Hij trok me de loopplank op, die tussen het restaurantje en mijn hut ligt. Ik zag geen hand voor ogen. “Voorzichtig”, waarschuwde hij, “anders val je in het water!” Jakkes, hoe diep zou het hier zijn? Eenmaal op mijn eilandje zei hij, stikkend van het lachen: “Haha, er was helemaal geen water, goed gedaan madame! Ik wilde controleren of u gedronken had!”
Ik zag de humor er wel van in, al was ik doodmoe. Zijn standaardgrap bij nieuwe gasten, zo weet ik nu. Je moet iets maken van je baan en dat doet hij. Hulde.
Elke avond drink ik een papaya-rum bij Diouff, de barman met wie ik vriendschap heb gesloten. “Nog maar eentje?” Vraagt hij. Hij wacht mijn antwoord niet af en schenkt bij. Het is ongelofelijk lekker spul. “De laatste”, zeg ik, “anders word ik nog dikker.”
Diouff houdt een bevlogen verhaal over Senegalese mannen die niet van magere vrouwen houden. Veel vlees graag. Vooral achter en voor op strategische plekken. En daarom ben ik precies goed, vindt hij. Er komen meer jongens van het personeel meepraten. Zeker, vrouwen moeten dik zijn. “Jullie willen dus dat wij luchtbedden zijn waarop het prettig neerploffen is?” Vraag ik. Ze gillen van plezier. Het levert me een papaya-rum van het huis op. [rectangle]
“Diouff, jij bent zo mager!” Zeg ik. Dan wordt hij serieus. Hij is erg afgevallen sinds zijn scheiding. Zijn vrouw is weggelopen, zonder iets te zeggen en hun zoontjes wonen bij hem. Zijn ouders zorgen voor ze. “Ik zou wel een nieuwe vrouw willen”, zegt hij, “maar ik heb geen tijd om er eentje te zoeken en het moet wel iemand zijn niet wegloopt.” “Zoals die wilde merries hier,” zeg ik. “Jammer dat je zo kort blijft”, vindt Diouff, “we kunnen lachen en ook serieus praten.” Klopt. Zijn visie op de wereldpolitiek is verfrissend. Hij weet veel. Via de radio. En radio trottoir - de verhalen van mond tot mond. Elke gast brengt nieuws mee en van luisteren word je wijs, zegt Diouff. “Nog eentje dan?” “Doe maar!”
Het is al donker als ik van de barkruk opsta om naar mijn hut te gaan. Oef, de rum zit in mijn benen. Ik laat me niet kennen en voetje voor voetje wankel ik redelijk recht over de loopplank naar huis. Daar is de nachtwaker. “Madame”, zegt hij, “kom er maar af hoor, er is helemaal geen water! Al dagen niet!” O. Hik! Na vier van die goddelijke versnaperingen weet een mens niets meer zeker. Alleen dat je als vrouw pas wat voorstelt als je op een luchtbed lijkt.
Tekst en beeld: Wieke Biesheuvel
