null Beeld

PREMIUM

Anne is enig kind: “Waarom zijn er zoveel vooroordelen?”

Waarom kijken mensen mij toch zo meewarig en verbaasd aan als ik vertel dat ik geen broers en zussen heb? Journalist en enig kind Anne van den Dool gaat op zoek naar het antwoord op haar eigen vraag en rekent ondertussen af met een heleboel vooroordelen.

Ik ben enig kind. Sterker nog: ik ben ook het enige kleinkind aan moederskant en de enige kleindochter aan vaderskant. Ik weet dat in ruim veertig procent van de gezinnen met minderjarige kinderen sprake is van één kind, maar toch: als mij op een verjaardag wordt gevraagd hoe groot het gezin is waaruit ik kom, kan ik steevast rekenen op een medelijdende blik. Ik ken het genot niet van samen spelen, samen delen, samen op vakanties, je samen afzetten tegen je ouders, samen klieren, samen op avontuur. Samen. In de ogen van de vraagstellers weet ik niet goed wat samen is.

Eenzaam

Als kind kreeg ik drie soorten reacties als ik vertelde dat ik geen broers of zussen heb. Type één: “Jeetje, is dat niet eenzaam?” Aanvankelijk stond ik met mijn mond vol tanden. Was ik eenzaam? Miste ik iemand om mee te spelen? Na verloop van tijd leerde ik mezelf een standaardantwoord aan: “Nee, alleen tijdens verjaardagen.”

Reactie type twee: “Goh, ben jíj een enig kind? Je bent helemaal niet verwend.” Dit schijnt een compliment te zijn. Ik moet opgelucht zijn, omdat ik een bepaalde eigenschap niet heb die wel aan mij kleeft omdat ik enig kind ben. Ik weet nog steeds niet goed hoe ik hierop moet reageren. Meestal mompel ik een bedankje of zeg ik dat de opvoedingskeuzes van mijn ouders daar een groot aandeel in hebben gehad.

Reactie type drie: “Waarom hebben je ouders niet meer kinderen gekregen?” Die vraag is ronduit onbeleefd, maar misschien denkt degene die ’m stelt dat één kind niet genoeg is? Het beeld van een Nederlandse oergezin is, ondanks het huidige gemiddelde van 1,57 kinderen per stel, nog altijd met twee kinderen, bij voorkeur een jongen en een meisje. Wie daaronder zit, kan rekenen op vragen.

Goed gelukt

Iedereen die mijn vader en moeder naar hun keuze vraagt, lijkt ervan uit te gaan dat ze hebben gehandeld vanuit een bepaald gebrek: gebrek aan geld, gebrek aan ruimte voor een extra kinderkamer, gebrek aan tijd om naast hun drukke banen nog een kind op te voeden, gebrek aan vruchtbaarheid, gebrek aan de behoefte nog een keer een zwangerschap, bevalling en slapeloze nachten door te maken, gebrek aan liefde tussen hen twee – of zelfs een gebrek aan genegenheid voor mij.

Ook ik heb mijn ouders natuurlijk ooit gevraagd: “Waarom heb ik geen broertje of zusje?” De korte versie van het antwoord was: “Omdat jij zo goed gelukt was dat we ons niet konden voorstellen dat we dat nog een keer voor elkaar zouden krijgen.” De lange versie: omdat in hun vriendenkring een aantal zwangerschappen allerminst vlekkeloos verliep toen mijn ouders aan een tweede wilden beginnen. Ze vroegen zich af of ze wel zo’n risico wilden nemen. Daarnaast vonden ze dat de wereld er halverwege de jaren negentig niet zo florissant bij lag dat ze ernaar uitkeken nog een kind op die aarde te laten opgroeien.

Verwende trekjes

Door die keuze ben ik blijkbaar van alles misgelopen: de gezelligheid van lekker met het hele gezin op de bank tegen elkaar aan – ben je met zijn drieën geen gezin? Het bakkeleien over de vraag wie met welk Playmobil-poppetje mag spelen, maar ook het ontwikkelen van sociale eigenschappen die elk kind dat opgroeit met een broer of zus wél krijgt. Als enig kind zou je last hebben van ernstige eenzaamheidsklachten, verwende trekjes en verminderde sociale vaardigheden.

Allemaal vooroordelen, natuurlijk. Die hebben we weer te danken aan studies uit de late negentiende eeuw. Onderzoekers aan de Universiteit van Worcester in de VS, die een van de grootste studies naar kinderen aller tijden uitvoerden, stuurden een vragenlijst naar docenten in het hele land, waarin ze vroegen of zij ooit kinderen met bijzondere en vreemde eigenschappen – zowel positief als negatief – in hun lessen hadden gehad. Meer dan duizend gevallen werden uiteindelijk in het onderzoek opgenomen, variërend van een achttienjarig meisje dat in haar eentje een piano kon optillen tot een zesjarig meisje dat extreem bang was voor padden. De onderzoekers concludeerden dat twee typen kinderen een grotere kans hadden om een afwijkende eigenschap te bezitten: kinderen van immigranten en – verrassing! – enig kinderen. In een vervolgstudie werd een selectie van enkele honderden kinderen opnieuw onderzocht, deze keer op hun gezondheid, sociale vaardigheden en schoolprestaties. De conclusie: op al deze gebieden scoorden kinderen met broers en zussen beter dan hun zogenaamd eenzame evenknieën.

Enig kind zijn als ziekte

Dat onderzoek van meer dan anderhalve eeuw oud heeft onze manier van denken over enig kind zijn meer beïnvloed dan we misschien willen toegeven. Dat docenten ook kinderen als casus konden aanmelden over wie ze ooit een sterk verhaal hadden gehoord, of dat meer dan de helft van de pupillen door een en dezelfde enthousiaste lerares werd aangeleverd, laten we daarbij voor het gemak blijkbaar buiten beschouwing. Het is vooral de conclusie die gerenommeerd kinderexpert van die tijd, G. Stanley Hall, uit dit onderzoek trok die is blijven hangen: hij betitelde een gebrek aan broers en zussen als een ‘disease in itself’. Enig kind zijn als ziekte. Hoewel in de generaties daarna verschillende studies zijn uitgevoerd die hier geen enkel bewijs voor vonden, werd Halls uitspraak keer op keer klakkeloos overgenomen. Sommige wetenschappers zetten zijn conclusie zelfs fors aan, leidend tot uitspraken als ‘It would be best for the individual and the race if there were no only children’.

Stereotypen

Nog steeds zijn er ouders die zich laten leiden door het stereotype dat zich toen in de hoofden van de mensen heeft vastgezet: een eerste kind verdient een tweede, zodat het niet verwend raakt, egoïstisch of eenzaam wordt of op een andere manier afwijkende trekjes zal vertonen ten opzichte van leeftijdsgenoten die wel met een broer of zus opgroeien. En dat terwijl uit moderne studies juist blijkt dat enige kinderen een grotere woordenschat hebben, hoger scoren op tests die hun aanpassingsvermogen toetsen en gemiddeld zelfs uitkomen op een iets hoger IQ. Al in de jaren tachtig concludeerden onderzoekers dat enige kinderen ook op alle andere vlakken exact even goed scoren als ieder willekeurig kind met broers of zussen.

Dr. Sheila van Berkel, universitair docent aan de Universiteit Leiden en onderzoeker naar de invloed van broers en zussen op de ontwikkeling van kinderen, bevestigt dat: “Er heersen allerlei stereotypen over enige kinderen, die stuk voor stuk pertinent onwaar zijn. Ze zijn niet conflictvermijdender, narcistischer of eenzamer. Wel heeft onderzoek aangetoond dat ze vaker beroepen met een hogere status uitoefenen dan kinderen uit gezinnen met meer dan twee kinderen. Dat zijn echter conclusies uit wat ouder onderzoek, uit een tijd waarin dit verschil waarschijnlijk door gebrek aan financiële middelen bij grote gezinnen kan worden verklaard. Wie toen één kind kreeg, kon al zijn geld aan de opvoeding en studie van dat ene kind besteden.”

Verlegen

Er zijn wel kleine verschillen, weet Van Berkel: “Enige kinderen vertonen aan het begin van de basisschoolperiode wat verlegener gedrag. Op dat moment hebben ze iets meer moeite met het omgaan met conflicten. Logisch, want dat is bij uitstek een vaardigheid die je in de omgang met broers en zussen opdoet. Die verschillen verdwijnen echter heel snel.” Toch wordt mij door kennissen en vrienden nog steeds geregeld gevraagd of ik aan mijn opvoeding geen emotionele schade heb overgehouden. Laatst vroeg een vriendin van mij, die nog zat bij te komen van de bevalling van haar eerste, hoe ik het had gevonden om alleen op te groeien, en of ze haar kind geen schade zou berokkenen als ze het niet het gezelschap van een tweede zou gunnen. Ik was blij haar te kunnen geruststellen, maar tegelijkertijd was ik geschokt dat ze blijkbaar dacht dat ze haar kind iets zou aandoen als ze niet voor een speelmaatje zorgde. Een gedachte waar ik sowieso niet zo goed bij kan: het idee dat je een kind op de wereld zet om dienst te doen als gezelschap voor de eerste. Natuurlijk kun je dat ook veel vriendelijker verwoorden: hoe fijn het is als ze samen zijn, in plaats van zo zielig alleen. Maar toch, gelukkig hebben mijn ouders die keuze niet gemaakt, of ben ik niet zelf met dat doel op de wereld gezet.

Levenslange vriendschappen

Ook opvallend: het gaat maar zelden over alles wat je cadeau krijgt als je enig kind bent. Allereerst ben ik niet groot geworden in een compleet isolement: ik speelde buiten met de buurtkinderen, ging net als ieder ander naar een peuterspeelzaal en zat ook gewoon tussen leeftijdsgenoten op de basis- en middelbare school. Daar heb ik nooit het gevoel gehad dat ik moeilijk contact kon maken: eerder zou ik willen zeggen dat ik nog driftiger dan anderen

op zoek was naar gezelschap, omdat ik mijn sociale prikkels niet uit het samenzijn met een broertje of zusje kon halen. Daardoor heb ik destijds vriendschappen opgebouwd die inmiddels al mijn hele leven meegaan – vriendschappen die ik niet kwijt wil, omdat ze voor mij het equivalent zijn van een broertje of zusje.

Daarnaast ben ik elke dag weer dankbaar voor de prachtige band die ik door al het een-op-een-contact met mijn ouders heb ontwikkeld. Meer dan kinderen uit een groter gezin heb ik de kans gekregen mijn ouders als mensen te leren kennen, die mij altijd als hun gelijke hebben behandeld. Ook ben ik blij met mijn vermogen mezelf te vermaken en te weten dat ik ook heel goed alleen kan zijn.

Zorgen

Natuurlijk mis ik weleens een broer of zus. Waar ik vroeger vriendinnetjes vooral ruzie zag maken met hun zusje of broertje, omdat die een paar sokken had kwijtgemaakt, zomaar haar kamer was binnengekomen of de laatste cracker had opgegeten, zie ik nu intense vriendschappen ontstaan tussen broers en zussen, die een heel leven lang meegaan. Ik mis die vriendschappen soms, zoals ik ook steeds vaker denk aan het moment dat mijn ouders misschien hulpbehoevend worden en ik de enige ben die voor hen zorgt. Dat is een last die ik alleen zal moeten dragen – een last waarover, zo laat Sheila van Berkel mij weten, meer enige kinderen zich zorgen maken. Ook naar het moment dat mijn ouders er allebei niet meer zijn, waardoor ik als enige overblijf, kijk ik allerminst uit. Toch ben ik ervan overtuigd dat ik in de loop van mijn leven nu al zulke waardevolle vriendschappen heb opgebouwd dat die mensen tegen die tijd nog steeds bij me zullen zijn, en me zullen steunen waar mogelijk.

Gek genoeg schoot laatst de gedachte door me heen dat ik, ondanks al deze positieve gevoelens over mijn positie als enig kind, zelf geen óf twee kinderen zou willen. Niet eentje maar, want dat was toch wel eenzaam. Bijzonder, voor iemand die zo blij is met haar eigen solitaire opvoeding. Sinds ik me bewust werd dat ik zelf die stereotiepe gedachten kopieerde, kijk ik een stuk geruster naar het idee dat het ook zou kunnen dat ik één kind op de wereld zet. En dat dat kind dan net zo gelukkig wordt als ik ben.

Tekst: Anne van den Dool

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden