null Beeld

Exclusieve voorpublicatie: ‘Honger’ van Marion Pauw

Nederland Leest is de grootste bibliotheekcampagne van Nederland en loopt van 1 tot en met 30 november. Auteur Marion Pauw schreef voor het geschenkboek Je Bent Wat je Leest het verhaal Honger.

Online redactie Libelle

Het boek krijg je cadeau in de bibliotheek. In dit aangrijpende verhaal lees je over angst voor bedrog en onbeantwoorde liefde, wat zelfs kan leiden tot een hongerstaking.

'Het was die dag onverwacht zonnig geweest na een serie regenachtige dagen. Toen ik even na zessen het kantoor verliet, was de hemel van een felle kleur langzaam aan het overgaan in een diep donkerblauw. Zo’n kleur waarin het onwaarschijnlijke ineens waarschijnlijk lijkt. Ik bleef even staan, mijn mond open. En ik dacht: dit zou een volmaakt moment zijn om te sterven. Ik weet niet waarom ik op dat moment aan de dood dacht, maar achteraf is alles verklaarbaar. Vandaar dat ik daar ook mee begin, met het licht.

Ik besloot om te gaan lopen met mijn fiets aan de hand. Ik sloeg links af en liet het kantoorgebouw achter me. Voor me lag het park waar tussen de middag mannen in pakken wandelden ter preventie van een burn-out, maar dat nu geheel verlaten was.

Je zat op het tweede bankje, nee, het derde geloof ik. Net niet ver genoeg van kantoor om onopgemerkt te blijven. In de vele uren dat ik erover heb nagedacht ben ik tot de conclusie gekomen dat het je daar misschien wel om te doen was. Je wilde gevonden worden. Alleen niet door mij. Je huilde. Inmiddels meen ik ook daar een strategie in te zien. Het was een bevallig soort huilen, zonder uithalen en zonder mascarastrepen. Alsof je in je eigen film speelde.

Ik bleef staan en zei: ‘Monica... Wat is er?’ Je zei niets. Maakte een gebaar dat ik door moest lopen. Maar dat deed ik niet. Een man laat een vrouw niet alleen achter in een schemerig park, al is de hemel nog zo mooi.

‘Kan ik iets voor je doen?’

Weer gebaarde je dat ik door moest lopen, maar ik zette mijn fiets neer en ging ook op het bankje zitten. Ver genoeg bij je vandaan zodat je je niet geïntimideerd zou voelen. ‘Je hoeft niets te doen, niets te zeggen. Ik blijf hier tot je klaar bent en dan breng ik je naar huis,’ zei ik.

Je snoot je neus. ‘Dat hoeft niet.’

‘Doe maar alsof ik er niet ben.’ Profetische woorden, zou later blijken. ‘Ik wil alleen zeker weten dat je veilig bent.’

Ik probeerde niet naar je te kijken, maar deed dat natuurlijk toch. Je blonde krullen hingen half voor je gezicht. Je neus was rood. Ik beweer ook niet dat het huilen helemáál fake was.

Zo zaten we een aantal minuten naast elkaar, totdat je opstond en begon te lopen. Ik volgde je voorbeeld en ging naast je lopen met mijn fiets weer aan de hand. Ik hield daarbij een gepaste afstand, maar jij, en dit weet ik zeker, kwam steeds dichter naar me toe. Tegen de tijd dat we het park verlieten, voelde het of we een beetje bij elkaar hoorden.

Sleutels

Toen we bij de bebouwde kom aankwamen, zei je: ‘Ik denk dat ik net zo goed bij je achterop kan.’

Dat was ik met je eens. Je gaf me je adres. Terwijl ik fietste voelde ik je warmte in mijn rug. Ik geef toe dat ik fantaseerde over hoe het zou zijn als jij je armen om mijn middel zou slaan, je nog vochtige wang tegen mijn rug zou aandrukken. Het was alsof jij en ik een afslag van de werkelijkheid hadden genomen. Een afslag in indigoblauw.

‘Hier is het,’ zei je. We stopten voor een appartementencomplex. Je stapte af. Ik wilde iets ridderlijks tegen je zeggen. ‘Pas goed op jezelf,’ of: ‘Ik hoop dat je je al wat beter voelt’ of iets dergelijks.

Ondertussen rommelde je in je tasje. ‘Kut,’ zei je, wat me verbaasde. Ik schatte je toen nog in als een, hoe zal ik het zeggen, beschaafder persoon. ‘Kut, kut, kut.’ Je ging op je hurken zitten en kieperde je tasje om. Een portemonnee, een telefoon en allerhande damesvoorwerpen zoals lippenstiften, een spiegeltje en tampons vielen op het trottoir. Ik keek de andere kant uit om je wat privacy te gunnen.

‘Ik heb de sleutels laten liggen.’ Voor de eerste keer sinds ons samenzijn keek je me recht aan. Het trof me dat je ogen dezelfde kleur hadden als de lucht.

‘Waar?’ vroeg ik. ‘Op kantoor?’

‘Nee,’ zei je. Maar een verdere uitleg gaf je niet.

‘Is er iemand die je kunt bellen? Iemand die de reservesleutel heeft?’

Je dacht even na. ‘Mariët. Maar die is op vakantie.’

Ik wil graag benadrukken dat wat er toen gebeurde niet mijn idee was. Jij bent hier zelf mee gekomen. Je zei: ‘Heb je drank in huis?’

Ik drink eigenlijk niet. Maar ik herinnerde me dat er nog een fles wodka stond die een vorige bewoner had achtergelaten in de meterkast. De fles was ergens achter de leidingen verstopt, ik had hem pas gevonden toen ik de meterkast ging schoonmaken.

‘Wodka is prima.’ Je had iets fatalistisch over je, als een president die de oorlog verklaart aan Noord-Korea. Je sprong weer bij me achterop. Deze keer legde je je handen op mijn heupen en ik was me ervan bewust hoe ze heen en weer bewogen bij het ronddraaien van de trappers. Ik hoopte dat je onder de indruk zou zijn.

Toen we mijn flat binnengingen zei je: ‘Jezus, is het altijd zo netjes hier?’ Het klonk als een verwijt, dus ik antwoordde maar niet. Maar als je het wilt weten: ja, ik hou van een opgeruimd huis. Terwijl jij om je heen keek naar de kale muren, de lege vensterbanken en uiteindelijk maar op de bank neerplofte, ging ik de wodkafles halen. Er zat een laag stof op die ik er snel af veegde.

Je nam de fles meteen uit mijn handen en schonk de glazen die ik had meegenomen tot de rand toe vol. ‘Proost,’ zei je. ‘Op een ongelofelijke kutavond.’ Je tikte je glas tegen het mijne. Ik nam voorzichtig een slokje. Jij werkte gulzig het hele glas naar binnen en zei dat dat precies was wat je nodig had gehad.

Ik schonk je glas opnieuw in. Een bescheidener hoeveelheid dan je jezelf had toebedeeld. Je maakte een ‘tsssk’-achtig geluid, nam de fles van me over en vulde je glas tot aan de rand bij.

‘Kun je niet een muziekje opzetten?’

Ik legde je uit hoe je je mobiel moest aansluiten op de boxen en even later schalde er een banaal nummer over de liefde op een iets te hoog volume door de kamer. Je ging midden in de kamer staan en zong niet geheel zuiver mee. Ik zat op de bank, nippend aan de wodka, durfde je niet al te veel aan te staren, al had ik dat het liefste wel gedaan.

Je draaide het ene na het andere melodramatische nummer, geen van alle mijn smaak, terwijl je bleef dansen en zingen, alsof ik er helemaal niet was. Ooit zag ik een inspirerend bedoelde Facebookpost met de tekst ‘Dance as if nobody is watching’. Misschien ben jij wel iemand die dat soort dingen post.

De allermooiste

Nadat je twee volle glazen wodka al dansend naar binnen had gewerkt, je haar in woeste plukken om je heen, je wangen rood, je ogen lodderig, kwam je opeens naast me op de bank liggen. Met je hoofd in mijn schoot.

‘Vind je me mooi?’ vroeg je.

‘Ja,’ zei ik. Iets in mijn stem trilde.

‘Hoe mooi?’

‘De allermooiste.’

Ik denk dat iets in jouw dronken brein wel wist dat dit waar was. Je keek tevreden. Toen zei je: ‘Ik denk dat ik wel naar bed wil.’

‘Je mag mijn bed. Dan slaap ik wel op de bank.’

Je kwam half overeind en stak je wijsvinger omhoog alsof je iets heel belangrijks ging verkondigen. ‘Niemand slaapt hier op de bank.’

‘Monica…’ zei ik. ‘Monica.’

Ik gaf je een schoon t-shirt, je vroeg nog welk wasmiddel ik gebruikte, ik wees je mijn slaapkamer en zei: ‘Ga maar lekker slapen. Morgen bak ik eieren voor je.’

Je gooide je armen om me heen, stak je tong in me. Er zat een zekere wanhoop in die daad. ‘Je kunt me niet alleen laten,’ zei je. ‘Laat me alsjeblieft niet alleen.’ Je trok me mee de slaapkamer in. Even zag ik de kamer door jouw ogen. Een efficiënte ruimte, een inrichting die gebaseerd was op comfort en duurzaamheid. Je liet je op het bed vallen, je benen zwiepten even in de lucht. ‘Je moet me helpen uitkleden. Ik ben zooo dronken.’ Ik bleef aarzelend voor het bed staan. Jouw schoenen. Ik zag er geen kwaad in om je te helpen met je schoenen. Je droeg een ingewikkeld soort cowboylaars met allerlei zilverkleurige gespen die te strak om je enkels leken te zitten.

‘Trekken,’ zei je lachend. ‘Je moet harder trekken.’

Met een ruk kreeg ik ze uit, waardoor ik bijna mijn evenwicht verloor. Je schaterde het uit. Toen je uitgelachen was, kreeg je gezicht iets verleidelijks.

‘En nu mijn broek.’

‘Ik weet het niet,’ zei ik.

‘Trek mijn broek uit,’ zei je. ‘Mij lukt dat echt niet meer.’

En toen ik niet meteen reageerde, zei je: ‘Je bent toch een echte heer?’

Ik zal eerlijk bekennen dat ik in de war was. Zoals je daar lag op mijn bed. Zo onweerstaanbaar. Zo echt. Ik ging op de rand van het bed zitten en maakte het knoopje van je spijkerbroek los. Je hield even je buik in. Ik ritste je gulp naar beneden. Je tilde je heupen uitnodigend omhoog.

‘De rest kun je zelf wel,’ zei ik.

‘Nee, hoor,’ zei jij.

Ik liep naar het voeteneinde van het bed en trok aan je broekspijpen. De spijkerbroek gleed langzaam van je lichaam af en onthulde een stel glanzend bruine benen. Ik durfde niet te kijken wat voor slipje je droeg. Ik vouwde de spijkerbroek op en legde hem over een stoel. Met de cowboylaarzen eronder.

‘Niet normaal zo netjes als je dat doet,’ zei je. ‘Weet je waar ik zin in krijg als ik jou zo bezig zie?’

‘Nou?’ Ik proefde de smaak van je wodka-tong nog in mijn mond.

‘Om heel veel troep te maken.’ Je legde op ieder woord nadruk, alsof je eigenlijk iets heel anders bedoelde, maar wat begreep ik niet. Je kwam overeind, leunde op je ellebogen. Je lachte weer. Ik had geen idee wat ik moest zeggen. Het was net als even daarvoor, toen ik naar je zat te kijken terwijl je stond te dansen. Alsof ik getuige was van iets wat niet voor mijn ogen bestemd was.

‘En nu…’ Je stak je armen in de lucht alsof je een klein kind was.

