null Beeld

Bijzondere zussenband: “Toen mijn haar uitviel, schoor zij zich ook kaal”

Zussen. Een hechte band is niet altijd vanzelfsprekend, maar deze zussen gaan voor elkaar door het vuur en deden iets bijzonders voor de ander.

null Beeld

"Toen wij binnenkwamen met onze kale hoofden, deden alle vrouwen in de chemozaal hun pruik af"

Gemma Pijnacker (52, docent Nederlands op mbo, alleenstaand, 4 kinderen van 15, 18, 20, 22 jaar).

“Mijn zusje en ik zijn altijd close geweest. Dat is niet zo gek want we woonden op het platteland – vrij afgelegen – en waren daardoor op elkaar aangewezen. Ik zie ons nog rijden op onze eigen pony’s. Het was een heerlijke onbezorgde jeugd. In 2007 was ik met Sylvia op een reünie van onze basisschool toen ik zo’n vreselijke buikpijn kreeg dat ik op de spoedeisende hulp belandde en meteen in het ziekenhuis moest blijven.

Na allerlei onderzoeken kwam er helaas een slecht bericht: ik had lymfeklierkanker, Non-Hodgkin. Ik kreeg chemokuren en al snel begon mijn haar uit te vallen. Sylvia zei toen: ‘Dan gaat mijn haar er ook af.’ Even probeerde ik haar te weerhouden van haar beslissing. Maar ik ken haar goed en weet ook dat ik haar niet kan tegenhouden als ze iets in haar hoofd heeft. En natuurlijk vond ik het heel mooi dat ze zoiets voor me wilde doen, het voelde als steun. En zo zaten we op een middag met onze 6 kinderen bij mij in de huiskamer. We hadden tompoezen, een fles rosé en een tondeuse. Eerst lieten we de kinderen met een schaar aan de gang gaan en daarna zetten we de tondeuse op ons hoofd. Hoewel je misschien zou denken dat het een verdrietig moment was waarbij de tranen vloeiden, waren we juist vrolijk en uitgelaten. Het was heel speciaal. De situatie was al erg genoeg en het moment voelde eerder krachtig dan verdrietig. We gebruiken sowieso onze harde humor in nare situaties dus de uitgelaten stemming paste bij ons. Helaas kwam de ziekte 2 jaar later terug en weer verloor ik mijn haar. Dit keer hield Sylvia haar haar, maar ze was opnieuw een enorme steun voor me. Ik voelde me doodziek door de stamceltransplantatie en bracht tijdens mijn behandeling veel dagen slapend door in het ziekenhuis. Iedere keer als ik wakker werd, zag ik mijn zus in de hoek van mijn kamer zitten. Hakend. Zo fleurde ze met haar haaksels mijn hele kamer op, inclusief de infuuspaal. Zonder haar was ik hier niet zo goed doorheen gekomen, dat weet ik zeker.”

Sylvia Pijnacker (51, relatie, heeft een huiskamer-project in haar buurt, 2 kinderen van 19 en 22 jaar).

“De enige periode waarin we elkaar minder goed snapten, was de puberteit. Ik was nog hutten aan het bouwen terwijl Gemma al bezig was met vriendjes. Later kwamen we weer dichter bij elkaar en zijn dat gebleven. Toen Gemma ziek werd, hebben we dat echt sámen doorgemaakt, ook met onze ouders. Ik merkte al snel hoe mijn rol veranderde: van het kleinere zusje veranderde ik ineens in degene die veel voor haar regelde. Ik was bij elk onderzoek en ieder gesprek met de arts en ving, samen met onze ouders, haar 4 kinderen op als het nodig was. Op zo’n moment is het enige wat je kunt doen, er voor de ander zijn. Ik deed dat zo goed als ik kon en met de nodige droge Noord-Hollandse humor. Dat relativeerde wel. Toen mijn neef jaren eerder chemo’s moest ondergaan omdat hij kanker had, besloot zijn hele vriendengroep hun haar af te scheren om hem een hart onder de riem te steken. Ik vond dat zo’n mooi gebaar en heb dat altijd onthouden. Gemma’s haar begon door de chemo’s ook uit te vallen en ik twijfelde niet: dan ging mijn haar er ook af. Het voelde als een statement tegen de ziekte: ons krijg je niet klein. De meeste mensen vonden het een stoere actie. Anderen hadden er moeite mee. Ze vonden het confronterend of begrepen het niet. Ach, mensen hebben altijd zo snel hun oordeel klaar, voor mij voelde het goed om dit te doen. Het mooiste moment beleefden we in het ziekenhuis. In de kamer waar de chemo-infusen werden gegeven, bleven de vrouwen – ook al was het snikheet – steeds hun pruiken dragen. Toen wij daar op een gegeven moment binnenkwamen met onze kale hoofden, deden ze stuk voor stuk hun pruik af. Dat gaf zo’n gevoel van saamhorigheid dat de tranen in mijn ogen sprongen. Toen Gemma voor de 2de keer ziek werd, lag ze veel op bed. Ze was echt aan het overleven. De gedachte dat ik haar zou kunnen verliezen, heb ik toen niet toegelaten. Ik realiseerde me dat pas later. Ik probeerde haar kamer zo gezellig mogelijk te maken. Met lichtjes, kaartjes, haaksels. Voor mijn gevoel was dat het enige wat ik voor haar kon doen. Het werkte wel positief. Iedereen die de kamer binnenkwam, kreeg direct een lach op z’n gezicht.”

null Beeld

"Allebei hebben we alles in ons leven één keer verloren"

Moniek Miedema (52, eigenares van een modelabel, getrouwd, 2 zoons van 20 en 26).

“Mijn Griekse man en ik woonden in Roemenië. Ik runde daar een kledingfabriek. Het bedrijf van mijn man liep slecht en hij werd steeds bozer. Ik moest daar weg, mijn kinderen waren er niet veilig meer en ikzelf ook niet. Dat ik Norma belde, was voor mij compleet logisch. Als er iets is, weet ik dat zij er voor me is en dat ze meteen naar me toe komt. Andersom is dat ook zo, zoals toen Norma alles kwijtraakte door een brand bijvoorbeeld. Door Norma kreeg ik de mogelijkheid om in Nederland mijn modelabel na mijn scheiding – in de crisistijd – opnieuw op te bouwen. Door haar had ik een dak boven mijn hoofd, ze paste op de kinderen op de momenten waarop ik moest werken. Toen ik alles weer een beetje op de rit had, werd het tijd om weer met mijn eigen leven door te gaan, een eigen plek te creëren. Ik had inmiddels een atelier, een winkel in Leeuwarden en een huis. Met tranen in mijn ogen ging ik bij haar weg, zo fijn en behaaglijk had ik het al die tijd gevonden. Ik lag met mijn vriend op het strand van Makkum toen Norma gillend belde dat haar dierenopvang in brand stond. Ik wist niet hoe snel ik van het strand af moest komen. Het was vreselijk om te zien hoe het vuur alles vernietigde wat zij had opgebouwd. En hoe ze daarna moest leven met het verlies van sommige dieren die de brand niet hadden overleefd. Allebei hebben we één keer in ons leven alles verloren. Dat is best bizar als je daarover nadenkt. Aan de andere kant: we gaan altijd allebei volledig voor alles in het leven, misschien is het risico dan ook groter dat het een keer misgaat. Als tweelingen heb je net iets extra’s. Toen we net geboren waren, probeerden ze ons in een eigen bedje te leggen. We gilden net zo lang tot we weer bij elkaar mochten liggen. Die band is altijd gebleven. En daar hoeven we elkaar echt niet elke dag voor te zien of te spreken. Als we maar weten en voelen dat het goed gaat met de ander.”

Norma Miedema (52, eigenaresse van een dierenasiel, alleenstaand).

“Midden in de nacht kreeg ik een telefoontje van Moniek uit Roemenië waar ze toen woonde met haar gezin. ‘We moeten hier weg want het wordt te gevaarlijk.’ Haar toenmalige man werd steeds agressiever. Ik twijfelde geen moment en stapte in mijn auto om haar en de kinderen op te halen. En smokkelde hen mee terug, zodat haar agressieve ex en zijn familie niet door zouden hebben dat ze weg was. In één klap waren Moniek en haar kinderen van 9 en 3 hun huis en al hun bezittingen kwijt. Natuurlijk konden ze bij mij terecht, ze zijn ruim anderhalf jaar bij me gebleven. Het was vooral heel erg gezellig. Ik heb zelfs eigenhandig een zwembad in de tuin gemaakt voor de kinderen. Hoewel we tweelingzussen zijn, zijn we toch enorm verschillend. Ik geef niks om uiterlijk, draag nooit make-up, terwijl Moniek in de mode zit en haar uiterlijk voor haar heel belangrijk is. Wel hebben we dezelfde stem en dezelfde humor. Omdat we het thuis niet leuk hadden, waren we tijdens onze jeugd erg op elkaar aangewezen. We spraken zelfs een eigen taaltje. We waren altijd buiten en in de natuur, we hadden nauwelijks andere vriendjes en vriendinnetjes. Maar we hadden elkaar. We hebben ook echt dat ‘tweelingenlijntje’ waar je weleens over hoort. Toen ik een motorongeluk kreeg in Griekenland en mijn nek brak, viel Moniek op hetzelfde moment flauw tijdens haar balletles. Op het moment dat zij beviel van haar 2de kind, had ik zo’n buikpijn dat ik zeker wist dat zij aan het bevallen was. 4 jaar geleden, na de periode waarin Moniek en de kinderen bij mij hadden ingewoond, is door kortsluiting mijn hele asiel afgebrand, waarbij veel dieren omkwamen. Ik had niets meer behalve de kleding die ik op dat moment droeg. Dat was heel zwaar. Ik zat in een enorm diep dal omdat er zo veel dieren waren omgekomen en ik me vreselijk schuldig voelde. Moniek troostte me, zoals een moeder dat doet. Ze bleef herhalen dat het goed zou komen, totdat ik dat ook begon te geloven. Nu heb ik mijn dierenopvang weer opgebouwd en is Moniek mijn beste vrijwilliger.”

null Beeld

"Hoe bedank je iemand die haar nier aan je afstaat? Ik zou het eigenlijk niet weten"

Monique Heijna (44, vrijwilliger, alleenstaand)

“Diana heeft altijd gezegd: ‘Als het nodig is om je te helpen, dan doe ik dat.’ Maar toch begon ik te stotteren toen ik haar aan de telefoon had. Die dag had de arts gezegd dat ik maar weinig keus had: óf ik begon met dialyseren óf ik moest de opties voor een transplantatie onderzoeken. De eerste optie was niet zo reëel, dialyse zou een enorme aanslag op mijn lichaam betekenen, en de vraag was hoe lang ik me beter zou voelen. ‘Als je in je omgeving iemand kunt vinden die een goede match is en een nier wil afstaan, is dat het allerbeste’, zei de arts. Ik vertelde Diana aan de telefoon hoe ik eraan toe was en wat de arts had gezegd. Waar ik nog een beetje terughoudend was en zei dat ze er misschien nog even rustig over na moest denken, was er voor Diana geen twijfel: als ze me kon helpen door een nier te doneren, zou ze dat doen. Ik vond het moeilijk. Misschien gebeurde er wel iets met haar tijdens de operatie, bracht ik haar in gevaar. ‘Positief blijven,’ zei ze. En dat probeerde ik te doen. Voor de operatie bracht ik haar zo ver als ik mocht richting de operatiekamer. Daar namen we afscheid en kon ik alleen maar uitbrengen: ‘Dank je wel dat je dit voor me wilt doen.’ ‘Kleine moeite’, zei ze. En daar ging ze, de operatiekamer in. Allebei onze operaties verliepen gelukkig heel voorspoedig. ‘Alsof die nier al die tijd op me had liggen wachten’, zei de arts. Het is ongelooflijk hoe goed ik me nu voel met deze nieuwe nier. Ik heb het niet meer constant koud. Ik heb weer genoeg energie om het leven aan te durven. Hoe moet je iemand bedanken die dit voor je over heeft? Ik zou het eigenlijk niet weten. Ik zeg het vaak tegen haar en stuur haar op mijn transplantatiedag altijd een kaart en een cadeautje. Iedere dag ben ik haar dankbaar voor wat ze voor me heeft gedaan. Ik word daaraan herinnerd bij iedere stap die ik zet.”

Diana Heijna (45, beveiliger, getrouwd, 3 kinderen).

“Monique is altijd mijn zorgenzusje geweest. Ik weet niet beter of het ging niet zo lekker met Monique. Ze was vaak moe, had weinig energie en kon maar moeilijk meekomen in het ‘dagelijkse leven.’ Voor haar nieren slikte ze al jaren medicijnen, die hielpen een beetje. Maar door de hersenbloeding die ze in 2008 kreeg, kregen haar nieren zo’n klap dat ze steeds slechter gingen werken. Op een gegeven moment was haar nierfunctie nog maar 15 procent. Ze had het altijd koud en moest van een kwartiertje naar de stad al 3 dagen bijkomen. Toen Monique op een avond aan de telefoon hing en vertelde hoe slecht het met haar ging, twijfelde ik geen minuut. Als ik haar kon helpen door een nier aan haar af te staan, deed ik dat meteen. Mijn man zei nog: ‘Moet je daar niet wat langer over nadenken?’, maar ik twijfelde geen moment. Ik wist dat dit misschien zou gebeuren en had mijn beslissing allang genomen. Het was nu of nooit. Onze vader overleed toen ik 16 was, ik wilde niet nogmaals iemand veel te jong verliezen in mijn leven. Monique maakte zich vooral zorgen om mij, maar ik heb alle doemscenario’s gewoon opzijgezet. Deze operatie wordt duizend keer per jaar uitgevoerd, met mij zou het vast goed komen. We bleken een fantastische match: de kans dat mijn nier zou werken in haar lichaam, was 97%. We gingen ervoor. Ik zie haar nog liggen op dat ziekenhuisbed, na de transplantatie. Prinsheerlijk, met blosjes op haar wangen. Ik had haar al jaren niet meer zo gezien. Alsof ze een ander mens was geworden. En hoewel ik zelf nog moest herstellen van de operatie en mijn lichaam moest wennen aan de ontbrekende nier, wist ik dat we de goede beslissing hadden genomen. Monique bloeide op. Haar lichaam begon weer te ‘werken’, zelfs haar menstruatie kwam na jaren weer op gang. En hoewel Moniques hersenen wel zijn aangetast door die hersenbloeding, kan ze nu weer zo veel meer. Ze is nu bijvoorbeeld aan de slag als vrijwilligster. Eindelijk kan ze weer meedoen in de maatschappij, dat is een enorm wonder.Ieder jaar geeft ze me op haar transplantatiedag een kaart en een klein cadeautje. En ieder jaar sta ik dan weer met tranen in mijn ogen. ‘Je hebt me mijn leven teruggegeven’, staat altijd op de kaart.”

Interviews: Merel Brons. Fotografie: Karlien van der Geest.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden