Hanna’s wereldje is perfect. Voor de buitenwereld althans, want al vanaf het begin van haar huwelijk met de rijke en gerenommeerde gynaecoloog Axel Kolman wordt haar leven beheerst door intimidatie, bedreigingen en geweld. Als Sonja, rechercheur bij de Utrechtse politie, tegenover haar komt wonen, raken hun levens ongewild met elkaar verstrengeld. Dit zet een kettingreactie in werking, die niet meer te stoppen is…
Linda Jansma (1967) debuteerde in 2010 met Caleidoscoop. Een debuut dat buitengewoon goed werd ontvangen en niet minder dan 4 sterren ontving van de recensenten.
Wil jij kans maken op 1 van de 10 exemplaren? Vul het winformulier in!
Deze actie loopt tot en met 23 februari 2012
Tweestrijd
Linda Jansma
Verbum Crime
300 pagina’s
ISBN 9789461090171
€ 14,95
Lees hier het eerste hoofdstuk:
Vrijdag 7 mei
Ineens stond hij achter me, twee uur eerder dan anders. Ik had hem niet horen binnenkomen en ik schrok van zijn stem en zijn hand die hij losjes op mijn heup legde. ‘Verrassing!’ Ik glimlachte flauwtjes en draaide me om. ‘Wat ben je vroeg.’ Een schaduw gleed over zijn gezicht. ‘Niet goed?’ ‘Jawel,’ zei ik haastig. ‘Alleen een beetje onverwacht.’ Hij hield zijn hoofd uitnodigend scheef en ik drukte vluchtig een kus op zijn wang. ‘Ik heb vanavond dienst, ik kan dus opgepiept worden,’ zei hij. ‘Maar als er niets ernstigs gebeurt, zijn we fijn de hele avond samen.’ Hij wreef liefkozend in mijn nek, terwijl tegelijkertijd zijn ogen over het zwartgrijze granieten aanrechtblad gleden. Het was blinkend schoon. Er was geen vlekje of veegje te zien, maar dat kon ook niet anders. Ik had er vanmorgen een halfuur op staan boenen, om nog maar te zwijgen van het werk dat ik had gehad aan de rest van de keuken. ‘Wil je al koffie?’ vroeg ik. Hij knikte en terwijl hij al mijn bewegingen continu volgde, ging hij aan de keukentafel zitten. Ik pakte een kopje uit de kast en zette het op het aluminium plateautje van het enorme koffiezetapparaat. Axel wilde niets anders dan koffie van versgemalen bonen. Vorig jaar had hij het kleine koffiemolentje dat ik al vanaf het begin van ons huwelijk gebruikte,vervangen door een volautomatische koffiemachine, waarbij ik alleen maar op een knop hoefde te drukken om een verse kop koffie te krijgen. Axel was er ontzettend tevreden over. Ik was er iets minder blij mee. Het apparaat vroeg vooral extra veel onderhoud en omdat ik al genoeg tijd kwijt was aan het schoonhouden van ons huis, had ik liever een minder omslachtige machine gehad. ‘Ik zag…’ begon hij, net op het moment dat ik het koffiezetapparaat inschakelde en het malen van de bonen met veel lawaai op gang kwam. Verschrikt draaide ik me naar hem om en zag de boze rimpel boven zijn ogen verschijnen. ‘Sorry,’ mompelde ik zodra het geratel stopte. Hij zuchtte ongeduldig, maar zei verder niets. Ik keerde me weer om naar het koffiezetapparaat en keek hoe het straaltje hete vloeistof het kopje vulde, steeds dunner werd, begon te druppelen en uiteindelijk helemaal stopte. Ik voelde me soms net als dat straaltje. Ik werd met kracht een richting op geduwd waar ik niet heen wilde, maar waar ik niets over te zeggen had. Het gebeurde gewoon en ik kon niet anders dan het accepteren.
‘Ik sprak Ria en Gerard zojuist,’ begon Axel opnieuw. Ik zei niets, maar spitste verrast mijn oren. ‘Ze gaan verhuizen,’ ging hij verder. ‘Hij heeft…’ ‘Verhuizen?’ Ik schrok zo van zijn woorden dat ik me omdraaide en te laat besefte dat ik een fout had gemaakt. Met een ruk stond Axel op, zijn blik ongeduldig en boos. ‘Verdomme, Hanna,’ snauwde hij. ‘Hoe vaak heb ik je nou al niet gezegd dat je me nooit moet onderbreken als ik praat!’ Ik kromp ineen, sloeg mijn ogen neer. Ontelbare keren. Ontelbare keren heb je dat al gezegd. Waarom
vergeet ik dat toch steeds? Hij keek opeens naar de grond en ik volgde zijn blik. Daar, tegen
het afdekschot onder een van de keukenkastjes, lagen drie koffiebonen, met daarnaast een platgetrapte vierde. Het was alsof mijn hart twee slagen oversloeg. Haastig zakte ik door mijn knieën, pakte de bonen en het gruis op en sloot mijn vuist eromheen. ‘Sorry,’ fluisterde ik terwijl ik me naar de vuilnisbak omdraaide. ‘Ik heb de koffiebonen bijgevuld. Ik heb niet gezien…’
Nog voordat ik uitgesproken was, stond Axel naast me en pakte me ruw bij mijn pols. ‘Niet gezien?’ vroeg hij ongelovig. ‘Hanna, is het niet jouw taak om de boel hier op orde te houden?’ Zijn greep werd krachtiger, sneed pijnlijk in mijn huid. Ik slikte en knikte kort.
‘Waarom moet ik jou er dan op wijzen dat er rotzooi op de vloer ligt?’ ging hij ijzig verder.
‘Axel, ik… het spijt me,’ zei ik zacht. ‘Ik zal… ik zal in vervolg beter opletten, dat beloof ik.’ Mijn hart klopte in mijn keel en ik vroeg me af waarom ik in godsnaam niet wat zorgvuldiger was geweest. ‘Aan opletten heb ik niet veel,’ snauwde hij. ‘Zorg er gewoon voor dat het niet nog eens gebeurt!’ Hij liet mijn arm los, liep terug naar de tafel en ging weer zitten. ‘Is mijn koffie al klaar?’
Met de koffiebonen nog in mijn hand geklemd, pakte ik het kopje onder het apparaat vandaan en zette het op een schoteltje. Het rammelde zachtjes toen ik het voor hem op de tafel zette.
‘Ik heb je vanmiddag diverse keren gebeld, maar je nam niet op,’ begon Axel. ‘Ben je weggeweest?’ Hij roerde langzaam in zijn koffie. ‘Ik heb boodschappen gedaan,’ zei ik, zonder hem aan te kijken. ‘Drie uur lang?’ Het klonk verbaasd. En ik ben naar Soestbergen geweest. Daar heb ik bloemetjes neergezet. Vergeet-mij-nietjes. Ik knikte. ‘Het was druk in de winkels.’ ‘Heb je de bonnetjes?’ ‘Die heb ik voor je op het dressoir gelegd.’ Hij zei niets, nam me alleen maar onderzoekend op. Ik wist dat hij me niet geloofde, dat hij allang doorhad dat ik ook nog iets anders was gaan doen. Hij wist alleen niet wat en gelaten wachtte ik op zijn reactie, die ongetwijfeld zou komen. Axel roerde nog steeds in zijn koffie, traag en nadenkend, terwijl zijn ogen onafgebroken op mij gericht waren. ‘We moeten voortaan maar samen boodschappen doen,’ zei hij ineens. ‘Eén keer in de week. En de dagelijkse dingen laat ik wel bezorgen.’ Ik staarde hem aan. Dat meende hij toch niet? Boodschappen doen, hoe gek het ook klonk, was voor mij een van de hoogtepunten van de dag. Het betekende dat ik naar buiten kon, alleen. Als hij me daarin beperkte, was ik het laatste stukje van mijn vrijheid kwijt. ‘Axel, dat hoeft toch helemaal niet?’ waagde ik een poging om het uit zijn hoofd te praten. ‘Het was gewoon wat drukker dan anders.’ Hij nam een slok van zijn koffie, keek me over de rand van het kopje even doordringend aan en terwijl hij het kopje weer neerzette zei hij: ‘Hanna, zeg nou eerlijk. Drie uur op pad voor een paar boodschappen?’ Ik gaf geen antwoord en keek naar de lichtgrijze tegelvloer van de keuken, die ik een paar uur eerder op mijn knieën geschrobd had. Met een borstel, omdat ik anders de voegen niet goed schoon kreeg. Hij zei er nooit wat van. Gaf nooit een compliment als ik iets goed had gedaan. Dat was vanzelfsprekend voor hem. Hij verwachtte niet anders. Maar als er iets afweek van zijn criteria, dan wist hij me dat altijd heel goed duidelijk te maken. Hij wist álles altijd heel goed duidelijk te maken. En hij duldde geen tegenspraak. Zuchtend stond hij weer op en kwam vlak voor me staan. Met zijn vinger onder mijn kin tilde hij mijn gezicht op en zocht mijn ogen. Zijn blik was lief, bezorgd. ‘Lieverd, ik doe het ook alleen maar voor jou,’ zei hij zacht. ‘Dat weet je toch?’ Ik knikte, met hetzelfde automatisme als altijd. ‘Ik ben gewoon bezorgd. Ik zou het mezelf nooit vergeven als jou wat zou overkomen.’ ‘Dat gebeurt echt niet, Axel. Meestal ben ik maar een uurtje weg.’ Hij gaf niet meteen antwoord. Zijn donkere ogen namen me peilend op. Tenslotte zuchtte hij diep en zei: ‘Vooruit dan maar. Maar als het nog eens gebeurt, dan zal ik minder coulant zijn, Hanna.’ Hij zoende me op mijn mond, zacht, maar dwingend, tot mijn lippen ervan tintelden. Toen liep hij terug naar de tafel, dronk het laatste restje koffie op en zei: ‘Ik heb Ria en Gerard uitgenodigd voor de negenentwintigste. Dan is het hun laatste weekend hier. Het leek me dat we wel gepast afscheid van hen konden nemen met een gezellig etentje.’ Hij draaide zich naar me om. ‘Toch?’ Opnieuw knikte ik. ‘Ik heb hen beloofd dat je je fameuze reerug in basilicumsaus klaarmaakt.’ Hij keek me strak aan en vervolgde: ‘Dat vind je toch niet erg?’ ‘Nee,’ zei ik zacht. ‘Dat vind ik niet erg.’ Maar al zou ik het wel erg hebben gevonden, dan nog had het niets uitgemaakt. Het maakte nooit iets uit wat ik vond. Dat was niet belangrijk. Wat Axel vond, dat was belangrijk. Axel bepaalde
de regels. En ik volgde ze op.