null Beeld

PREMIUM

De adoptiedochters van Jacqueline ontspoorden: “Ik heb mijn meisjes niet kunnen redden”

Jacqueline Frederiks (61) adopteerde een tweeling uit Haïti om deze meisjes een mooi leven in Nederland te geven. Het liep anders: er is al zes jaar geen contact meer. “Dit was de enige optie, anders ging ik er zelf aan onderdoor.”

“Huilend en trillend sta ik in de badkamer bloed van de muur te boenen. Ik ben in een nachtmerrie beland. Op mijn lijf heb ik beurse plekken en bijtwonden, in mijn hoofd is het een chaos. Ik kan niet geloven wat er zojuist is gebeurd: mijn dochter Ritha van dertien veranderde voor mijn ogen in een soort wild beest. Ze sloeg, beet en schopte me. Ik wilde niet laten merken dat ik bang van haar werd en verdedigde me zo sterk en kalm mogelijk. Vervolgens ben ik naar de garage gelopen. Ze kwam me achterna en ik heb haar daar opgesloten tot ze gekalmeerd was. Pas nu ik hier alleen in de badkamer sta, komt alle angst en woede eruit. Het bloed moet van Ritha zijn, zelf heb ik geen open wonden. Het besef dringt tot me door: mijn dochter kan écht niet meer thuis wonen. Het breekt mijn hart. Ik heb gefaald als moeder.”

Heel aanhankelijk

“Toen ik een jaar of veertig was, kregen mijn inmiddels ex-man en ik het plan om een kind te adopteren. Kinderen van onszelf hadden we niet, we wilden geen kind op deze toch al overvolle wereld zetten. Wel hadden we als pleegouders al kinderen in deeltijd opgevangen en daar hadden we goede ervaringen mee. Adoptie leek me een mooie manier om toch moeder te worden en tegelijkertijd een kind een beter leven te geven. Het werd een lang traject waarin we helemaal werden doorgelicht en verplicht allerlei cursussen moesten volgen. Daarin werden we ook gewaarschuwd voor de risico’s van adoptie, vaak krijgen de gezinnen te maken met problemen. Ik hoorde het aan, maar dacht: dat overkomt ons niet. Ik was een succesvolle zakenvrouw, gewend dat dingen lukten als ik maar hard genoeg mijn best deed. Vier jaar later kwam het telefoontje: ‘We hebben twee meisjes voor jullie, een tweeling!’ Ik was dolgelukkig. Niet een, maar twéé kinderen, en dan ook nog eens een tweeling.

Het ging om meisjes van vijf uit een kindertehuis in Haïti. Hun moeder had al drie monden om te voeden en kon niet meer voor hen zorgen. Mijn man en ik twijfelden geen moment, de meisjes waren allebei welkom. We wisten al dat we vanwege onze leeftijd een wat ouder kind zouden krijgen, dus dat was prima. We zagen ons toch niet meer achter een kinderwagen lopen.

Een leuke periode volgde waarin we alles klaarmaakten voor de komst van Ritha en Reina. Ik kocht bedjes, knuffels, speelgoed, jurkjes – alles in tweevoud – en een half jaar later vlogen we zelf naar Haïti om de meisjes op te halen. We verbleven nog een week in het land bij een Nederlandse vrouw die daar woonde en als tolk fungeerde. Ritha en Reina waren heel aanhankelijk, ze wilden continu bij mij zijn. Ik voelde meteen liefde en verantwoordelijkheid voor hen. Ik ga alles doen om jullie een mooi leven te geven, dacht ik. Wel viel me hun apathische blik op. Het woord ‘zombie’ schoot toen voor het eerst door mijn hoofd. Maar ik maakte me geen zorgen, het had gewoon tijd nodig.”

Kei in afkijken

“Ritha en Reina kwamen uit een sloppenwijk in ons grote huis met oprit in Nederland terecht. Een enorme cultuur-shock. Vloerbedekking, gordijnen, ze hadden geen idee wat het was. Ik merkte al snel dat ze eerder het niveau van een peuter hadden dan van een kleuter: Teletubbies en babyspeelgoed waren interessanter dan Sesamstraat. Ze gingen naar een normale kleuterschool, al waren ze inmiddels zes jaar. Ik zag dat ik hen zelfs simpele dingen moeilijk kon leren, die bleven niet hangen. Regende het bijvoorbeeld, dan wisten de meisjes niet meer dat we met een paraplu naar buiten moesten, zoals de vorige keer.

Ik zag dat de dingen hen overkwámen, ze beleefden ze niet echt. De meisjes waren lief en braaf, maar bleven in zichzelf gekeerd. Zelfs onder elkaar was er weinig communicatie, behalve ruzie en jaloezie als ze om mijn aandacht streden.

Intussen was ik de enige die voelde dat er iets niet klopte, volgens mijn man overdreef ik en ook de school zei dat het allemaal prima ging. Totdat ik van een invalkracht hoorde dat de meisjes pas na een paar maanden voor het eerst iets hadden gezegd. Toen ik eens in de klas mocht meekijken, zag ik dat Ritha en Reina een kei waren in afkijken. Ze deden de andere kinderen precies na, waardoor het leek alsof ze dingen begrepen.

Na een jaar werd duidelijk, nadat ze uitgebreid waren getest bij een orthopedagogisch centrum, dat de meisjes een laag IQ hadden en achterstand op allerlei vlakken. Ik vond het zorgelijk, maar dacht in oplossingen in plaats van problemen. Ik huurde een leerkracht in die hen dagelijks een uur uit de klas haalde om een-op-een te oefenen. Leren ging moeizaam. Dingen uit het hoofd leren konden ze wel, maar als je de vraag net iets anders stelde, ontbrak het inzicht. Toch doorliepen ze hun basisschooltijd redelijk oké. Pas toen ze in groep acht kwamen en de puberteit inzette, begonnen de echte problemen.”

Op familiebezoek

“In de loop der tijd kwam ik erachter – mede doordat de meisjes elke twee jaar werden doorgelicht door een orthopedagogisch centrum – dat Ritha en Reina een hechtingsstoornis hebben. Dat is vooral te verklaren doordat ze na hun geboorte aan hun lot werden overgelaten: hun vader was verdwenen en hun moeder moest eropuit om te werken. Hun zeven jaar oudere broer moest voor zijn vier zusjes zorgen, waaronder de tweeling. Ritha en Reina hebben zich daardoor nooit goed kunnen hechten, waardoor allerlei functies in de hersenen onderontwikkeld zijn gebleven.

Toen de meiden twaalf waren, heb ik hen meegenomen op roots-reis door Haïti. Ik dacht: als ze dingen van vroeger herkennen, hun familie zien, breekt er misschien iets open. Want ik kon hen na al die jaren nog steeds niet bereiken. Het was alsof er een gat in mijn dochters zat: alles wat ik erin stopte, viel er meteen weer uit. Er was geen wederkerigheid, gesprekken konden we nog nauwelijks voeren, al spraken ze inmiddels redelijk Nederlands. Ik praatte bijvoorbeeld vaak met hen over hun afkomst, maar de meisjes begonnen er nooit zelf over. In Haïti hebben we hun moeder, oma, twee oudere zusjes en broer ontmoet in het kindertehuis waar Ritha en Reina tien maanden hebben gewoond. De familie was vriendelijk, maar afstandelijk. In de meisjes zag ik geen enkele herkenning of gevoel, hun oudere zusjes en broer waren al net zo apathisch. Ik kwam erachter dat de moeder hoogstwaarschijnlijk drugs of drank heeft gebruikt tijdens de zwangerschappen, wat ook een deel van de ontwikkelingsproblemen verklaart.”

Zonder geweten

“Toen Ritha en Reina twaalf waren, zei een orthopedagoog dat meisjes als zij vaak in het criminele circuit terechtkomen of met loverboys te maken krijgen. Dat deze kinderen eigenlijk niet thuishoren in een gezin waar een emotionele band van hen wordt verwacht, daartoe zijn ze namelijk niet in staat. Ritha en Reina zouden waarschijnlijk beter af zijn in een instelling. Ik voelde ergens dat hij gelijk had, maar ik wilde er niet aan. Ik zou alles op alles zetten om te voorkomen dat ze uit huis geplaatst werden. Dit waren míjn kinderen, ik was verantwoordelijk voor hen.

Mijn man en ik waren inmiddels gescheiden, mede omdat ik het gevoel had er alleen voor te staan met de meiden. In mijn nieuwe huis wilde ik een verse start maken. Maar vooral Ritha werd steeds onhandelbaarder. Zij had mijn ex-man al eens op zijn hoofd geslagen met een zaklamp, ze stal geld, liep weg en maakte continu ruzie. Het naarst vond ik dat de meisjes geen geweten leken te hebben. Er was geen spoor van berouw of schuldgevoel als ze bijvoorbeeld geld hadden gestolen van mij of hun oma.

Nadat Ritha mij én de oppas na het badkamerincident opnieuw had aangevallen, kón ik niet meer. Ik belde de politie en ze kwamen Ritha halen, zij was toen veertien. Ze kwam in een instelling terecht en heeft nooit meer thuis gewoond. Reina volgde niet veel later; ook zij werd steeds onhandelbaarder en ik kon haar niet meer vertrouwen. Op zolder vond ik een doos met bewijzen van hun ‘dubbelleven’, zoals bonnetjes waaruit bleek dat ze honderden euro’s hadden uitgegeven aan iPods en dergelijke. Hoe ze aan dat geld kwamen? Daarvoor hadden ze seks gehad met oudere mannen, vertelden ze. Het brak mijn hart, ik kon het niet geloven.”

Geen moeder meer

“Het heeft lang geduurd voordat ik kon accepteren dat ik geen moeder meer voor hen was. Dat ik Ritha en Reina moest loslaten omdat ik er anders zelf aan onderdoor zou gaan – dat heeft me een aantal jaren therapie gekost. In eerste instantie bleef ik contact houden terwijl ze in de instelling zaten. Ik had veel gesprekken met hulpverleners om steeds weer hun achtergrond en mijn ervaringen te vertellen. Totdat het onhoudbaar werd. De hulpverleners luisterden niet, Ritha en Reina gaven mij van alles de schuld. Ik had hen namelijk te kort gehouden, volgens hen. Inmiddels zijn de meisjes 23 jaar en ik heb geen idee hoe het met ze gaat. Ik ben er ook niet meer nieuwsgierig naar. Ik weet wel dat ik vier kleinkinderen heb rondlopen. Ritha werd op haar zestiende zwanger – het kind is na de geboorte meteen door Jeugdzorg bij haar weggehaald – en Reina op haar achttiende. Ik vind het erg dat ik dat niet heb kunnen voorkomen, maar het zij zo.

Ik heb een boek geschreven over de mislukte adoptie: Dat overkomt mij niet! Het is bedoeld om lotgenoten een hart onder de riem te steken, maar ook omdat zo’n boek nog niet bestond. Mij hielp vooral het schrijven over de beginjaren van de adoptie. Ik herbeleefde de liefde die er in elk geval van mijn kant was, liefde die ik de laatste jaren niet meer had gevoeld. Ik zal niemand meer adviseren om kinderen te adopteren, al weet ik dat mijn visie gekleurd is. Adoptie gaat ook vaak wél goed, natuurlijk. En met de adoptie heb ik Ritha en Reina waarschijnlijk een beter leven gegeven dan ze in Haïti zouden hebben gehad – hier is hulp en opvang geregeld. Maar ten koste van wat?

Zelf ben ik nu weer gelukkig. Ik heb me lang schuldig gevoeld omdat ik hen niet heb kunnen redden. Maar ik weet: ik had hen niet anders dan met mijn ziel en zaligheid, met zorgzaamheid, gevoel en heel veel emotionele betrokkenheid kunnen opvoeden. Helaas was dat niet wat mijn kinderen nodig hadden. Het is erg om te zeggen, maar eigenlijk waren ze al verloren toen ik hen uit Haïti ophaalde.”

Ritha en Reina heten in werkelijkheid anders. Ook Jacqueline Frederiks is een pseudoniem,

onder deze naam schreef ze haar boek Dat overkomt mij niet! (boekdatoverkomtmijniet.nl).

Interview Krista Izelaar. Beeld: iStock

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden