Ik fietste door de stad. Het was een gewone zondag. Drie uur. Tijd voor een glas witte wijn met een vriendin, op een terras in de zon. Ik keek links en rechts de grachten over en genoot van de stad. Ouders lieten hun kinderen en honden uit in het park. Ze leken gelukkig. Plotseling zag ik een man liggen. Languit op de stoep, zijn mond wijd open, zijn gezicht opgericht naar de hemel.
Ik dacht iets in de trant van: alweer een dronken zwerver! en fietste door. Honderd meter verderop zag ik een jongen en een meisje op een bankje zitten. Het stelletje tuurde naar de man die apathisch bleef liggen. Een ongemakkelijk gevoel bekroop me. Ik haalde het beeld op mijn netvlies terug en besefte dat ‘de zwerver’ nette leren schoenen aan had, geschoren was en wel in een heel vreemde houding had gelegen. Was het wel dronkenschap wat ik gezien had? Moest ik terugfietsen om te kijken hoe het met de man ging? Straks had hij een hartaanval? Of een epileptische aanval? Waarom was ik niet gestopt?
Ik herinnerde me een film waarin een luguber beeld geschetst werd van onze westerse toekomst. Er was materiële rijkdom in overvloed, maar de emoties waren enorm afgevlakt. Mensen stierven op straat en de levenden stapten zonder blikken of blozen over hen heen. Ik weet nog dat ik helemaal koud om mijn hart werd bij het zien van deze beelden en dat ik me niet kon voorstellen dat ik ooit tot zoiets in staat zou zijn.
En nu was ik misschien wel aan een mens in nood voorbijgereden. Waarom eigenlijk? Ik besefte al snel dat het er vooral mee te maken had dat NIEMAND iets deed. Men aanschouwde de situatie, maar klaarblijkelijk was een liggende man op de stoep zo weinig opzienbarend dat in actie komen geen optie was. De Groep besloot de man te laten liggen en ik liet mij leiden door het gedrag van De Groep. Omdat ik er vanuit ging dat De Groep daar goede redenen voor had. Onzin natuurlijk. Ik had zelf na moeten denken. Zelf moeten handelen. Maar klaarblijkelijk neemt mijn gevoel voor mijn onbekende medemens af. Ben ik een onverschillige Amsterdammer geworden.
Want ik reed niet terug.