Ik wist dat ik de kamer uit moest gaan. Maar ik liep naar je toe als in slow motion. Ik stroopte het t-shirt naar boven, over je gladde buik heen, over een kanten beha in een kleur roze die ik eigenlijk een beetje ordinair vind, maar prachtig bij jou. Toen je hoofd nog in het t-shirt zat, nam ik in gedachten een foto van je lichaam. Die foto heb ik nog steeds. Soms is het het enige wat ik nog zie.

Toen je t-shirt uit was, sloeg je je armen om mij heen, trok me naar je toe en begon me te zoenen. Je trok aan mijn kleren, maakte daarbij een scheur in mijn overhemd en zei wel drie keer: ‘Doe alles uit.’

Vlak voordat ik bij je naar binnen ging, zei je opeens dat ik moest wachten. Dit is het moment waarop ze wakker wordt, dacht ik. ‘Hoe heet je nou ook alweer?’ vroeg je toen.

De deur

Je hebt je daarna twee dagen ziek gemeld. Ik had je nummer niet, dus ik kon ook niet vragen hoe het met je ging, of je iets nodig had, of je je huis nog was binnengekomen. Ik verwachtte ook niet dat je het mijne had. Ik bedoel, je had er niet om gevraagd en je leek de volgende ochtend veel haast te hebben, dus ik heb niet de kans gehad om het aan je te geven. Ik heb nog een keer bij je aangebeld, maar ik durfde niet af te wachten of je zou opendoen.

Op de derde dag zat je weer achter je bureau. Ik liep door de lange gang naar de kantine en keek hopelijk onopvallend je kamer in. Ik hield mijn pas in zodat je meer tijd zou hebben om mij op te merken, maar je zag me niet. Je staarde ingespannen naar je computerscherm, er zat iets verbetens in je blik. Misschien was je met iets belangrijks bezig. In een reflex zwaaide ik naar je. Maar terwijl mijn hand de lucht in schoot, daar zo’n beetje bleef hangen en een laffe beweging maakte, schaamde ik me al.

De spanning in je kaken verried dat je je wel degelijk van mij bewust was. Maar opkijken deed je niet. Ik overtuigde mezelf dat je me echt niet had gezien. Of dat je misschien aan geheugenverlies leed. Het is bijna aandoenlijk hoe ik mijn best deed om excuses voor jou te bedenken.

Op de terugweg van de kantine zat je deur dicht. Je deur heeft nooit dicht gezeten, in al die jaren dat jij en ik hier werken. Ons kantoor hanteert een opendeurenbeleid. Ook nu koos ik ervoor, al kostte het steeds meer moeite, om hier niets achter te zoeken. Misschien had je een bespreking.

Misschien was je eerder naar huis gegaan.

De dag erna kwam ik je tegen in de gang. Je kwam me tegemoet lopen. Je droeg zeer hoge hakken en een rokje, alsof je naar een feestje ging. Je leek gefocust op een punt aan het einde van de gang als een sprinter die onderweg is naar de eindstreep.

Ik opende mijn mond om ‘hallo’ te zeggen. Maar mijn keel kneep zich dicht alsof jij persoonlijk daar de opdracht toe had gegeven. Ik vertelde mezelf dat het toch raar was om elkaar niet te begroeten, dat ik dit gedoe gewoon moest doorbreken, dat een van ons normaal moest doen.

Toen we elkaar passeerden had je me nog steeds niet aangekeken. Ik kon het niet accepteren. Terwijl je langs me liep, haalde ik diep adem en zei het alsnog. ‘Hallo.’ Het klonk niet meer als mijn eigen stem.

Ik keek je helemaal tot aan het einde van de gang na.

Mij negeren, mijn bestaan ontkennen, dat is niet oké, Monica.

Eetlust

Die avond had ik geen trek. Van honger wist ik toen nog niets af. Ik draalde voor de koelkast, er stond al een kipfilet klaar die ik van plan was te eten met broccoli en zoete aardappel. Maar de gedachte dat ik deze ingrediënten zou moeten bereiden, in stukjes zou moeten snijden en met een vork naar mijn mond zou moeten brengen stond me tegen. In plaats daarvan liep ik de woonkamer in. Keek naar alle plekken waar jij had gestaan, gezeten of gelegen. Opeens stond de soberheid van de kamer me tegen, maar dat kwam vooral omdat jij er niet was.

Ik had geen idee hoe dit verder moest. Misschien dat andere mensen gewoon hun schouders ophaalden over dit soort dingen, misschien was dit een geldige reden om de rest van de wodkafles leeg te drinken, of heel hard iemand anders te neuken, maar zo zit ik niet in elkaar.

Ik ging op de bank zitten, precies op de plek waar ik zat toen je voor me danste. Ik fantaseerde erover hoe ik je voor altijd bij me in huis zou nemen, je zou verzorgen en beschermen. Als je met mij was, zou je nooit meer hoeven huilen in het park.

Ik staarde de hele avond voor me uit. Het was uiteraard niet de eerste keer dat ik over jou nadacht sinds onze nacht samen. Ik was bereid geweest om me erbij neer te leggen dat je niet met mij verder wilde. Maar dat je me zou negeren, daar had ik niet op gerekend. Het was me inmiddels duidelijk dat dit consequenties moest hebben. Ik moest een daad stellen. Een daad van verzet.

De volgende ochtend werd ik wakker met een knagend gevoel in mijn maag. Ik wist dat het beter zou zijn om te proberen iets te eten, maar tegelijkertijd vertelde mijn lichaam dat daar geen sprake van kon zijn. Mijn keel zat dicht. Alle smaken en texturen stonden me tegen.

Het duurde anderhalve dag voordat ik me realiseerde dat ik onbewust al antwoord aan het geven was op de vraag wat ik nu moest doen. Mijn lichaam was in hongerstaking gegaan. Het leek me passend dat ik net zo lang niet zou eten totdat jij me zou zien.

Mahatma Ghandi ging in zijn leven 18 keer in hongerstaking. Zijn doel was om het Indiase volk te bevrijden van het Britse regime. In eigen land ging Volkert van der G. in hongerstaking om een betere behandeling in de gevangenis af te dwingen. Meer recentelijk werd er in Groningen een hongerstaking gehouden als protest tegen de gaswinning. Na drie weken werd de actie echter gestaakt, vanwege ‘gezondheidsproblemen’.

Maar is dat niet waar het echte protest begint?

Prikkels

Honger is geen dag hetzelfde. De ene dag was het als een schreeuwend kind, de volgende dag was alles helder en licht en nog een dag later was ik nauwelijks nog in staat om de ene voet voor de andere te zetten. Hier zat geen volgorde in.

En overal is eten. Op straat, op televisie, op reclamezuilen, op stations, collega’s die vlak voor je neus bruine boterhammen met kaas eten, de gekookte sperziebonenlucht van de buren, een half opgegeten kroket waar je bijna in stapt.

De eerste paar dagen was ik me van iedere eetprikkel bewust. Het maakte me misselijk. Een mens heeft voedsel nodig, maar ik walgde van de opdringerigheid waarmee het werd aangeboden. Eet dit! Eet dat! Eet! Eet, in godsnaam, eet!

Later ontwikkelde ik een natuurlijk filter. Eten verloor zijn betekenis. Ik kon naar een appeltaart kijken zoals een hond een schilderij waarneemt.

Een grote rust daalde op me neer. Ik zag details die me nooit eerder zouden zijn opgevallen. Kleuren werden feller. Geluiden werden harder.

Ik meende soms gedachten van anderen te kunnen lezen.

Ik passeerde mijlpalen. Achtenveertig uur. Een week. Tien dagen. Twee weken. Het punt waarop ik niet eens meer mócht gaan eten, al had ik het gewild, omdat de plotselinge beschikbaarheid van voedingsstoffen de chemische balans van het lichaam levensgevaarlijk kan verstoren.

En al die tijd liep je langs me heen, zat je deur dicht, ging je zo ver mogelijk bij me vandaan zitten in de kantine of was je toevallig druk in gesprek.

Op de twintigste dag deed alles pijn. Mijn hart sloeg soms een paar slagen over om met een doffe dreun weer in beweging te komen. Ik was duizelig en verdwaalde een keer onderweg naar het toilet. Inmiddels nam ik een taxi naar het werk en had mijn chef bezorgd geïnformeerd of ik me wel goed voelde. ‘Ja,’ zei ik zonder toelichting, omdat praten te veel moeite kostte.

Ik wist dat dit de laatste dag zou zijn waarop ik nog naar kantoor kon.

Ik liep nog één keer de gang door, om de paar stappen bleef ik staan om tegen de muur te leunen. Na een paar meter moest ik zelfs gaan zitten. Ik sloot mijn ogen. Het was alsof ik achteroverviel in een oneindig diep gat.

Ergens in een uithoek van mijn brein zei een stem dat ik niet op mocht geven. Ik moest sterk blijven.

Ik opende mijn ogen. Zelfs dat kostte me energie. Toen zag ik het.

Daglicht danste op de muren tegenover de ingang van jouw kantoor.

Ik voelde iets warms door mijn lichaam stromen wat zich het best laat omschrijven als hoop. Moeizaam kwam ik overeind en strompelde een paar stappen vooruit. Ik kon het bijna niet geloven, maar het was echt zo: je deur stond open.

Je deur stond open, voor de eerste keer sinds ons samenzijn. Struikelend, vallend tegen de muur, nog vele malen wankeler dan jij op hoge hakken, bewoog ik me voort. Iemand kwam de gang op lopen en vroeg: ‘Wat doe jij nou?’ De vraag bleef achter me in het luchtledige hangen, ik stel me zo voor dat de letters nog steeds door het gebouw dwalen op zoek naar een antwoord. Ik had nog maar één doel voor ogen: jouw deur.

Licht

Het licht op de muren werd steeds feller, deed zelfs een beetje pijn aan mijn ogen. Ook meende ik muziek te horen: een van de liefdesliedjes die jij die avond had gedraaid. Ik zette nog een stap en ik was er. Om niet naar binnen te vallen, hield ik hijgend de deurposten vast. Het duurde even voordat de vlekken voor mijn ogen waren opgetrokken.

Je keek op. Je zag me. Je opende je mond. In de verte hoorde ik je ‘jezus christus’ zeggen. Op je bureau, aan de kant van het raam, zat onze directeur. Hij leek iets dichterbij te zitten dan wat binnen de normale omgangsvormen zou vallen. Ik kan me vergissen, maar haalde je nou je hand van zijn knie?

Terwijl ik zag hoe je mond zich weer opende, dit keer om te gaan gillen, was ik me er vaag van bewust dat ik door mijn benen aan het zakken was, als een gebouw dat van binnen wordt opgeblazen.

Je sprong overeind. De directeur volgde je voorbeeld en begon allerlei commando’s te blaffen zoals we dat van hem gewend zijn. Mensen renden de kamer in. Iemand sjorde aan mijn schouder. Nog nooit hadden zoveel mensen zich zo druk om mij gemaakt.

Ik verdween in een diep donkerblauw.

En kwam terug.

Het geschenkboek Je bent wat je Leest van Nederland Leest bestaat, naast het verhaal van Marion Pauw, uit verhalen van Rosanne Hertzberger, Joël Broekaert, Pierre Wind, Charlotte Kleyn en een voorwoord van Nederland Leest ambassadeur Ronald Giphart. Het thema is dit jaar voeding en het boekje is een cadeau van de bibliotheek. Ga naar je bibliotheek en ontdek welke evenementen er over voeding in november worden georganiseerd.'

De beste berichten van Libelle in je mailbox ontvangen? Meld je nu aan voor de nieuwsbrief!

Beeld: Merlijn Doomernik. Tekst: Marion Pauw.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden