null Beeld Getty Images
Beeld Getty Images

Astrid Holleeder: “Ik ga me niet langer verstoppen. Ik wil weer léven”

Onlangs verscheen haar boek Familiegeheimen, over de psychologische kant van het disfunctionele gezin Holleeder. Misschien wel haar moeilijkste boek tot nu toe. Astrid: “Ik wil weer de straat op zonder kogelwerend vest. Als het gebeurt, dan gebeurt het maar. Ik heb er vrede mee. 

Als Astrid Holleeder (53) zelfhulpboeken las – en die las ze met stápels tegelijk – en zo’n hoofdstuk tegenkwam waarin stond dat ze het kleine meisje dat haar tegemoet liep moest omhelzen, dacht ze kribbig: wát een flauwekul. En dan bladerde ze snel weer door. Maar na jaren van therapie en duizenden uren nadenken over zichzelf en over het gezin waaruit ze komt, snapt ze eindelijk wat daarmee wordt bedoeld. “Je moet jezelf geven wat je nodig hebt. Dat kun je niet van een ander verwachten. Je moet je eigen vader en moeder zijn.” Doordringend: “Heb je ’m?”

Twee keer eerder sprak ik haar: in 2017 toen haar bestseller Judas verscheen en in 2018 bij de publicatie van Dagboek van een getuige. Net als de vorige keren heeft ze voor lekkers bij de koffie gezorgd, deze keer koffie-broodjes en hartige snacks, genoeg voor een weeshuis, en een enorme taart. “Goed van eten hoor! Je kunt het hebben.”

Op 5 juli verschijnt haar derde boek: Familiegeheimen, de dag nadat de rechters hun oordeel zullen hebben geveld over Willem Holleeder, haar oudste broer, die wordt verdacht van ten minste vijf moorden en tegen wie Astrid, haar zus Sonja en zijn ex-vriendin Sandra het afgelopen jaar verschillende keren hebben getuigd. Of ze hoopt op levenslang? “Wij hebben gedaan wat we moesten doen. We hebben ons bevrijd uit zijn greep. Hij is ontmas-kerd en dat is voor mij genoeg. Levenslang…

“Willem zal zich 
willen wreken en ik 
sta nog steeds nummer 
één op z’n lijstje”

Dat is toch een soort van onmenselijk, vind je niet? En het zal niet uitmaken voor ons. Hij is gekrenkt. We hebben hem verraden. Hij zal zich willen wreken. Ik sta nog steeds nummer één op z’n lijstje. Maar ik heb besloten: ik ga me niet langer verstoppen. Ik wil weer léven.”

Familiegeheimen schreef ze in de periode dat het proces tegen Holleeder liep, vanaf februari 2018. Ze wilde na het wegvallen van haar broer weer grip krijgen op de verschuivende rollen binnen het gezin, op haar eigen gevoelens en haar eigen ontwikkeling. De gesprekken met haar therapeut Iris spelen in het boek een grote rol. Daarin wordt de psychologie van het disfunctionele gezin Holleeder geduid, de wurgende rolverdeling tussen de verschillende gezinsleden: de gewelddadige vader, de onmachtige moeder en de vier kinderen – Willem, Sonja, Gerard en Astrid – die ieder op hun eigen manier de angst voor de vader te lijf gaan.

Dit boek, zegt ze, was misschien wel het pittigst om te schrijven. “Er was geen tijd om afstand te nemen. Ik moest het schrijven vanuit de rauwe pijn. Tijdens zo’n rechtsgang wordt er zo veel over je gezegd, maar als getuige mag je alleen maar antwoord geven op vragen. Je mag nooit iets uit jezelf vertellen. Je komt in een juridisch steekspel terecht waarin alles draait om welles-nietes. Dat heeft weinig meer te maken met de waarheid of werkelijkheid. De verdachte zit ondertussen in een enorme machtspositie. Die kan liegen. Die kan zwijgen. Je hoeft namelijk niet mee te werken aan je eigen veroordeling.”

Je bent advocaat, je weet hoe het werkt in de rechtszaal. Toch verloor je als getuige verschillende keren je zelfbeheersing.”

“Van de negen keer dat ik er als getuige zat, ben ik wel acht keer uit de bocht gevlogen.”

Door wat werd je getriggerd? Wanneer ging je weer schreeuwen als die straatmeid van vroeger?

“Eén simpel zinnetje en ik zag weer de hele geschiedenis. Een voorbeeld: we hadden een bepaalde manier van communiceren. Als we elkaar belden, deden we luchtig: ‘Hallo, koffie doen?’ Door de telefoon klonk het onschuldig. Maar de onderliggende verhoudingen lagen totaal anders. Hoe heftig is het dan als iemand in de rechtszaal zegt: het klinkt altijd zo gezellig op de tapes tussen jou en je broer.” Verheft haar stem. “Ja, het klinkt leuk omdat het leuk moest klinken! Dat is onderdeel van de terreur! Snap je!”

Haar stem daalt. “Je kunt niet zonder emoties vertellen over iemand die zegt: ‘Ik ga mijn zusje laten doodschieten’. Dat kan niet! Dan zou je toch een monster zijn?” Ze snijdt een stukje taart af. Het blijft de rest van het gesprek onaangeroerd liggen op haar bord. “En dan zit je daar tegenover rechters met wie je twintig jaar hebt gewerkt… Moet je je voorstellen dat jij tegenover collega’s die andere, intieme kant van jezelf moet laten zien! Zo gênant. Het is alsof je in je blote kont staat.

Door advocaat te worden, had ik me op een bepaalde manier ontworsteld aan dat gezin. Ik had me in een wereld begeven met beschaafde mensen die afgewogen beslissingen nemen. Zo wilde ik gekend worden. En dan moet je daar… Je voelt je ineens op een heel andere manier bekeken. En het is een spiegel, hè. Je voelt je medeverantwoordelijk. Als je afstand neemt, zie je dat je de situatie mede in stand hebt gehouden.”

“Ik vind mijn broer 
zo kwetsbaar. Ik voel
dat ik hem nog steeds 
wil beschermen”

Dat zeg je ook in je boek. Je wist van de overvallen die je broer had gepleegd, je hebt gewerkt in het seks-imperium dat hij opbouwde met het geld van de Heinekenontvoering. Hoe kon je dat toen rijmen met je geweten?

“Sinds de ontvoering was het wij tegenover de rest van de wereld.” Fel: “En ik zal je zeggen: als hij niet de familie had opgegeven, dan had ik er misschien nog net zo in gestaan. Het is maar net wanneer de storm de takken in je gezicht zwiept en je wakker wordt. Ik was zeventien toen ik uit mijn bed werd getrokken door mannen met bivakmutsen en machinegeweren. Vanaf dat moment weet je: ik hoor bij deze familie. En je hoort nergens anders bij, want vanaf dat moment ben je een paria. Dat maakt dat je elkaar gaat steunen, ook in de verkeerde dingen. Je dekt alles af uit liefde. Daardoor vergroei je met elkaar. Het is zo moeilijk om dat te doorbreken.” Zacht: “En het was moeilijk om in de rechtszaal niet wéér met hem te vergroeien. Eigenlijk wilde ik hem weer mee naar huis nemen. Jemig jongen, kunnen we niet gewoon…”

Zal hij nou nooit in bed liggen en denken: wat heb ik gedáán. Beslist.

“Nee, dat zit er niet in. Mijn broer heeft nergens spijt van. Als hij dat gevoel toelaat, dan stort hij in, dan wordt hij weer dat kleine bange jongetje van toen. Hij heeft misschien wel het meest te verduren gehad van mijn vader. Mijn vader kon je vermorzelen, mentaal en fysiek. Dat angstige kind – dat wil hij nooit meer zijn. Dat kan hij zichzelf niet toestaan. Dat heeft Iris me doen inzien: mijn broer splitst de wereld in vrienden en vijanden. Dat is overzichtelijk. En er hoeft maar dít te gebeuren en je wordt zijn vijand. Het is bij hem zwart of wit. Hij doet niet aan zelfreflectie. Dat vond ik ook zo dramatisch aan zijn laatste woorden. Hij zei tegen de rechter: ‘Assie is wappie, Assie spoort niet. Want ze is al heel jong begonnen met therapie.’ Moet je nagaan, toen hij in de Santé zat, de Franse gevangenis, stuurde ik hem al psychologieboeken, want ik wilde dat hij onze vader ging verwerken. Want natuurlijk was het niet normaal dat hij zoiets agressiefs had gedaan, mensen had ontvoerd. Dat was in 1983. Ik ben dus al meer 25 jaar bezig met zijn gekte… In die zittingszaal voelde ik hoe ik met huid en haar aan hem vastzit. Nog steeds.” Ze rilt.

Volgens mij ben je nu weer helemaal terug in de zittingen. Wat hoor je, wat voel je?

“Ik zie hem niet, maar ik hoor hem zijn keel schrapen en dan weet ik hoe hij zich voelt.” Haar stem breekt. “Ik voel dat hij zenuwachtig is. Er is een energetisch veld om ons heen dat ons verbindt. Wij zijn één. Ik voel dat ik hem nog steeds wil beschermen. We waren altijd met z’n vieren in die angst voor onze vader. Samen in de dreiging. Dat is ook wat die band zo heeft gesmeed. Maar ik moet zeggen wat ik wil zeggen. Ik heb die band verbroken en ik laat hem achter bij mijn vader, onbeschermd. Hij is alleen.”

Vind je hem kwetsbaar?

Ze huilt. “Ik vind hem zo kwetsbaar. Dat je uit onvermogen zo veel leed aanricht. Dat is zo’n enorme tragiek.”

Astrid was twintig toen haar dochter Miljuschka werd geboren. Omdat ze bang was dat ze haar dochter zou gaan slaan zoals zij ook door haar vader werd geslagen, ging ze in therapie. “Ik wist dat ik die agressie in me had. Ik was bang dat als ik mijn vader zou worden, ik haar zou meppen, en als ik mijn moeder zou worden, ik haar kreupel zou maken.”

Je doelt op de symbiotische band die je moeder met Sonja heeft.

“Die band is zo hardnekkig.” Ze schudt haar hoofd. “Als kind kroop Sonja altijd weg achter mijn moeders rokken. De angst voor mijn vader zorgde ervoor dat mijn moeder haar altijd heeft beschermd. Mijn moeder heeft tot Sonja’s 52e elke dag voor haar gekookt! Ze waren geen dag zonder elkaar. Daardoor heeft Sonja altijd dat verlangen een twee-eenheid te vormen, ook in andere relaties. Met mij, met haar eigen dochter Francis, met iedereen. Ik gun haar iemand met wie ze lekker samen kan zijn, een leuke vent in haar leven. Ook zij is eenzaam door het isolement waarin we terecht zijn gekomen.

Natuurlijk was ik weleens jaloers. Als ik examen moest doen en mijn moeder zou op Mil passen en Sonja werd ziek, dan koos ze voor mijn zus. Dat snapte ik niet. Maar weet je wat het fijne is als je zo’n boek schrijft? Dan kun je vanuit de rol van de schrijver een gesprek voeren met je moeder en je zus. Ik was anders niet zo bij hen binnengekomen. Nu vroegen ze aan mij: hoe was het bij Iris? Wat heb je besproken? Ze raakten ook geïnteresseerd in dat gezin, in hoe we zijn geworden wie we zijn, hoe de rollen zijn verdeeld. We zijn allemaal gegroeid tijdens het proces, misschien Sonja wel het meest. Mijn moeder ziet nu ook in dat we met z’n allen dat systeem in stand hebben gehouden waardoor Willem zijn gang kon gaan. Uit angst weliswaar, maar tóch.”

Maakt het je niet kwaad dat jij niets aan je moeder had?

“Niet meer. In wezen is mijn moeder een en al liefde en warmte. Dat voel je als je bij haar binnenkomt. Dat ik daarna binnen vijf minuten ruzie met haar heb… Weet je, ik ben kwaad op haar geweest vanaf het moment dat ik als dertienjarige door mijn vader het huis werd uit gegooid, omdat ik het opnam voor Sonja. Dat had nog nooit iemand gedaan, tegen hem ingaan. Ik begreep niet dat mijn moeder niet voor me ging staan, dat ze niet met me meeging. Toen ik zelf mijn dochter kreeg, begreep ik dat ze geen kant op kon, ze had geen geld, ze had geen huis, maar tóch. Iris heeft wel honderd keer tegen me gezegd: je verwacht nog te veel van je moeder.”

Je moeder en je zus hebben altijd zwaar op jou geleund.

“Mijn zus kreeg als boodschap mee: zonder mama kan ik niks. Ik heb meegekregen: jij kunt het zelf wel, zoek het maar uit. Daardoor heb ik grenzen durven verleggen. Alleen naar de winkel, op mijn dertiende woonde ik bij een vriendinnetje. Toen ik op mijn twaalfde wilde basketballen, was er niemand die tegen me zei: die bus moet je pakken van de Jordaan naar Ookmeer. Dat moest ik zelf uitvogelen. Net als ik toen later naar de universiteit wilde. Ik had geen idee. Ik vond alles eng, maar ik deed het wél. Die houding van mijn moeder heeft me uiteindelijk veel gebracht. En misschien heeft zij het goed gezien: ik kón het ook zelf.”

En je broertje Gerard? Hij is de grote afwezige in je boek. Ze is even stil.

“Mijn kleine broertje is mijn redding geweest. We waren een twee-eenheid. Je moet het zo zien: je hebt bij ons de oudste en de jongste, dat zijn de twee schreeuwlelijken. De twee middelsten – dat zijn de timide kinderen. Maar ik had wel altijd mijn broertje. Mijn broertje is niet zoals Wim en Cor, die sloten je buiten, want je was een meisje. Van Gerard mocht ik meedoen met voetballen. We vulden elkaar aan. Hij was verlegen, in een winkel durfde hij niks te vragen, dat liet hij mij doen. En hij gaf me een gevoel van veiligheid. Hij is heel vormend voor me geweest, ik kon door hem haantje de voorste zijn, de baas, hij liet me in die rol. Het onderscheid jongen-meisje werd daardoor opgeheven. Hij heeft ervoor gezorgd dat ik me kon emanciperen.”

Voer je ook gesprekken met Gerard over dat gezin?

“Nee. Hij heeft zijn eigen gezin. Nadat hij zelf was ontvoerd (in 1999, door schuldeisers van Willem Holleeder, red.) is hij uit onze familie gestapt. En hoewel dat misschien niet helemaal is gelukt, heeft hij het wel gedaan. Dat is zijn redding. Maar hij heeft ons niet verlaten.”

Miljuschka leidt ook haar eigen leven. Ze is inmiddels een bekende kok en tv-persoonlijkheid.

“Met Mil kan ik wat ik in geen andere relatie kan: loslaten. Haar laten zijn wie ze is. Vanaf de dag dat ze is geboren zie ik haar als een eigen persoon. Ze pakt alles groots aan, ze is een echte ondernemer. Daarin lijkt ze op haar vader. Als het misgaat, kom ik wel aangerend. Maar ik wil niet dat kleffe. We bellen niet elke dag. Laat mij maar op een afstandje kijken naar haar leven.”

“Mijn broer splitst 
de wereld in vrienden 
en vijanden. 
Dat is overzichtelijk”

Aan het einde van je boek besluit je: ik wil niet langer ondergedoken zitten.

“Vergis je niet, ik heb echt rock bottom gezeten. En ook weleens gedacht: ik stap eruit, want dan is Mil veilig. Nee, ik ben niet depressief geweest, wel heel somber. Maar ik stond elke dag op en ging aan het werk. Schrijven. Lezen, heel veel lezen. Boeken over psychologie, de boeken van Esther Perel over relaties, De zin van het bestaan van Viktor Frankl. Hij heeft de concentratiekampen overleefd. Wat heb ik dan te zeuren? Op een gegeven moment realiseerde ik me: ik laat me regeren door angst. En door die angst verlies ik de controle. Hoe meer ik mij verstop, hoe groter de kans dat een van de kinderen wordt gepakt: Mil of Fran of Richie, de kinderen van Sonja. Ik wil niet langer onderduiken. Als het gebeurt, dan gebeurt het maar. Ik heb er vrede mee. De stress is weg. Mijn bloeddruk is omlaag, die was echt torenhoog. Ik slik geen hartmedicatie meer. Ik durf de straat op zonder kogelwerend vest. Ik rijd op mijn elektrische fiets en zie hoe mooi Amsterdam is. Voor de rest moet ik weer leren leven. Ik heb nu gelukkig mijn hondje, daar praat en knuffel ik mee. Weet je, altijd een leeg huis – het is gewoon niet te doen.”

En een partner? De vorige keer zei je dat je daar niet aan moest denken.

“Eh, ja… misschien ben ik inmiddels wel toe aan een partner.” Ze lacht. “Maar dat zal nog niet zo makkelijk zijn. Want ik zoek iemand die net als ik enerzijds zo simpel is als een bouwvakker en anderzijds moet-ie de intelligentie hebben van Oprah Winfrey. En dan ook nog het liefst een strak kontje in een spijkerbroek.”

Het nieuwe boek Familiegeheimen van Astrid Holleeder ligt nu in de winkel, € 22,50.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden