null Beeld

Column

José: “Engelen bestaan, ik heb er een ontmoet langs de snelweg”

Bladenmaker en journalist José Rozenbroek is een nieuwsjunk. Elke week schrijft ze voor Libelle een column over wat haar opvalt en waarover ze zich opwindt.

Voordat ik afreisde naar Zuid-Frankrijk had ik mijn ouwe trouwe Fiatje nog na laten kijken door mijn aardige garagist. Bandenspanning check, oliepeil check, de rest van de rataplan check. Maar op de terugweg ging er vlak voor de Nederlandse grens een alarmerend rood lichtje branden en verscheen er een waarschuwing op mijn dashboard: motor oververhit! Onmiddellijk naar de kant!

Radeloos

Daar stond ik langs de snelweg. Het verkeer raasde ziedend voorbij, niemand die stopte, hoe hulpeloos ik ook keek. Het telefoonnummer van mijn Fiat-noodservice had het antwoordapparaat aan, een vriend met verstand van auto’s nam ook al niet op. Ik belde mijn broer die me sommeerde de motorklep open te doen. Van de zenuwen wist ik niet meer waar het hendeltje zat, maar even later stond ik toch glazig naar de motor te turen. Ik rook een rare schroeilucht, maar wat wist ik van motoren en hoe ze moeten ruiken? “Laat ’m afkoelen, check de olie, en dan kun je vast wel thuiskomen”, zei mijn broer die tweehonderd kilometer verderop met een biertje in zijn tuin zat.

Vriendelijke blik

Na drie kwartier durfde ik de snelweg weer op, maar na nog geen vijf kilometer ging het rode lichtje weer branden. Deze keer strandde ik bij een tankstation waar het stervensdruk was met vakantiegangers op weg naar huis. Ik schoot een man aan die net in zijn auto wilde stappen. Uit elk raampje hing een kind te klieren zoals alleen maar kinderen kunnen klieren die al tien uur achter een veiligheidsriem opgesloten zitten. Hij had donkere ogen, een olijfkleurige huid die een migrantenachtergrond verraadde en een vriendelijke blik. “Heeft u verstand van auto’s?” vroeg ik op mijn allerhulpbehoevendst.

Voordat ik het wist had de man de motorkap geopend. “Eerst de motor laten afkoelen”, zei hij. Alsof hij alle tijd van de wereld had maakte hij een praatje, voelde eens voorzichtig aan een slang, draaide een dop open, rook eraan, liet me een fles koelvloeistof kopen, en nog een, vulde het reservoir, legde me uit dat ik waarschijnlijk ergens een lek had, dat ik dat bij de garage moest laten checken, maar nu vast veilig thuis zou komen.

Engelen bestaan

Onderwijl hielp hij ook nog een man die stond te klungelen bij het bandenspanningsapparaat en riep zijn kinderen tot de orde die als kikkers rond de auto sprongen. Toen veegde hij zijn handen af aan het zakdoekje dat ik hem had gegeven.

“Hoe kan ik je bedanken?” zei ik.

“Je moet mij niet danken”, zei hij, en hij wees naar boven. “Mensen denken dat God hen kan helpen. Nee, ik help jou, maar Hij heeft mij op jouw weg gezonden.” Hij legde zijn hand op zijn hart. “En ik krijg hier heel warm gevoel als ik jou kan helpen.”

Hij veegde zijn kinderen bij elkaar en stapte zelf ook in. We zwaaiden naar elkaar als oude vrienden. Ik streek met het vieze zakdoekje langs mijn ogen en reed in één ruk naar huis. Engelen bestaan, zeker weten, ik heb er een ontmoet langs de snelweg, bij tankstation Minderhout, tussen Antwerpen en Breda.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden