Zoals vogels vliegen over rouwen na MH17 Beeld Getty Images
Zoals vogels vliegen over rouwen na MH17Beeld Getty Images

MH17-nabestaanden Mirjam en Sandra kregen negatieve reacties op hun manier van rouwen: “Mensen vonden ons kil”

Iedereen rouwt op zijn eigen manier. In het boek Zoals vogels vliegen beschrijft journalist en schrijfster Els Quagebeur hoe de zussen Mirjam (29) en Sandra Ploeg (25) na de MH17-ramp omgingen met het verlies van hun ouders, broer en pleegbroer.

Daar had blijkbaar iedereen een mening over. “Wij kregen negatieve reacties op hoe wij omgingen met de dood van onze ouders”, vertelt Mirjam in het boek. “Mensen vonden ons afstandelijk of kil omdat we niet de hele dag huilden bij een altaartje.”

Doorgaan met leven

Op 17 juli 2014 werd de Malaysia Airlines-vlucht MH17 neergeschoten boven het oorlogsgebied in Oost-Oekraïne. In totaal vielen er 298 slachtoffers: 283 passagiers en 15 bemanningsleden. Hiervan hadden 193 slachtoffers de Nederlandse nationaliteit.

Mirjam en Sandra waren 22 en 18 jaar oud toen hun ouders, Edith en Alex, hun broer Robert en pleegbroer Robin omkwamen bij de aanslag op vlucht MH17. In één klap waren ze alles kwijt. Er volgde een heftige, intense en verdrietige tijd. Maar in een hoekje zitten huilen was niks voor de zussen Ploeg. Het verdriet en het gemis was (en is) er altijd, maar de zussen hebben er nooit hun levens door laten bepalen. Dat kon lang niet iedereen begrijpen. “Yo, doe geen aannames. Iedereen rouwt op zijn eigen manier”, legt Sandra uit.

Taboes en vooroordelen

Ze besloten hun verhaal te laten optekenen in een boek. In Zoals vogels vliegen vertellen Mirjam en Sandra over hun rouw, de bizarre omstandigheden na de aanslag, het nationale rouwpodium en de vooroordelen en taboes waar ze tegenaan lopen. Door het delen van hun verhaal hopen ze anderen te helpen.

Hieronder volgt een voorpublicatie uit het boek Zoals vogels vliegen, geschreven door Els Quagebeur.

De bitterballen van Mark Rutte

De zusjes en ik gaan het Nationaal Monument MH17 bezoeken, in Vijfhuizen, een dorp in de Haarlemmermeerpolder. Het is de eerste keer dat we elkaar niet op een scherm zien sinds het land is lamgelegd door de pandemie en de maatregelen tegen verspreiding van het virus.

We spreken af op Schiphol, vandaar is het twintig minuten rijden naar het monument. Sandra haalt me op in haar kleine rode autootje, bij de kiss & ride-strook voor vertrekhal 3. De luchthaven is uitgestorven, ze kan makkelijk even stoppen langs de stoeprand. Mirjam zit met haar lange benen opgevouwen op de achterbank. Ze wil per se dat ik voorin ga.

Toen ik door de draaideur naar buiten ging en twee beveiligingsmedewerkers zag roken naast een bloembak, nam ik me voor Mirjam te vragen of het hier was dat ze met haar kater zat te wachten terwijl Edith, Alex en de jongens hun bagage incheckten, maar ik vergeet het zodra ik ben ingestapt omdat we meteen over het virus beginnen te praten. We zitten nog niet op de A4 en het gaat al over eten: coronakilo’s door troostkoekjes, nooit meer uit eten (klaag klaag), iedereen die zich ineens inspant om expert te worden in zuurdesembrood, bakken en citroenen inmaken.

Lekker eten kan wel helpen bij stress en verdriet, zegt Sandra. Niet voor niets was tijdens nabestaandenbijeenkomsten de catering fenomenaal georganiseerd. “Soms stond er een Italiaanse kraam waar je een verse pasta kon laten maken speciaal voor jou, je kon sushi halen, er was een high tea selection en er waren altijd bitterballen. Ik weet nog dat prinses Beatrix er een keer bij was en Ruben tegen mij zei: ‘Wil je niet even met Bea praten? Die kans krijg je nooit meer.’ Ik zei: ‘Nou, daar zie ik een man met bittergarnituur, laten we die eerst even gedag zeggen.’”

Mirjam schiet in de lach. Zij heeft ook warme herinneringen aan de pastabar en de maki met zalm. Het lijkt niets voor te stellen, maar de gewaarwording dat de Nederlandse regering voor de nabestaanden wilde zorgen door ze lekker eten aan te bieden, gaf haar destijds een fijn en gerespecteerd gevoel. “Bij elke grote gebeurtenis in het leven hoort eten, toch? Het verbroedert en troost. Maar het was ook gek natuurlijk, sta je op een avond voor nabestaanden van de grootste vliegramp in de Nederlandse geschiedenis te dubben: zal ik high tea doen of een bordje spaghetti carbonara laten maken?”

Daar was het de overheid misschien wel juist om te doen: de kraampjes en schalen met van alles en nog wat maakte de bijeenkomsten iets lichter: mensen kikkeren op van iets lekkers, ook als ze diep verdrietig zijn. De zusjes hadden met veel nabestaanden onderonsjes over de kaasstengels of de taartjes, en dat droeg bij aan de onderlinge verbondenheid en het idee van: we are in this together, en we worden gezien, want kijk, Mark Rutte stuurt nog meer bitterballen.

Mirjam laat vanaf de achterbank een foto zien van het nabestaandenbuffet op de bijeenkomst waar ook prinses Beatrix was. “Na een x aantal keer werd de kwaliteit wel minder, hoor. Toen het geld op was kregen we gewoon koffie, thee en misschien een kadetje met iets.” De zusjes begrepen dat, maar een heleboel nabestaanden waren er verbolgen over; ze vonden dat ze recht bleven houden op de vorstelijke maaltijd waaraan ze gewend waren.

Ze wijst haar zusje aan welke afslag ze moet nemen en zegt dan: “Weet je nog, Sandra, dat we de boodschap kregen dat als er nog behoefte was aan warm eten daar een bijdrage van tien euro per persoon voor nodig was? Nou joh, de ophef daarover. Heel erg. Schandalig eigenlijk. Wij gingen in het begin ook wel naar de bijeenkomsten toe met nieuwsgierigheid naar wat we nu weer voor heerlijks zouden krijgen...”

Sandra: “We spaarden onze honger op!”

“Haha, o ja, dat is waar. Erg. Maar dat het ophield vonden we heel normaal. Dat buffet kostte elke keer duizenden euro’s aan belastinggeld.”

We zijn er bijna. Sandra omschrijft vast het ‘landschapsobject’, bedacht en gerealiseerd door de Stichting Nationaal Monument MH17. Het bestaat uit 289 bomen, voor elk slachtoffer één, geplant in de vorm van het lintje dat is gekozen als herinneringssymbool, zo’n lusje met gekruiste uiteinden, zoals je in het rood hebt voor het Aidsfonds. De bomen staan op grasstroken met grindpaden ertussen, op een lichte helling waardoor het idee van een amfitheater ontstaat, met in het midden een soort vliegende schotel. Ze vraagt aan haar zus of ze dat zo kan zeggen, of dat het lullig is voor de ontwerper. Mirjam vindt het niet lullig klinken want het klopt, het kunstwerk lijkt op een vliegende schotel, afgezien van het spiegelende vlak waarin de namen van de slachtoffers gegraveerd staan.

Sandra parkeert op het vrijwel lege parkeerterrein naast een woonwijk die eruitziet alsof hij net uit de verpakking komt. Het is ongezellig weer. Koude motregen en een harde, vlagerige wind waarvan je zin krijgt in een potje janken om niets. Sandra is niet gekleed op polderkou, in alleen een dun leren jasje met daaronder een T-shirt. Ze is er altijd slecht in zich op het weer te kleden, zegt ze. Mirjam geeft haar de wollen sjaal die ze zelf om had. We vragen ons af hoe het is om hier te wonen, naast het monument. Sandra denkt dat je daar vast snel aan went. Om de minuut raast er een vliegtuig over onze hoofden. Ze kijkt omhoog. “Daar wen je, denk ik, niet zo snel aan”, zegt Mirjam droog.

Bibberend sjleppen we op een rijtje, met Sandra in het midden, over het uitgestrekte terrein, in de richting van de bomen. Onderweg komen we langs drie mannen die iets onduidelijks doen in de grond met gereedschap en emmers. Ze groeten vriendelijk. De zonnebloemen, aangelegd rond het bomenlint, zijn nergens te bekennen. Dat klopt ook wel. Ze horen pas later in bloei te staan, rond 17 juli, net als toen in Oekraïne, maar er zijn ook geen stelen te zien, alleen zwarte aarde. Sandra vraagt zich af of de zonnebloemen zijn weggehaald omdat het geld op is. Mirjam herinnert haar aan de aankondiging van de stichting dat er niet meer elk jaar een herdenking zal zijn omdat het te duur wordt, er is al niet genoeg geld voor het onderhoud.

We stappen een grindpad op. De bomen zijn nog steeds klein en kaler dan ze verwachtte, zegt Sandra. “Het gaat nog wel wat jaartjes duren voor dit iets weg heeft van een bos.” In een koude wintermaand een paar jaar geleden zijn een aantal bomen doodgegaan. De bomen voor Edith, Alex en Robert overleefden de kou. “Of ze hebben nieuwe geplant zonder het aan ons te vertellen”, giechelt Mirjam. “Zoals ouders die stiekem de overleden hamster vervangen als de kinderen op school zitten.”

Welke boomsoort voor hun familieleden wortelt in de grond van Vijfhuizen weten de zusjes niet meer. Het herdenkingsbos is even divers als de passagiers op de vlucht. Wie welke boom kreeg, werd voor je besloten, volgens de zusjes na advies van bomenkenners die weten welke soorten goed naast elkaar gedijen. Slachtoffers die bij elkaar hoorden, kregen dezelfde boomsoort. Voor het planten waren een aantal dagen uitgetrokken, met twee tijdsvakken per dag. Nabestaanden konden zich inschrijven als ze erbij wilden zijn. De zusjes waren samen met nog zo’n vijfentwintig anderen. Wie wilde mocht zelf het gat graven waar de boom in moest, maar er waren ook vrijwilligers om dat te doen. Mirjam en Sandra wilden niet graven. Zij hebben wel hun bomen in de gaten gezet. Ze waren opvallend zwaar, ondanks de bescheiden grootte.

Zonder te hoeven zoeken lopen de zusjes naar het stukje bos voor hun familieleden, en voor Robin. Sandra gaat het rijtje af: “Dit is de boom van papa, deze is van mama, deze van Robert en die daarnaast van Robin.”Bijna alle MH17-bomen zijn tot persoonlijke monumenten gemaakt, met kaarsen in windbestendige houders, led-kaarsen, kunstbloemen, knuffeldieren, potjes met heide en vergeet-me-nietjes en heel veel foto’s in lijstjes. Vaak zitten de spullen in hersluitbare plastic zakjes om ze te beschermen tegen de elementen. De bomen van de familie Ploeg zijn enkel boom, zonder decoratie die aan een graf doet denken. Alleen aan een laaghangende tak van Roberts boom is een boterhamzakje geknoopt met daarin een foto. Sandra zet een stap naar voren: “Dat is niet Robert.”

Mirjam begint zenuwachtig te lachen. Sandra staart met grote ogen naar de foto. Ze zijn zichtbaar in verwarring. Aarzelend zet Sandra nog een stapje dichterbij, omkijkend naar haar zus. “Zal ik hem eraf halen?” Mirjam knikt: “Doe maar, want dit is wel heel apart.” “Het is echt niet Robert toch?” vraagt Sandra voor de zekerheid. Beslist schudt Mirjam haar hoofd: “Sowieso niet. Dit is een oudere man.”

Sandra knoopt het boterhamzakje los. Ze weet niet goed wat ze ermee moet. Er is nergens een vuilnisbak, en was die er wel, gooi je zo’n foto weg? De man is vast ook een slachtoffer. Ik steek mijn hand uit. Sandra geeft de foto aan mij, zonder iets te zeggen, en ik stop hem in mijn zak. Misschien kan ik hem straks ergens in het zicht leggen, zoals mensen doen die op straat een teddybeertje vinden dat door een kind in een wandelwagen is losgelaten.

We kijken naar de plaatjes bij de bomen waarop naam, nationaliteit, geboortedatum en sterfdatum vermeld staan. Sandra is nu ouder dan haar grote broer, die voor altijd eenentwintig blijft. Ze zegt dat het haar leuk lijkt een vogelhuisje op te hangen aan Roberts boom, of aan alle drie. Mirjam vraagt waarom, met spot in haar stem, hoewel ik zeker weet dat ze het niet geringschattend bedoelt. Sandra weet dat ook, want ze legt rustig uit waarom: “Nou gewoon, als er dan een vogelfamilie in komt broeden is dat toch gezellig? Ik vind dat veel mooier dan een foto in een plasticje.”

We lopen een stukje door, weg van de Ploeg-bomen. Om de paar meter komen we een boom tegen voor een kind van onder de tien, altijd met speelgoed en knuffels, meestal met een schattige foto. Freek, de vriend van Sandra, was daar erg van onder de indruk toen ze een paar maanden eerder het monument bezochten. Hij wist niet dat er zoveel jonge kinderen en ook baby’tjes op de vlucht zaten. Het monument deed hem – en Sandra nu ook – aan een begraafplaats denken. Mirjam bezocht het monument een keer op een mooie zomerdag. Het was er toen best druk, met wandelaars, fietsers, hardlopers, hondenuitlaters en zelfs een bootcampgroepje; alsof het een park is. Dat vond ze leuk, Mirjam wil liever een monument dat in beweging is dan een verstilde plek waar je wordt geacht je te gedragen alsof je een kerk binnenkomt.

Langzaam wandelen we naar het middelpunt van het monument: de vliegende schotel, half omgeven door een wand van gebogen staal die aan het werk van Richard Serra doet denken. Het idee is mooi, maar de aanblik vandaag is treurig. Er liggen bedorven bloemen over de grond verspreid, met daartussen kaarsenhouders die vol regenwater zijn gelopen. De afwatering rond de schotel loopt niet helemaal zoals het hoort ,want we staan in een laag water vermengd met rottende bladeren. Mirjam schudt haar hoofd. “Dit is troosteloos, zeg. Het afvoerputje loopt niet door, denk ik. Maar dat zal in de zomer hopelijk beter zijn, rond 17 juli.”

Sandra wijst meteen naar de namen van haar familieleden op het spiegelvlak. Mirjam staat ervan te kijken dat ze er niet naar hoeft te zoeken en vraagt of het toeval is. Dat is niet zo. Ze wist het gewoon, ook omdat opa en oma Cuijpers het object – zijzelf staan ernaast – lang als hun profielfoto hadden op WhatsApp.

De zusjes lijken er niet anders aan toe te zijn dan drie kwartier geleden in de auto. Ik pik geen stemmingsverandering op. Ze zijn beheerst, ongeveinsd en makkelijk pratend, zoals ik ze heb leren kennen. Mirjam zegt dat ze geen emoties voelt opwellen. Sandra ook niet. Dat had ze wel toen ze hier met Freek was, een bedrukt gevoel, net als toen ze het Holocaustmonument bezocht. We zijn natuurlijk op een zwaarbeladen plek, dat merkt ze wel aan haar stemming, zegt ze, niet eens zozeer door hun eigen leed. Ze zou dat ook hebben als Mirjam en zij niemand hadden verloren. In die zin snapt ze het nationale rouwgevoel rond MH17.

We kijken een tijdje naar de namen. Ze zeggen de zusjes weinig. Alleen Gary Slok kunnen ze onmiddellijk thuisbrengen. Naast hun vader is hij de enige andere niet-geïdentificeerde passagier, een vijftienjarige jongen uit Maassluis die met zijn moeder op vakantie zou gaan. Met de vader van Gary, die niet in het vliegtuig zat, hebben ze nooit gesproken op een nabestaandenbijeenkomst. In een kranteninterview met hem hebben ze gelezen dat hij het moeilijk vindt de dood van zijn zoon af te sluiten zonder dat er ook maar een stukje van hem is om te ruste te leggen.

Een van de vragen die de zusjes het vaakst voor hun kiezen krijgen is: “Vinden jullie het niet heel erg dat er niets van jullie vader is gevonden?” Natuurlijk is dat erg, antwoorden ze dan, maar het is allemaal erg, hun verdriet wordt niet kleiner of groter door de unieke situatie van Alex’ dood. Evenmin stoppen ze hun rationele benadering daarvan onder stoelen of banken: er is gewoon niets van hem gevonden, zo simpel is het. Een deel van de crash site is in de kerosinebrand zo chemisch besmet geraakt dat als ze daar al iets vonden het niet meer te identificeren was.

Hoe het kan dat hun familieleden naast elkaar zaten in het vliegtuig en niet alle vier in dezelfde staat terugkwamen, is een onbeantwoordbare vraag die hen in het begin soms bezighield, maar waar ze nu niet meer bij stilstaan. Waarom jezelf kwellen? Het heeft geen zin. Mirjam kijkt naar haar zusje, aan de andere kant van het spiegelvlak met de 289 namen. Ze glimlachen naar elkaar. “Misschien was papa net even een glas water halen toen de raket insloeg. Of naar de wc. Of zijn benen aan het strekken. We weten allemaal hoe je je gedraagt in een vliegtuig. Zoveel opties zijn er niet. Zelf loop ik ook altijd veel rond want ik kan niet goed stilzitten. Mijn vader had dat ook wel.”

De officiële instanties zoeken niet meer in het rampgebied. Wel gaat er af en toe nog een journalist of een ongeremde sensatiewellusteling rondscharrelen. Vindt zo iemand iets, komt het als het goed is terecht bij het MH17-onderzoeksteam, maar er zijn ook vinders die er foto’s van maken en op internet zetten met teksten als: ‘Oh my God, kijk nou, een brillenglas’. Voor zoveel lompheid en gebrek aan empathie hebben de zusjes geen goed woord over.

Hun nichtje studeert forensische wetenschappen, vertelt Mirjam. Het is voorgekomen dat docenten aan de hand van foto’s van MH17-slachtoffers uitlegden hoe identificeren in zijn werk gaat. “Ze is een paar keer de les uit gerend. Tegenwoordig vragen ze geloof ik of iemand in de zaal een van de slachtoffers kende. Wel handig in zo’n klein landje.”

We staan nog een tijdje zwijgend naast de zilveren schotel, in de beschutting van de wand, met onze schoenen in het water. Sandra is bijna doorzichtig van de kou, ondanks de warme sjaal van haar zus, maar ze klaagt niet. “Ze zouden hier een leuk koffietentje moeten neerzetten”, is het enige wat ze erover zegt. Mirjam knikt: “Met een wc. En bitterballen.” Iedereen lacht.

Dan lopen we door, naar het bord waarop met nummers staat aangegeven voor wie welke boomsoort is gepland. Het idee is dat gedurende elk seizoen een gedeelte van het bos in bloei staat. Edith, Alex en Robert zijn nummer 37: de sierappel, dezelfde als Robin. Mirjam knikt. Ze wist dat het iets met appel was. Sandra zoekt op haar telefoon naar de bijbehorende bloesem. Die kan wit, lichtroze of donkerroze zijn, maar is hoe dan ook mooi, een teer bloemetje met een geel hart.

Veel nabestaanden hebben de as van hun dierbaren onder de boom gestrooid of mee in het gat gestopt, zegt Sandra. Ze snapt wel waarom. Dan blijft het een plek waar je naartoe gaat als naar een graf, een prachtig graf als de bomen straks volgroeid zijn. “Ik ben echt blij dat we bomen hebben. Bomen blijven, en ze zijn altijd lief, er is niets fouts aan een boom. Kijk, onder die grote daar staan viooltjes. Dat ziet er schattig uit. Zoiets zou ik ook wel willen.”

De as van Robert en Edith staat in strooikokers van het crematorium bij Mirjam op zolder, naast speelgoed dat ze heeft bewaard voor kinderen van vrienden die op bezoek komen, of voor later, als Sandra en zij zelf kinderen hebben.

Mirjam en Sandra willen de as het liefst uitstrooien op een plek die kenmerkend is voor hun gezin, maar ze vinden het moeilijk te beslissen welke. De zusjes vinden het gênant worden dat de strooikokers al zo lang op zolder staan. Elke keer dat Mirjam iets moet hebben uit de kast denkt ze eraan. Een fijn stekkie op aarde met betekenis voor hen als vijftal, een plek waar ze samen iets leuks deden, zo moeilijk kan dat toch niet zijn.

Gersfeld zou kunnen, een stad in het Rhön-gebergte, midden in Duitsland, waar ze vroeger vaak op vakantie gingen. Hét succesnummer van Gersfeld was voor de kinderen Ploeg de plaatselijke rodelbaan. Samen of alleen in een karretje en dan met een rotgang naar beneden en vooral niet remmen in de scherpe bochten. Tijdens vakanties in het gebied ging de familie er om de paar dagen naartoe. Alex en Edith in de zon met een boek, en iets lekkers uit het restaurant, Mirjam, Robert en Sandra op een dagkaart rodelen tot ze scheel zagen. Af en toe gingen Alex en Edith ook een rondje, en dan ook keihard en niet matigen in de bochten, met respect van de kinderen als beloning.

De zusjes weten zeker dat hun ouders en broer even heerlijke herinneringen hadden aan die dagen rond de rodelbaan als zij. Het klinkt als de plek bij uitstek om de as uit te strooien. Misschien wel vanuit zo’n karretje, opper ik. Daar moeten Mirjam en Sandra om lachen: “Jij hebt duidelijk nog nooit in een rodelkarretje gezeten.” Ze willen in elk geval graag weer eens naar Gersfeld, ook om de plek aan hun mannen te laten zien. Of er dan twee strooikokers meegaan in de achterbak zien ze nog wel.

Het boek Zoals vogels vliegen van Els Quagebeur ligt vanaf 27 september 2021 in de boekhandels.

Mark Rutte: “MH17 is het verschrikkelijkste wat ik heb meegemaakt”

Bron: Zoals vogels vliegen, de Volkskrant.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden