null Beeld

Joty zat als kind in een jappenkamp: "Ik heb er geleerd om niet te huilen"

Joty ter Kulve-van Os (1927) uit Wassenaar zat tijdens de Tweede Wereldoorlog in een jappenkamp in Nederlands-Indië. “De slakken waren zo vies en slijmerig. Maar je at ze, want je had honger.”

Een prachtige jonge vrouw staat tegen de reling van een schip en kijkt opzij. Ze heeft stralend witte tanden, om haar mond een lach. “Ik noem dit mijn vrijheidsfoto”, zegt Joty. “Ik was op weg naar Nederland. Aan boord was een legerfotograaf en die vroeg of ik wilde poseren. Tijdens deze reis nam ik me voor: ik laat me nooit meer opsluiten en ga vanaf nu alleen maar genieten. Verwachtingen had ik niet, ik zou wel zien. Ik had het jappenkamp en de Bersiap overleefd, wat kon mij nog gebeuren?”

En toen, jaren later, brak de coronacrisis uit. “Daardoor beleefde ik alles opnieuw. Weer dat opgesloten gevoel. Het voelde alsof ik stikte. Na de oorlog had ik jarenlang elke nacht dezelfde droom: ik viel in een put en kon er niet meer uit. Die droom kwam terug, elke nacht. Toen heb ik mezelf aangepakt en gezegd: waar leef ik nog voor? Ik heb nog één taak: zorgen voor mijn kinderen en kleinkinderen en blijven strijden voor een wereld zonder oorlog en onderdrukking. Juist nu. Want dat heb ik altijd gedaan.”

Met haar Nederlandse vader en Indische moeder, zus Cora en broertje Wim groeide Joty op in Linggarjati, een dorpje aan de voet van de vulkaan Ciremai op West-Java. Haar vader was directeur van een cementfabriek. In 1934, op 39-jarige leeftijd, overleed hij aan een nierbekkenontsteking en haar moeder nam zijn taak over, naast de opvoeding van haar kinderen. “Ik had zo’n sterke, lieve, mooie moeder,” zegt Joty en wijst naar een schilderij met haar moeder erop aan de muur van haar seniorenflat.

Het dorpje lag erg afgelegen zodat ze weinig van de buitenwereld meekregen. “We hadden geen radio, geen krant. Opeens waren de Japanners er.” Als Indische Nederlanders hoefden ze niet naar een kamp. Maar Joty en Cora waren mooi en jong; ze vielen op. Op een dag moesten ze met hun moeder in de nabijgelegen stad Cirebon bij de Kempeitai komen, de Japanse militaire politie. “Een officier zei tegen mammie: ‘U kunt gaan, de meisjes blijven hier voor onze mannen.’ Mijn moeder zei: ‘U krijgt ze niet levend!’ ‘Dan gaan jullie naar de gevangenis.’ Ze sloten ons op. De volgende dag herhaalde de conversatie zich. Mammie zei: ‘U moet me eerst doodschieten.’ Toen zei die Jap: ‘You go home, tomorrow you go to camp.’”

Altijd honger

Het hele gezin, inclusief opa en oma en twee tantes, werd geïnterneerd in kamp Kareës in Bandoeng. “Met z’n achten deelden we een piepklein kamertje met badkamer. De Japanners gaven ons nauwelijks te eten, de rijst werd per korrel verdeeld. ’s Nachts kropen er mensen door het riool naar ons toe om eten te ruilen voor kleding en sieraden. Ik moest zelf ook het riool in om slakken te zoeken. Die waren zo slijmerig, bah. Je moest ze drie keer koken en dan nog droop het slijm eruit. Maar je at ze, want je had zo’n honger. Ik dacht de hele dag aan eten.” Soms werd ze met andere meisjes opgetrommeld om voor de Japanse bewakers te dansen en te zingen. “En meer. Gelukkig is mij dat niet overkomen. Maar je was altijd bang dat je aan de beurt kwam. Over de verkrachtingen werd niet gesproken, maar ik zag meisjes soms heel droevig uit hun ogen kijken. Dan wist ik: met jou is iets verschrikkelijks gebeurd. Ik was de hele tijd mannen van me aan het afslaan, het kamp maakte me vroeg oud.”

Eelt op mijn ziel

Na een tijdje werden ze per trein naar een kamp in de bergen bij Bogor gebracht. “Het was er overbevolkt en smerig. We sliepen op matten op de vloer en ’s nachts liepen de ratten over ons heen. Iedereen leed aan dysenterie. Superhete rawitpepers hielpen daar tegen – ik eet ze nu elke dag tegen het coronavirus.”

In het kamp leerde ze twee dingen: nooit vertellen dat je honger hebt en nooit huilen. “Dat heb ik lang volgehouden. Ik kreeg echt eelt op mijn ziel. Ik heb veel empathie voor anderen, maar sta mezelf niet toe om te huilen. Voor mijn kinderen was dat een ramp; ik was streng voor mezelf en daardoor ook streng voor hen.”

Voor ze capituleerden, probeerden de Japanners nog om Joty en de andere kampbewoners op een schip te laden om dat op volle zee te laten ontploffen. “Dat weet bijna niemand. We waren naar Batavia gebracht en klaar om ingescheept te worden. Maar toen was opeens de oorlog voorbij.”

Ze herinnert zich dat ze naar de uitgang van het kamp liep en de poort wagenwijd openstond. Een paar Indische jongens vroegen of ze honger had. “‘Natuurlijk!’, zei ik. Zonder na te denken stapte ik bij hen in de auto. Ze brachten me naar hun huis waar hun moeder heerlijke Indische gerechten had bereid voor mensen uit de kampen. Er zat zo veel liefde achter. Ik heb me ongans gegeten.”

Terug naar Bandoeng

Omdat de Onafhankelijkheidsstrijd was uitgebarsten en het in Linggarjati onveilig was, keerde het gezin terug naar Bandoeng. Maar ook daar was het inmiddels een complete chaos. Pemoeda’s – nationalistische vrijheidsstrijders – schoten op iedere blanke of Indo. “We moesten op een avond het ziekenhuis in vluchten voor een menigte. Mijn broertje Wim, veertien jaar oud, kroop achter een mitrailleur bij de ingang en hield hen op afstand. Hij was zo moedig. Hij redde ons leven.” De stad werd verdeeld in een Nederlands en een Indonesisch deel. “Er kwamen buitenlandse soldaten om ons te beschermen en we pakten het leven zo goed en kwaad als het ging weer op. Ik heb mijn hbs afgemaakt, ’s avonds gingen we dansen met de soldaten, terwijl in de verte schoten klonken.” En toen had ze er genoeg van. “Eind 1946 zei ik tegen mammie: ‘Ik ga naar Nederland.’ Ik nam afscheid van mijn familie en ging naar Batavia. Daar vroeg ik de kapitein van een schip dat naar Nederland zou gaan of hij nog personeel nodig had. En zo begon ik aan mijn nieuwe leven.”

Wereldvrede

In Nederland studeerde Joty af in het Nederlands-Indisch recht. Omdat Indonesië onafhankelijk was geworden, had ze niets meer aan die studie en werkte ze tien jaar voor een internationale organisatie die zich inzette voor de wereldvrede. Daarna werd ze juridisch directiesecretaresse bij een groot Twents bedrijf. Ze trouwde op 34-jarige leeftijd en heeft twee kinderen en drie kleinkinderen. Ze zet zich nog steeds actief in voor oorlogsvluchtelingen, maar ook tegen de houtkap op Sumatra. “Ik wil de wereld netjes achterlaten voor ik naar de hemel ga.”

Oorlog na oorlog

In de Tweede Wereldoorlog zijn het in Nederlands-Indië niet de Duitsers die hun macht willen vergroten, maar de Japanners, die het voor het zeggen willen hebben in Zuidoost Azië en de westerse overheersers willen verdrijven. Op 7 december 1941 vernietigen de Japanners de Amerikaanse vloot in Pearl Harbour, waarna de Amerikanen Japan de oorlog verklaren. Nederland doet mee, maar na de verloren slag in de Javazee zijn de Japanners binnen een paar dagen de baas in Nederlands-Indië. De (Indische) Nederlanders worden onder erbarmelijke omstandigheden in jappenkampen geïnterneerd, waar een chronisch tekort is aan voedsel, water en medicijnen. Ook is er hongersnood onder de Indonesische bevolking. Japan geeft zich na de Amerikaanse atoomaanval in augustus ‘45 gewonnen, maar van een feestelijke bevrijding is in Nederlands-Indië geen sprake. De Indonesiërs hebben genoeg van de Nederlanders en de Bersiap breekt uit: een gewelddadige strijd waarbij tienduizenden (Indische) Nederlanders, maar ook Nederlandsgezinde Indonesiërs, Chinezen en Molukkers omkomen. Ook aan de kant van de Indonesiërs vallen tienduizenden doden door toedoen van Britse troepen. Even is het rustig, maar in 1947 laait de strijd opnieuw op en het zal tot december ‘49 duren voordat Nederland zich terugtrekt en onder internationale druk de onafhankelijkheid van Indonesië erkent. De onafhankelijkheidsoorlog leidt tot een massale repatriëring van (Indische) Nederlanders naar hun vaderland, waar velen van hen nog nooit zijn geweest. Ook worden ruim 12,5 duizend Molukkers – soldaten die dienden in het KNIL en hun gezinnen – naar Nederland overgebracht.

Lees meer op tweedewereldoorlog.nl

Interview: Bram de Graaf. Beeld: privébeeld Joty ter Kulve - van Os.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden