null Beeld

Dagboek van Maud 38: “Ik word misselijk van het beeld van mama die door het gebroken raam klimt”

Maud moet onder ogen zien dat ze haar moeder niet meer zomaar in de auto ergens mee naartoe kan nemen. Als Maud spreekuur heeft, past Koen op Babs. Dan gaat de telefoon.

Lees ook het Dagboek van Koen

Hoe vaak je iets moet horen voor het uiteindelijk tot je doordringt, hangt af van het belang dat je erbij hebt om iets te blijven ontkennen. Maar zelfs de blinden en de doven kunnen de boodschap op een bepaald moment niet langer negeren: ik kan mama niet meer zomaar in de auto zetten en haar ergens mee naartoe nemen, ze is té bang. Nadat ze is flauwgevallen in het tankstation, is me duidelijk geworden dat ik überhaupt niet meer alleen met haar ver van huis kan gaan. Dan gebeurt er iets wat me definitief de ogen opent…

Koen belt. Ik heb de hele ochtend al spreekuur en ga net mijn pauze in. Koen is zelden in paniek, maar dit keer klinkt zijn stem onvast en gejaagd. Er is iets met mama gebeurd, de ambulance is onderweg. “Is ze gevallen?”, vraag ik. Dat hoor je vaker. De moeder van een collega struikelde over een snoertje, viel en brak prompt twee heupen. “Nee, ze is…” Koen zoekt naar de juiste woorden. “Ze heeft zich willen bevrijden?” “Klets geen onzin, Koen. Wat is er met haar?” “Ze heeft het bronzen beeldje, dat je van je vader hebt geërfd, door het glas van de keukendeur gegooid en is toen door het gat naar buiten geklommen. En nu…” Koen houdt even in. “O, mijn hemel!” “Haar benen liggen helemaal open. Ze verliest veel bloed.” “Is ze in levensgevaar? Koen...?” “De ambulance is er. Ik moet ophangen.” “Wacht! Ik kom nu naar huis.” “Volgens mij kun je beter meteen naar het ziekenhuis gaan. Ik bel je zodra ik kan.”

Zonder mijn reactie af te wachten hangt hij op. Het is vreemd hoe gefaseerd het slechte nieuws bij me binnenkomt. Eerst word ik misselijk van het beeld dat ze door het gebroken raam is geklommen. Ik zie de uitstekende punten glas voor me en mama die er met haar zwakke, magere gestel doorheen klimt. Mijn collega op de verloskundepraktijk vraagt of het gaat. Ik loop naar de wc en gooi water in mijn gezicht. Ik moet naar het ziekenhuis, ik moet snel zijn. Maar als ik mijn bleke gezicht zie, weet ik niet of ik in staat ben om te rijden. Ik ben zo duizelig dat ik op de deksel van een wc ga zitten, met mijn hoofd tussen mijn knieën. Dan denk ik: hoe kan het dat Koen niet goed op haar heeft gelet? Hij zou op haar letten, hij was verantwoordelijk. Hoe heeft hij dit niet kunnen voorkomen? Mijn kwaadheid maakt dat het bloed meteen weer naar mijn wangen stijgt. Zie je wel, ik kan mama niet aan hem of wie dan ook toevertrouwen, behalve aan mijzelf.

“Mijn moeder is met spoed opgenomen, kun jij mijn afspraken afbellen”, zeg ik tegen de assistente, en ik storm de praktijk uit. Als ik parkeer bij het ziekenhuis belt Koen weer. “Babs wordt naar de OK gereden. Er is een hoofdader geraakt.” “Ik loop nu naar binnen”, antwoord ik. “Dan kom ik naar buiten, er mag naar één bezoeker per patiënt hier wachten.” Als Koen naar buiten komt, zegt hij: “Afdeling 7B, links de gang in en dan twee etages met de lift.” Ik kijk hem aan. “Wilde je zó graag van haar af?” Daarna loop ik naar binnen.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden