwfoto’s sta ik als een konijn afgebeeld. Dapper besloot ik om mezelf nog maar een keer aan de beugel te wagen. Weer werden er vier kiezen getrokken. Een periode van anderhalf jaar later, met slotjes en een 24-uurs buitenboordbeugel, -ja ook op het werk- was het resultaat prachtig.
Mijn oude tandarts, intussen gewend aan mijn nukken en angsten, ging met pensioen. Zijn opvolgsters hadden zowel geen verstand van tanden kiezen als van de omgang met patiënten. Na de vierde keer een kies boren werd pas duidelijk, dat ik “de angstige patiënt” was. “Oh..vergeten in de status te noteren, oeps.” Toen ze uiteindelijk ook mijn zoon van toen zeven jaar ook gillend in de stoel kregen tijdens een normaal gesproken pijnloze behandeling, was het voor mij genoeg. We zijn opgestaan en weggelopen, de dames tandartsen achterlatend, met de apparatuur nog in hun hand.
Ik ben zelf op zoek gegaan naar een tandarts. Dat kostte wat tijd en consulten. Het gaf niet, ik vond het belangrijk mijn grieven en angsten te kunnen uiten. Ik vond uiteindelijk een tandarts die me aannam als patiënt, die de sprong met mij wilde wagen. Tot heden toe gaat het goed. Wanneer ik binnenkom, hoef ik nooit meteen in de stoel. Ik mag altijd eerst even uitpraten. Doordat ik van de zenuwen ga ratelen, duurt dat soms wel een stief kwartiertje. Dat geeft niets, mijn tandarts heeft hiervoor alle tijd. Ook mijn zoon mag even voorbereidend kletsen, wanneer hij aan de beurt is voor een controle.
Ik neem plaats in de stoel en krijg een plastic operatieachtig lapje in mijn mond, met een ringetje om de te behandelen kies. Een diepe zucht ontsnapt. Het is zover. Tijdens de behandeling stopt mijn tandarts een aantal keer om te vragen of het nog goed met me gaat. Wanneer de tranen van de zenuwen over mijn wangen lopen, droogt hij ze voorzichtig af met een Kleenex. Het doosje is als standaardinstrument op mijn borstkas gelegd, tussen de andere tangetjes en staafjes.
Na twee keer twee minuten boren heb ik het ergste achter de rug. Nu hoef ik alleen nog maar een kwartier mijn mond open te houden voor het maken en plaatsen van de vulling en het weghalen van tandsteen. Dat doet hij zonder boor (want twee weken gevoelige tandwortels). Hij neemt hiervoor het haakje, ook al is dat voor hem een langer werkje dan gebruikelijk. Na in totaal een half uur in de stoel gelegen te hebben ben ik klaar. We wisselen nog wat wederzijdse zorgproblematiek uit, het schept een band, en dan loop ik opgelucht naar buiten.
Hij is mijn held, mijn dentalist. Een wereldexemplaar. Stiekem ben ik een beetje van hem gaan houden. Godzijdank is hij jong, ongeveer dertig jaar. Fijn feit: waarschijnlijk ga ik eerder met pensioen dan hij.