Close up of son holding his mothers hands in hospital Beeld Getty Images
Close up of son holding his mothers hands in hospitalBeeld Getty Images

Frénk had jarenlang geen contact met zijn moeder: “Het was de grootste fout van mijn leven”

Van zijn 13e tot zijn 23e weigerde journalist Frénk van der Linden elke vorm van contact met zijn moeder. Het veroorzaakte een diepe wond – ook bij hemzelf. Nu probeert hij in het reine te komen met zijn verleden.

Mijn moeder, Erica van den Brink (Haarlem, 1935), schreef me in de loop van haar leven brieven, brieven, brieven. Ook mijn jongere zus Désirée ontving scheepsladingen. Waren het er vijfhonderd? Duizend? Méér? Het zou heel goed kunnen. Ik durf ze wel liefdesbrieven te noemen, omdat het onderwerp negen van de tien keer haar nooit eindigende worsteling met amoureuze relaties was, en omdat ze elke keer weer blijk gaf van de diepe gevoelens die ze koesterde voor haar zoon en dochter. Op schrift opende mijn moeder haar hart, en ze deed dat alsof ze een handtas leegkieperde op de tafel. Alles moest eruit, álles, per direct: emotionele opwellingen, persoonlijke filosofieën, halfbakken gedachten – rijp en groen stond het op gelinieerd papier. Zij ondertekende met de bescheidenheid die haar zo kenmerkte: kleine, kriebelige letters. Het was alsof ze snel weer achter haar naam wilde verdwijnen – sorry dat ik je heb lastiggevallen. Het is pijnlijk om onder ogen te zien, maar een groot deel van de brieven die mijn moeder mij stuurde heb ik verscheurd zonder ook maar één woord te lezen. Deze gelukkig niet:

Lieve Frénk,

Een moeilijke brief, omdat het misschien de laatste is waarmee ik je kan bereiken. Ik hoorde dat je naar Utrecht vertrekt om journalistiek te gaan studeren.

Hoop dat je zult bereiken wat je wilt bereiken. Je bent een doorzetter, dus lukken zal het. Contact is er niet tussen ons, zal er naar ik verwacht ook nooit komen. Frénk, ik hoop dat je gelukkig wordt, in alles, met je meisje, je werk. Lieve zoon, geluk en liefde toegewenst,

Mamma

Ik zal twintig zijn geweest toen ik de envelop openmaakte. Mijn nieuwsgierigheid (ik ben niet voor niets journalist geworden) werd simpelweg te groot. Misschien is het eerlijker om te schrijven dat het verlangen naar mijn moeder niet meer te stelpen was. Op dat moment had ik haar al zeven jaar niet gezien, niet wíllen zien. Het zou nog drie volle jaren duren voordat ik bij zinnen kwam.

Rouwverwerking

Geen enkel contact in mijn hele puberteit en jonge volwassenheid, geen spoor van de moeder-en-zoonband in een heel decennium. Het was mijn eigen beslissing. Een besluit dat ik rücksichtslos doorzette en dat ik vandaag de dag zie als de grootste fout van mijn leven. Ik verwondde er niet alleen mijn moeder mee, ik betaalde zelf ook een hoge prijs. Dat is me de afgelopen jaren definitief gaan dagen – niet toevallig terwijl ik na haar overlijden (2012) en dat van mijn vader (2018) honderd brieven schreef aan mijn ouders. De eerste brieven gingen over de geur van mijn moeder, haar filmsterachtige ogen, de manier waarop ze de krant las (van achteren naar voren). Mijn brieven waren een vorm van rouwverwerking, dacht ik. Door de aard van haar ziekte – dementie – was haar dood niet geheel onverwacht gekomen, en toch had het verdriet me overvallen. Blijkbaar moest het op de een of andere manier worden bezworen. Na verloop van tijd besefte ik dat ik mijn moeder vooral vragen stelde: over onze verhouding, over het huwelijk waaruit ik was voortgekomen, over scheiden, over de volledige en veertig jaar durende radiostilte tussen mijn ouders. Al schrijvend vond ik stukje bij beetje de antwoorden.

Andere man

Mijn zusje Désirée en ik hadden een beauty van een moeder (in ons Bollenstreekdorp Hillegom werd ze in de jaren zestig ‘de lokale Greta Garbo’ genoemd), die haar kinderen ook nog eens adoreerde en vertroetelde. De liefde voor haar man, trucker Jan van der Linden, bekoelde echter al snel. “Jij ligt nog liever onder die vrachtwagen dan onder mij”, zei ze wanneer hij na een werkweek van tachtig uur op zaterdagmiddag doodleuk reparaties uitvoerde of zijn DAF aan de achterkant verfraaide met een sticker: ‘Dames, pas op, die van mij is achttien meter lang’. Slechts één ding is erger dan horen hoe je vader en moeder in de slaapkamer de liefde bedrijven, en dat is horen hoe ze daar liggen te ruziën.

Maar het kon nog erger, merkte ik op zeker moment. Als Désirée en ik naar een enge televisieserie keken (Catweazle), zagen we door het matglas van de keukendeur dat bij het aanrecht dingen gebeurden waarvan pa, ergens onderweg met twintig ton tulpenbollen, ongetwijfeld witheet zou worden. Mam was in de weer met een andere man. De moeder aan wie ik zo was gehecht werd onbetrouwbaar, onveilig, een gevaar voor ons gezin.

Wat ik je nog had willen vragen, mam. Had móeten vragen – maar niet durfde.

Een bloemist kwam vijftig rode rozen voor je bezorgen. Op rekening van pa, terwijl hij geen bestelling had

geplaatst.

Van hem mocht de bos ‘onder geen voorwaarde’ in

een vaas op de salontafel worden gezet. De vuilnisbak leek hem de juiste bestemming. Jij dacht daar genuanceerder over.

Na een lange discussie kreeg het boeket een plaats in onze

granieten badkuip. We douchten in die tijd toch niet elke dag.

Halverwege een populair radioprogramma op zondagochtend kondigde de presentator een liedje aan, speciaal voor Jan van der Linden in Hillegom. Het was aangevraagd door een

anonieme luisteraar: ‘Hier zijn Corry en de Rekels, met Huilen is voor jou te laat’.

Wie verzon dat getreiter, mam? Wie voerde het uit? En waarom?

Lucht voor ons

Elke avond om zeven uur reed mijn moeders minnaar John met zijn rode Opel Kadett stationcar voor ons huis langs. Hij toeterde dan een speciaal riedeltje voor de vrouw die hij beminde. Uiteindelijk zou hij zijn echtgenote en drie kinderen voor haar verlaten. Mijn moeder ging kapot aan twijfel: weggaan of blijven? Ze vertrok, ze kwam terug. Vertrok wéér, kwam wéér terug. Slikte antidepressiva, dronk er alcohol bij en werd afgevoerd met een ambulance. Verdween in een zenuwinrichting. Werd platgespoten in een isoleercel gezet. Moest op een dag van de spoorlijn tussen Haarlem en Leiden worden gehaald. Besloot ‘met honderd procent zekerheid’ weer in te trekken bij man en kinderen, maar zette korte tijd later haar buitenechtelijke avontuur voort. De woordenwisselingen tussen mijn moeder en vader liepen soms compleet uit de hand: “Jan, je vermoordt me nog eens.”

Uiteindelijk was ík het die haar vermoordde, geestelijk dan. Nadat mijn moeder op een dag de deur echt achter zich had dichtgegooid, verzond ik als jonge jongen, mede namens Désirée, een epistel naar haar advocaat en de rechter die uitspraak zou doen in de echtscheidingszaak. Wij wilden worden toegewezen aan onze vader, sterker, wij wensten onze moeder nooit en te nimmer meer te zien. In 1973 kregen we onze zin. En hoe vaak zij ook bij het schoolhek stond, hoeveel lieve brieven ze ook op de deurmat liet vallen, wij negeerden haar. Ze was lucht voor ons, ze had nooit bestaan. Mijn vader zag het met genoegen aan. Verdriet en haat waren in hem verstrengeld. Hij stimuleerde de afkeer waarmee Désirée en ik tegenover onze moeder stonden. Inmiddels hield hij het met de vrouw bij wie zij (o ironie) na haar vertrek uit ons gezin een kamer had gehuurd: Greet. Zij trok met drie kinderen van drie verschillende vaders bij ons in.

Reünie

Alles veranderde in de tijd dat ik, amper twintig, een serieuze relatie kreeg en besloot te trouwen. Mijn aankomende echtgenote begon te corresponderen met mijn moeder. “Ik wil haar graag leren kennen”, zei ze. Het bracht me in beweging, ook al omdat ik aan haar zijde leerde hoe gecompliceerd, gelaagd en tegenstrijdig de liefde kan zijn. Het is een dans; wie leidt en wie volgt is lang niet altijd te zeggen. Waar je samen uitkomt op de dansvloer van het leven is nooit de verdienste of de schuld van de een of de ander, it takes two to tango. Wacht even, begreep ik: dan moest ik toegeven dat mijn moeder dus niet de enige was die de vechtscheiding had veroorzaakt. Gelukkig zag Désirée het ook zo. Als altijd trokken wij samen op, we moesten haar weer toelaten in ons leven. Het werd tijd voor een reünie.

Nu sta je tegenover ons in de kamer. Ik een stap, jij een stap. Ik een stap, jij een stap.

Je opent je armen. Ik leg de mijne om je schouders en trek je naar me toe – ik wil niet anders. Désirée gooit zich tegen ons aan.

Hoeveel verhalen, argumenten en redeneringen nog zullen volgen, doet er plotsklaps

niet meer toe. Mijn neus snuift jouw geur op. Die ene, niet in woorden te vatten geur.

Zo ruikt alleen mijn moeder.

Drieëntwintig was ik, en vanaf die dag bleken we onafscheidelijk, hoe moeilijk mijn vader (met wie Désirée en ik een sterke band bleven houden) het daar ook mee had. Moeder en zoon rookten samen havana’s, dronken port, spraken eindeloos over de liefde, over god en geld, over mannen en macht, over politiek, erotiek. Mijn moeder legde me in de loop der jaren talloze kwesties voor die de radertjes in mijn hoofd deden knarsen en knerpen. “Vertel me eens, jongen: waarom mag een vrouw in dit land wel houden van vier kinderen, maar niet van twee mannen?” Intussen was mijn eigen leven een leerschool die me opzadelde met dezelfde ervaringen die mijn moeder met schade en schande had doorstaan: twéé scheidingen beleefde ik. Wat in mij resteerde aan harde oordelen over de dingen die zij had gedaan en gelaten, loste op. Wie was ik om haar nog de maat te nemen?

Alzheimer

Over en weer waagden mijn moeder en ik het sowieso niet meer om te bekvechten. Ik durfde het waarschijnlijk niet aan omdat ik haar ooit al zo vreselijk had gekwetst. Zij wilde op geen enkele manier het risico lopen dat ik mij opnieuw tegen haar zou keren. Altijd maar de fluwelen handschoen. Niet meer in staat zijn met elkaar te knokken. Ironisch genoeg voelde het als een verlies. Ik moet bekennen dat ik nooit de moed opbracht om daarover met haar te praten.

Toen kwam alzheimer. Mijn moeder was een zestiger, maar ze droeg haar lot met opgeheven hoofd. “Ik heb iets nieuws gekregen van de apotheek, Frénk.” Zenuwachtig friemelde ze aan een reep doorzichtig plastic. Ze rolde hem voor me uit, bijna een meter. “Pillenstrip”, zei ze. Alle medicijnen zaten in een vaste volgorde in vakjes die waren voorzien van een dag- en tijdsaanduiding. “Kijk: voor m’n hart, voor m’n depressie, voor m’n reuma, voor m’n cholesterol. Ook tabletten voor m’n vergeetachtigheid. Maar wat denk je? Is het me gisteren toch gelukt een dubbele dosis in te nemen. Ik dacht al: wat ben ik helder vandaag.”

Zelfspot combineerde mijn moeder met wijsheid en poëzie. Het laatste jaar van haar leven aten we elke maandagavond in restaurant China Fantasy, Hoofddorp. Haar hersens waren chaotisch, haar ledematen dunnetjes. Moeizaam schuifelde zij na zo’n maaltijd terug naar het verpleeghuis waar ze op een dag de geest zou geven. Ik bleef van haar leren, zelfs in die laatste fase.

Het was na de loempia en de tjap tjoy dat je op een avond midden bij het zebrapad halt hield. Je sloeg je armen om me heen en drukte een kus op mijn voorhoofd.

Het verkeer raasde voorbij.

Na een lange stilte zei je: “Ik denk dat jij er altijd al was, Frénk. Lang voordat je in mijn schoot viel. Ik noemde het verlangen.”

En altijd maar verlangen

Interviewer Frénk van der Linden (64) schrijft voor de Volkskrant, presenteert het radioprogramma Kunststof en maakt tv-documentaires. In de film Verloren band interviewt hij zijn ouders over hun scheiding. Frénk is getrouwd met cabaretière/zangeres Mylou Frencken (de zingende barvrouw in Met het Mes op Tafel). In januari 2020 verschijnt Frénks boek En altijd maar verlangen – De liefdesoorlog van mijn ouders, een onmogelijk huwelijk beschreven in brieven van een zoon aan zijn vader en moeder, die na een bitter gevecht uit elkaar gingen en daarna 40 jaar geen woord wisselden. Luitingh-Sijthoff, € 20,99

Beeld: Getty Images.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden