null Beeld

Jorie schreef een boek over haar doodgeboren tweelingzus: “Ik had met z’n tweeën moeten zijn”

Uit angst voor verdriet werd er thuis niet over haar gepraat. Pas zeven jaar geleden ging Jorie (39) met haar moeder Marjan in gesprek over haar overleden tweelingzus Evie.

Jorie: “Ik was een jaar of zes en stond in de keuken cake te bakken met mijn moeder, toen ze opeens vertelde dat ik een tweelingzusje had gehad. Dat ze Evie heette en bij de geboorte was overleden.”

Marjan: “Het kwam opeens in me op. Ik vond dat Jorie moest weten dat ze een deel van een tweeling was, maar ik realiseerde me toen totaal niet wat voor impact dat op haar zou kunnen hebben.”

Jorie: “Mijn moeder zei dat ik haar naam niet mocht noemen. Achteraf denk ik dat daarmee het taboe ontstond. Ik wist dat ik een zusje had, maar ze was er ook heel erg niet. Mijn ouders praatten nauwelijks over haar, spraken haar naam niet uit en hadden het ook niet over een dochter, een meisje of een zusje, maar over ‘het verdrietige’.”

Taboe

Marjan: “Misschien dachten we dat dan het gemis iets minder zou zijn. Paul en ik hadden haar naam aan niemand verteld en daarom vond ik dat Jorie dat ook maar niet moest doen. Ik kon niet vermoeden dat het voor haar voelde alsof ze een groot geheim met zich moest meedragen. We dachten dat ze het er niet over wilde hebben. Toen ze nog thuis woonde hebben we een paar keer geprobeerd om erover te praten, maar we voelden weerstand en concludeerden dat ze er nog niet aan toe was. Dus wachtten we tot ze er zelf mee kwam.”

Jorie: “Ik dacht: als ik er niet over praat, worden mijn ouders ook niet verdrietig. Als ‘het verdrietige’ vroeger ter sprake kwam, moest mijn moeder altijd heel erg huilen en dat vond ik moeilijk. En als het onderwerp werd aangekaart, ging het er altijd over dat mijn ouders een kindje hadden verloren. Er werd nooit aan mij gevraagd: hoe heb je het ervaren om een zusje te verliezen?”

Marjan: “Ik heb nooit beseft dat Jorie worstelde met haar doodgeboren zusje en iets te verwerken had, terwijl Jorie en ik een sterke band hebben en eigenlijk alles bespreken.”

Dagboek

Jorie: “Ik was al begin dertig toen ik er voor het eerst over begon bij mijn moeder. Al jaren zat ik tegen dat gesprek aan te hikken. Er was ook nooit een geschikt moment, maar toen ik een paar dagen met mijn moeder naar Londen ging, dwong ik mezelf

om daar over mijn doodgeboren zusje te beginnen.”

Marjan: “Ik was vooral opgelucht. Ik had altijd gehoopt dat Jorie er op een dag iets over zou zeggen.”

Jorie: “Ik startte een zoektocht naar herinneringen aan mijn zusje en die begon met gesprekken met mijn ouders. Zij konden zich maar weinig herinneren, maar mijn moeder bleek nog een dagboek te hebben dat ze had bijgehouden tijdens haar zwangerschap. Dat was voor mij al heel waardevol. Daarin stond dat mijn zusje en ik allebei volgroeide baby’s waren en eenenveertig weken in haar buik hadden gezeten. Tijdens onze gesprekken kwam ook het grote verdriet naar boven dat mijn moeder het kindje niet had gezien en dat mijn ouders niet bij de crematie waren geweest.”

Marjan: “In het ziekenhuis werd het kindje direct bij ons weggehaald. Onwetend als we destijds waren hebben we dat aanvaard, maar ik heb me er wel heel schuldig over gevoeld.”

Jorie: “Mijn moeder vertelde dat ze bang was dat ze geen goede moeder was geweest. Dat vond ik zo pijnlijk om te horen. Gelukkig kon ik haar na mijn gesprekken met verloskundigen en gynaecologen vertellen dat dat niet zo was. Tijdens onze geboorte in 1981 was het nog gebruikelijk dat verloskundigen doodgeboren baby’s weghielden bij de moeder, omdat dat beter zou zijn voor het verwerkingsproces. Als je het kindje niet hebt gekend, kun je het ook niet missen, was toen de gedachte.”

Marjan: “Dat heeft me wel geholpen. Toen Jorie dat vertelde, kon ik mijn schuldgevoel van me af laten glijden.”

Onderzoek

Jorie: “Elke stap in mijn zoektocht naar mijn tweelingzusje was spannend. Soms was er niks bewaard gebleven, zoals in het ziekenhuis. En soms vond ik informatie waarvan mijn ouders niet wisten dat die er was, zoals het onderzoek in het pathologisch laboratorium waar de dood van mijn zusje nog op de geboortedag is onderzocht.”

Marjan: “Nee, dat wisten we niet.”

Jorie: “Ik vroeg me telkens af: doe ik er goed aan om door te zoeken? Stel dat ik ontdek dat er grote fouten zijn gemaakt in het ziekenhuis. Of dat ik – waar ik als puber mee heb geworsteld – als foetus haar navelstreng heb dichtgedrukt. Dat kan gebeuren.”

Marjan: “Mijn man en ik wilden de doodsoorzaak eigenlijk niet weten. We zeiden ook tegen Jorie dat er niemand aangeklaagd zou worden, mocht ze ontdekken dat er sprake was geweest van nalatigheid. Voor ons gevoel zijn we destijds met zorg en respect die bevalling in gegaan en dat beeld wilden we vasthouden.”

Jorie: “Het bleek dat de navelstreng van mijn zusje aan de zijkant van de placenta zat in plaats van in het midden, waardoor ze minder zuurstof en voeding uit die placenta kon halen. Ze was te kwetsbaar om de bevalling te overleven. Er was dus geen fout gemaakt, dat was een opluchting, al blijft het verdrietig om te weten dat ze tweelingen tegenwoordig niet meer eenenveertig weken in een buik laten zitten, dat is veel te gevaarlijk. Het was ook fijn om te weten dat mijn zusje niet was meegegeven met het medisch afval, wat destijds geregeld gebeurde. Ze is gecremeerd, zoals mijn ouders ook dachten.”

Marjan: “We wisten niet op welke dag. Dat heb jij ontdekt.”

Bespreekbaar

Jorie: “Mijn oudste broer vroeg weleens: waar ben je mee bezig? Haal je geen oude wonden open voor onze ouders?’”

Marjan: “Jorie heeft zich heel verantwoordelijk gedragen. Ze vroeg steeds: ben ik zorgvuldig genoeg? Doseer ik het genoeg? Zelf had ze er ook soms even genoeg van.”

Jorie: “Daarom duurde het hele proces ook zeven jaar. Ik heb zelfs gedacht: ik stop ermee. Gelukkig heb ik dat niet gedaan, want doordat het boek er nu is, zijn er mooie gesprekken ontstaan tussen mijn ouders en familieleden, vrienden en mensen uit de buurt die iets soortgelijks hebben meegemaakt.”

Marjan: “Dat praten doet me goed en ik merk dat het me steeds makkelijker afgaat. Ik heb na al die jaren voor het eerst haar naam uitgesproken en ik kan die inmiddels noemen zonder tranen. Maar het mooist van alles is dat we deze geschiedenis nu in ons gezin kunnen bespreken.”

Jorie: “Zeker. Het heeft me in het verleden verdriet gedaan dat mijn zusje geen thema leek. Ik wist niet dat mijn ouders het jarenlang elke avond over haar hadden. Ik ben ook boos geweest: ik snapte niet hoe het kon dat zij zich nooit afvroegen wat het voor mij betekende om een zusje te verliezen. Het doet pijn dat ik eigenlijk met z’n tweeën had moeten zijn. Nu kunnen we erover praten.”

Marjan: “Het is geen taboe meer.”

Jorie: “Het is ook de vraag: wanneer doe je het goed? Tegenwoordig worden er altaartjes gebouwd en worden foto’s van doodgeboren baby’s in woonkamers opgehangen. Wat doet het met de andere kinderen wanneer het gestorven broertje of zusje zo op de voorgrond wordt geplaatst? Misschien hebben zij weer andere worstelingen. Omdat die tendens pas tien jaar gaande is, zijn deze kinderen nog te jong om ze daarover te kunnen bevragen.”

Dichter bij elkaar

Jorie: “Ik begon mijn zoektocht naar mijn zusje om herinneringen te vinden om de leegte op te vullen, en ik heb meer gevonden dan ik verwachtte. Ik ben vooral heel blij met het document dat ik kreeg bij het stadskantoor waar onze vader ons heeft aangegeven. Daarin staat dat er een meisje is geboren dat op dezelfde dag is overleden. Dit bewijs van haar bestaan is voor mij heel waardevol. Tegelijkertijd realiseer ik me meer dan ooit dat ik dingen mis. Ik heb geen echo van haar. We zijn na de geboorte niet even bij elkaar gelegd en mijn moeder is gestopt met haar dagboek op de dag dat we zijn geboren, zo jammer. Vandaag de dag wordt het moeders juist aangeraden om dingen op te schrijven, voor zichzelf, maar ook voor de broertjes en zusjes. Tegenwoordig hebben ouders ook haarlokjes en foto’s van hun doodgeboren baby. Ik vind het verdrietig dat we dat allemaal niet hebben.”

Marjan: “Het gemis heeft meer vorm gekregen.”

Jorie: “Ja, al blijft het ongrijpbaar. Het zit ’m erin dat je weet dat je samen was en dat je fantaseert over hoe het geweest zou zijn als mijn zusje nog had geleefd. Een leidende vraag in mijn boek is: kun je iemand missen die je nooit hebt gekend? Ik heb er geen antwoord op gevonden. Mijn jongste broertje vroeg eens: ‘Als je niet wist dat je een zusje had gehad, zou je haar dan ook hebben gemist?’ Ik durf het niet te zeggen. Ik weet wel dat ons zusje ons hechte gezin nog dichter bij elkaar heeft gebracht. Zij is nu niet meer alleen van mijn ouders, maar van ons allemaal.”

Interview: Astrid Theunissen. Fotografie: PetronellAnitta

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden