null Beeld

Anne-Wil: “Haar gezicht had bijna dezelfde kleur als het kussensloop”

Anne-Wil heeft twee kinderen, vijf kleinkinderen, is getrouwd met Han en werkt in een exclusieve boetiek. Haar dochter Manon is per ambulance naar het ziekenhuis gebracht.

Vrijdag

Drie woorden bleven in mijn hoofd dreunen tijdens die eindeloos lijkende rit naar het ziekenhuis, naast Han in de auto: Manon. Bewusteloos. Ambulance. Han zette me af bij de ingang, ik rende naar binnen, terwijl hij de auto parkeerde. “Mijn dochter”, zei ik tegen de receptioniste. “Mijn dochter is hier een halfuur geleden binnengebracht.” “Wat is haar naam?” vroeg de vrouw vriendelijk. Heel even begreep ik niet hoe het kon dat ze niet wist wie mijn dochter was. Een verdieping hoger zag ik Willeke met een wit weggetrokken gezicht tegen de muur geleund staan.

“Er mag maar één bezoeker in”, zei ze, wijzend naar de gesloten kamerdeur. “Boy is binnen. En die komt er echt niet uit voor ons.” Haar stem klonk gesmoord door het mondkapje heen en ik zag tranen in haar ogen. Wat had ik haar graag even vastgehouden. “Hoe is het nu met mama?”, vroeg ik. Ze bleef naar de dichte deur staren. “Geen idee. Wel goed, denk ik, anders zouden ze wel met haar bezig zijn. Toen de ambulance kwam, was ze gelukkig weer wakker.”

Toen een verpleegkundige de kamer binnenging, zag ik Boy over Manon heen gebogen. Haar gezicht had bijna dezelfde kleur als het kussensloop. “Het spijt me, maar u moet nu echt vertrekken. U bent de echtgenoot van mevrouw?” hoorde ik de verpleger tegen Boy zeggen. Die knikte alleen maar, zonder op te kijken. “De dokter wil straks even met u praten.” Weer dat knikje van Boy.

Toen ik samen met Wil de gang uitliep, kwam Han er net aan. “Hoe gaat het met Manon?” “Eigenlijk weten we nog niets”, antwoordde ik. Boy kwam met grote stappen achter ons aan. De verontwaardiging spatte van zijn gezicht. “Ik ben haar man! Ik hoor bij haar te zijn, wat er ook gebeurt!” “Ik denk dat de artsen nu voorrang hebben, Boy”, zei ik. Hij mompelde iets en liep weg.

“Laten we even iets drinken”, zei ik. Bij de automaat tapte Han twee koffie en een chocolademelk. Wil was nog steeds bleek, ik zag haar handen trillen. “Wat is er nou precies gebeurd?” vroeg ik. “Ik kwam thuis en mama lag met haar ogen dicht in de gang. Ik dacht eerst dat ze dood was. Maar toen ik heel hard haar naam riep, mompelde ze een paar keer ‘ambulance’. Ik heb meteen 112 gebeld en ondertussen kwam Boy thuis. Verder weet ik het eigenlijk niet meer. Het ging allemaal zo snel.” Ik legde mijn hand op die van Wil en voelde hoe koud die was.

“Het komt toch wel goed?” vroeg ze. “Met mama en met de baby?” “Ik denk het wel”, antwoordde ik. “Als het heel ernstig zou zijn, had ze aan veel meer apparaten gelegen. Nu heeft ze alleen een infuus.” “Maar ze was gewoon wel bewusteloos toen ik haar op de grond zag liggen!” “Bewusteloos lijkt soms veel erger dan het is”, zei ik. Het klonk flinker dan ik mij voelde, want de hele tijd dacht ik: als het ook maar goed afloopt met de baby…

Zaterdag

Gelukkig gaat het naar omstandigheden goed met Manon en de baby. Ze heeft wel veel bloed verloren en uit het onderzoek is gebleken dat ze een voorliggende placenta heeft. Gelukkig is ze weer thuis, waar ze vooral rust moet houden. Wat voor haar trouwens iets heel anders betekent dan voor Boy. Hij zou haar het liefst aan haar bed vastbinden en zegt bij elke stap die ze zet: “Pas op!” “Als dat zo doorgaat, vlucht ik naar jou hoor, mam!” zegt Manon. “Je bent van harte welkom hier lieverd”, zeg ik.

Lees ook het dagboek van Willeke, de kleindochter van Anne-Wil.

Tekst: Tineke Beishuizen

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden