null Beeld Getty Images/Westend61
Beeld Getty Images/Westend61

Anne-Wil: “Ik mis de glimlachjes die iets zachts en vriendelijks aan het leven geven”

Anne-Wil heeft twee kinderen, vijf kleinkinderen, is getrouwd met Han en werkt in een exclusieve boetiek.
Ze heeft het gevoel dat haar leven stilstaat.

Vrijdag

Ik heb het niet gemerkt. Het is er gewoon ingeslopen zonder dat ik er erg in had. Ineens ben ik mij ervan bewust: ik vind mijzelf saai. Erger nog, ik vind mijn leven saai. Ik schrik van die gedachte. Wat moet ik ermee? Het voelt alsof mijn leven een beetje stilstaat. We zien bijna geen mensen meer, en als ik ze zie dragen we mondkapjes. Je kunt niet eens zien of iemand naar je lacht.

Pas de afgelopen tijd realiseer ik me hoe vaak contact met anderen normaal gesproken bestaat uit een glimlachje. In de supermarkt, als ik een beetje onhandig met mijn wagentje bezig ben en iemand voor de voeten loop: even een klein lachje naar elkaar. Een lachje naar het meisje van de broodafdeling, dat heeft gekeken of er nog chocoladecroissants zijn. Een lachje naar de meneer van de boekhandel, die op de fiets de boeken heeft gebracht die Han had besteld. Dat was ooit de gewoonste zaak van de wereld. Maar nu niet meer. Boven een mondkapje zeggen ogen maar weinig. We lopen rond als zombies. In de krant lees ik over huidhonger. Het verlangen om weer iemand te mogen aanraken, knuffelen. Of zoals Wil het noemt: huggen.

Het meest mis ik de glimlachjes die iets zachts en vriendelijks aan het leven geven. Nu is in feite iedereen een vijand die de gezondheid van een ander in gevaar kan brengen. Als ik met mijn boodschappentas van de supermarkt op weg naar huis ben, struikelt er naast mij een vrouw. Ik kan haar nog net bij haar arm beetpakken om te voorkomen dat ze valt. Ze slaat mijn hand van haar arm en kijkt mij woedend aan. De anderhalve meter… natuurlijk… Had ze dan liever languit op straat gelegen?

“Waarschijnlijk wel”, zegt Han, als ik het hem even later vertel. “Liever een gebroken arm dan corona, zoiets zal het wel zijn.” Hij kijkt mij onderzoekend aan. “Volgens mij zit je niet echt lekker in je vel, Anne-Wil.” En als ik niets zeg, oppert hij: “Weet je wat, we stappen morgenochtend in de auto en rijden naar zee. Tegen de wind in langs de vloedlijn lopen, wat vind je daarvan?” Ineens zie ik het voor me. De schuimkoppen op de golven, het grijs van het water dat ver weg overgaat in het grijs van de lucht. En het geluid, dat met niets te vergelijken is. Ik hou zo van de Noordzee. Natuurlijk, dát gaan we doen. Ik weet nu al dat ik er geweldig van zal opknappen.

Zaterdag

Op het strand is het zoals ik mij had voorgesteld. We lopen niet door het mulle zand, maar daar waar het zand vochtig en hard is, en zeewater in kuiltjes is achtergebleven. We hebben de wind in de rug. Ik weet dat we daardoor verder zullen lopen dan verstandig is, omdat het een heel ander verhaal is om tegen de wind in zo’n stuk terug te lopen. Het kan me niet schelen. De wind blaast mijn haren om mijn gezicht heen, mijn longen zuigen zich vol met zuurstof. Wat ik voel is moeilijk onder woorden te brengen, maar het heeft iets te maken met wakker worden en me weer fris en levend voelen.

Tekst: Tineke Beishuizen

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden