An elderly woman is sitting on the sofa at home.
A quiet scene in the living room of a house, sitting on a sofa with a lap blanket.
Aging society.
Janneke & het hospice Beeld Getty Images/iStockphoto
An elderly woman is sitting on the sofa at home.A quiet scene in the living room of a house, sitting on a sofa with a lap blanket.Aging society.Janneke & het hospiceBeeld Getty Images/iStockphoto

Janneke & het hospice: “‘Ik ben er nog steeds, het is niet te geloven hè?’, zegt mevrouw C. ‘Drie maanden over de deadline’”

Na een bezoek aan de huisarts besluit Janneke Siebelink (46) vrijwilligerswerk te gaan doen. Nu kookt ze elke week in een hospice en schrijft erover in Libelle. Haar doel: het verhaal vertellen van de bewoners van het hospice, die veelal in hun laatste levensfase verkeren. Zodat niemand ongezien in de vergetelheid raakt. Deze week schrijft ze over een gesprek over bloemkoolsoep.

Bloemkoolsoep

“Wat gaan ze met die bloemkolen doen, denk je?” Mevrouw C. (80, van de ‘waar-je-niet-meer-weg-kunt’-kant in dit hospice) kijkt vanaf haar plek aan de eettafel argwanend naar de kar waarop de boodschappen liggen uitgestald om afgestreept te worden van de bestellijst. Tussen het brood, de bananen, de per stuk verpakte plakjes kaas en kuipjes jam liggen vijf enorme bloemkolen.

“Ik vrees het ergste”, zegt ze met haar onversneden Jordanese accent en kijkt misprijzend naar de groenten. Op mijn beurt kijk ik op het bordje waarop de gerechten staan die komend weekend gemaakt zullen worden en probeer mijn lachen te verbergen.

“Wat sta je daar te lachen!”, roept mevrouw C.

Mislukt.

“Ik durf het bijna niet te zeggen...” ik draai het bordje naar haar toe.

“Wat staat daar? Dat kan ik niet lezen vanaf hier.”

“Bloemkoolsoep”, zeg ik en draai het bordje snel weer om. Ik weet precies wat er gaat komen.

“Nee toch! Het is niet waar toch. Van bloemkool moet je bloemkool maken, met aardappeltjes, een balletje gehakt en jus. Geen soep! Van die soep waar je lepel rechtop in blijft staan. Ik wil dat niet, hoor. Vind jij dat lekker?” Ze spreekt mevrouw O. aan.

Verlammingsziekte

Mevrouw O. is nieuw, ze heeft een verlammingsziekte, drinkt haar cappuccino door een rietje. Ze zal niet ouder zijn dan een jaar of 40, 45. Thuis kan ze niet meer zijn, want haar man heeft precies dezelfde verlammingsziekte als zij. Hij kan amper voor zichzelf zorgen, laat staan voor hen beiden. Dat hadden ze 20 jaar geleden, toen ze elkaar in de kroeg leerden kennen en het leven ze toelachte, niet kunnen bedenken. Ik ook niet. Ik was sprakeloos toen ze het vertelde. Ze blijft hier tot er thuiszorg gevonden is voor zes dagen in de week. De eerste twee dagen heeft ze gehuild, maar nu is ze blij dat ze hier is. Hier hoeft ze niet te wachten op de koffie. Hier kan ze uitrusten, hoeft ze zich niet bezwaard te voelen als ze iets vraagt.

“Courgettesoep kan ook lekker zijn. Dus waarom bloemkoolsoep niet, met wat kaas erover en de juiste kruiden”, antwoordt mevrouw O. terwijl ze het rietje probeert te pakken met haar mond.

Mevrouw C. schudt haar hoofd. De zon breekt door de wolken in de lucht achter haar en licht haar haren engelachtig op, romig zacht.

Deadline

Tegen niemand in het bijzonder zegt ze: “Ik ben 8 kilo afgevallen (ik denk: o, dat zou ik ook best willen... om me meteen heel erg te schamen voor die gedachte). Maar daar heb ik dus nu mooi niks aan, hè. Ik heb allemaal leuke bloesjes. Droeg ook leren broeken, net als jij.” En knikt mijn kant op. “Panterprintje. Leuk vestje eroverheen. Mijn haar was dik, donker. Maar hoe dan ook, ik mag toch zeker zelf weten wat ik eet. En door die ziekte kan ik niet alles eten hè, jij weet wel wat ik bedoel.”

Ik weet wel wat ze bedoelt ja; de darmziekte die haar af en toe zo in de greep heeft dat ze gruwelijke pijn heeft en haar bed niet kan verlaten, om haar vervolgens dagenlang met rust te laten en haar wil laten geloven dat ze voorlopig nog niet zal sterven. “Ik ben er nog steeds, het is niet te geloven hè?” Ze zegt het al zes maanden, iedere week weer. “Drie maanden over de deadline.” Het woord krijgt plotseling een macabere bijbetekenis.

Gewoon bloemkool

Mevrouw O. probeert haar gezicht zo te draaien dat ze mevrouw C. kan aankijken. “Doperwtjessoep met verse munt, dat is ook best lekker. Lekker fris.”

“Ik wil gewone soep, kippensoep, groentesoep. Heldere soep. Niet gebonden of gepureerd met dat ding.” Ze doelt op de staafmixer en kijkt erbij alsof ze over een martelwerktuig praat.

“Je hoeft die soep niet te eten, mevrouw C.’”, zeg ik. “Een boterham is ook prima.”

“Waarom moet het toch altijd soep zijn, waarom moet er altijd maar soep van worden gemaakt? Waarom mag bloemkool niet gewoon bloemkool zijn?”, herhaalt ze en laat haar haren dansen om haar fijne gezicht als ze nee schudt.

Ork, ork, ork

“De wereld was soep en het denken meestal een vork: tot smakelijk eten leidde dat zelden”, mevrouw O. kijkt met glimmende ogen naar haar inmiddels lege koffiekopje, alsof ze zichzelf verrast. Ik kijk op van mijn snijplankje.

“Wat zeg je?”, vraag ik.

“Dat schreef Harry Mulisch in De ontdekking van de hemel. Het kwam plotseling in me op.”

Ik kijk naar de twee vrouwen aan tafel. De een heeft pas de helft van het leven van de ander erop zitten. De oudste is twee keer zo klein als de jongste. De jongste komt uit wat eens een sprookje was in een chique dorp bij de zee, de ander komt uit de loopgraven van de binnenstad. Ongewild verbonden aan deze tafel in dit hospice.

Terwijl ik de boodschappen opruim en de bloemkolen die er ook niets aan kunnen doen uit het zicht opberg, schraapt Mevrouw C. haar keel.

“Ork, ork, ork. Soep eet je met een... jij weet wel wat ik bedoel, hè?”

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden