Maandagmorgen 10 uur. Ilse is als eerste bij de fotostudio en zit relaxed op de bank met een kop koffie. “Ik ben vroeg, ook weleens leuk voor de afwisseling.” Met haar onopgemaakte ‘blote-billengezicht’, zoals ze het zelf noemt, ziet ze er jonger uit dan 35. Ze is aardig en open, met nog altijd een duidelijk Twents accent, ook al woont ze daar al jaren niet meer.
Je hebt net een nieuwe cd gemaakt, Eye of the hurricane. Heeft de dood van je vader daar veel invloed op gehad?
“Zeker. Deze plaat is erg verweven met wat ik heb meegemaakt. Ik merk dat ik er emotioneler door ben geworden, alles raakt me meer. En voor muziek geldt dat extra. Sommige liedjes had ik al geschreven voordat mijn vader ziek werd, maar die hebben daardoor een diepere betekenis gekregen. En andere zijn erdoor geïnspireerd.
Het nummer One heb ik voor mijn vader geschreven in de tijd dat hij al ziek was, maar op een moment dat het nog niet duidelijk was hoe het zou aflopen. Het gaat over de angst om hem te verliezen en de sterke band tussen ons. Hij heeft het nog kunnen horen en vond het prachtig. Twee andere nummers gaan over het verdriet dat hij er niet meer is. Ook heb ik nummers geschreven voor mijn moeder. Hoe ze hem mist en daarmee omgaat. Al die liedjes zijn me heel dierbaar.”
Is het niet moeilijk om ze te spelen?
“Ja, ik heb veel gehuild tijdens het opnemen van de cd. Maar dat is ook goed, want zo raak je het een beetje kwijt. Liever tranen in de studio dan op de bühne.
Maar ook tijdens een optreden is het wel eens gebeurd dat ik volschoot. En dat zal vast nog welk vaker gebeuren. Het hangt ook af van mijn gemoedstoestand, de ene dag ben ik emotioneler dan de andere. Dat is ook niet zo erg, maar op gegeven moment zal dat steeds makkelijker gaan.
De cd is verder niet heel zwaar hoor, er staan ook veel up tempo-nummers op, van die festivalkrakers.”
Zo’n periode is meestal ook niet alleen maar verdrietig.
“Nee helemaal niet, we hebben ook enorm gelachen met elkaar. Die momenten koester ik. Niet iedereen heeft de vrijheid om alles uit z’n handen te laten vallen. Ik heb er ook geen moment over getwijfeld en ben ontzettend blij dat ik het heb gedaan. En dat ik het geluk had dat het kon.
Zodra het nieuws kwam dat hij niet beter zou worden, was het voor mij duidelijk dat ik zo veel mogelijk bij hem zou zijn. En ik werd daarin ook enorm gesteund door de mensen met wie ik werk. ‘Ga maar, wij regelen het verder wel’, was hun reactie.
Dat was heel fijn.”
Het lijkt me best gek om ineens weer thuis te wonen, maar dan met omgekeerde rollen: jij zorgde voor je ouders in plaats van andersom.
“Dat is zo, maar mijn vader gaf ons dat vertrouwen. Gelukkig is het ook een proces geweest, hij was niet meteen volledig hulpbehoevend. En we deden het echt met z’n allen. Mijn broers wonen in de buurt en waren er ook vrijwel elke dag. Ik heb met verbazing en bewondering naar mijn vader gekeken.
Voor mij is het onvoorstelbaar om te weten dat je leven ophoudt. Maar hij had dat echt geaccepteerd. ‘Het is voor jullie moeilijker dan voor mij’, zei hij vaak.’ Dat had hij zijn hele leven al; als er iets naars gebeurde, dan legde hij daar zich snel bij neer zo van: het is nou eenmaal zou, we gaan door.
Dat heb ik zelf ook wel. Maar doodgaan is natuurlijk wel even wat anders. Ik vroeg hem of hij niet bang was. ‘Nee, ik ben niet bang’, antwoordde hij. ‘Ik heb een mooi leven gehad’. Ik vind dat heel moedig. Zijn kracht maakte het minder zwaar voor ons. En we waren er allemaal bij toen hij overleed, omdat hij voor euthanasie heeft gekozen. Daar ben ik ook heel dankbaar voor: dat dat kan in Nederland. Dat je kunt beslissen wanneer je ermee stopt, zodat je niet ondraaglijk hoeft te lijden. Niet dat het makkelijk is om dat moment te kiezen.
Mijn vader heeft zich drie keer bedacht. Dan ging het ineens weer wat beter en werd de afspraak afgezegd. Vlak voordat het gebeurde, zei hij tegen mijn moeder: ‘Het is goed zo’. We hebben hem nog vastgehouden en toen was het voorbij. Dat is heel heftig en moeilijk, maar ook heel mooi en bijzonder. Ik ben blij dat het zo is gegaan.”
Lees het gehele interview in Libelle 34.
Lees ook het interview met Frank Lammers en Eva Posthuma de Boer