null Beeld

Myrna Tugendhaft-Reens (82) overleefde een concentratiekamp: “Vrouwen zakten uitgeput in elkaar”

De Joodse Myrna Tugendhaft-Reens (82) overleefde concentratiekamp Bergen-Belsen. Nu vertelt ze haar verhaal op scholen, zodat niet wordt vergeten wat de Joden in de Tweede Wereldoorlog is aangedaan.

“Kende u Anne Frank?” vraagt een leerling.

“Die zat een tijdje in hetzelfde kamp als ik, maar in een ander gedeelte”, antwoordt Myrna.

Een leerling: “Droeg u ook een ster?”

Myrna: “Dat moest pas als je 6 jaar was. Toen zat ik al in het kamp.”

Een leerling: “Was u ook zo dun?”

Myrna: “Ik was vel over been.”

Een leerling: “Dat is best zielig. Eigenlijk zou u dood moeten zijn.”

Myrna: “Als het langer had geduurd, was ik dood geweest, ja. Gelukkig werd ik door de Amerikanen bevrijd.”

Een leerling: “Ik vind het knap dat u niet huilt.”

Myrna: “Ik heb genoeg gehuild, hoor. En ik huil nog steeds soms.”

Op scholengemeenschap Sint Ursula in Heythuysen, Noord-Limburg, zit de 82-jarige Myrna Tugendhaft-Reens aan een tafel met haar man Mattie, met wie ze 58 jaar is getrouwd. Om hen heen zitten 12 kinderen van de eerste en tweede klas van het vmbo. Mattie en Myrna zijn hier om hun verhaal over de holocaust te vertellen. Want wat er toen is gebeurd, mag nooit meer gebeuren, vinden ze. Elders in de aula zitten andere ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog, allemaal veteranen van ver in de 90 die hebben gevochten in die oorlog. Myrna en Mattie zijn de enige Joodse mensen. Ze komen hier elk jaar op uitnodiging van de plaatselijke Stichting Herdenkingsmonument Militairen. Myrna ziet er zoals elk jaar tegenop om hier haar verhaal te doen. “Ik ben niet dol op de schoolbezoeken”, zegt ze eerlijk. “Kinderen zijn snel afgeleid en dat vind ik lastig. Het is niet het makkelijkste verhaal.”

Daarom doet ze het deze keer anders. Niet alleen aan een tafel zoals in de voorgaande jaren, maar samen met Mattie. Hij is begonnen met zijn verhaal. Mattie vraagt wat de leerlingen over de oorlog weten en vertelt over Hitler. Hij vraagt of ze hebben gehoord wat er met de Joden is gebeurd. De kinderen knikken. “Hebben jullie weleens Joodse mensen gezien?” vraagt hij. Ze schudden hun hoofd. “Nou, wij zijn Joods”, zegt hij. “Zien wij er anders uit?”

“Nee”, klinkt het in koor. Mattie, die in 1937 in Maastricht is geboren, vertelt over zijn onderduiktijd. Zo overleefde hij de oorlog. Daarna is Myrna aan de beurt.

Van Westerbork naar Bergen-Belsen

Thuis in Amstelveen. Ze is in Rotterdam geboren en is enig kind. Omdat haar moeder Dolly Gosler Brits was, spreek je haar naam op zijn Engels uit, zodat het klinkt als ‘Murna’. Toen in september 1939 de Britten Duitsland de oorlog verklaarden nadat Hitler Polen was binnengevallen en Nederland mobiliseerde, wilde Dolly met haar gezin terug naar haar geboorteland. Maar Groot-Brittannië ving geen buitenlandse Joden op, dus was Myrna’s vader Joseph niet welkom. “Uit liefde voor hem is ze in Nederland gebleven”, zei Myrna. “Ze wilde hem niet in de steek laten. Maar niemand wist toen natuurlijk nog wat die Duitsers van plan waren.”

Myrna herinnert zich begin april 1943: ze was 5 jaar en de Duitsers stonden bij hen op de stoep. Ze moesten allemaal meekomen. Haar moeder zei dat ze 1 speelgoedje mocht meenemen. In de haast pakte Myrna haar blik en vegertje. Ze zat daarna in een bus bij een Duitse militair op schoot, tegenover haar ouders. Ze werden naar Loods 24 gebracht, de verzamelplaats voor de opgepakte Rotterdamse Joden. Vandaar ging het naar Kamp Westerbork, waar ze op 10 april aankwamen. Ze zat met haar ouders in barak 61, die was bestemd voor Engelse Joden. “Later heb ik begrepen dat we als ‘wisselgeld’ dienden voor opgepakte Duitsers in Engeland.”

Haar vader deed administratief werk in het kamp. Zo kon hij lang voorkomen dat ze op transport werden gesteld naar de concentratiekampen in het oosten. Maar op 11 januari 1944 moest het gezin Reens naar Bergen-Belsen. Myrna herinnert zich dat het tijdens de reis ijskoud was en het heel lang duurde. Bergen-Belsen was vanaf midden 1943 ook een concentratiekamp. Meer dan 70.000 mensen kwamen hier om door honger en uitputting. Omdat de Engelse Joden ‘bruikbaar’ waren voor de Duitsers werden ze in verhouding ‘redelijk’ behandeld, al waren de omstandigheden voor hen er minstens zo verschrikkelijk.

Myrna, die met haar moeder een bed deelde, vertelt over luchtaanvallen op fabrieken bij het kamp, waarbij ze met haar moeder onder de tafel kroop. Ze kregen nauwelijks te eten: elke dag een waterig soepje waarin koolraap of grassprietjes dreven. “Ik heb veel voor Mattie gekookt, maar nooit koolraap. Ik krijg het niet meer weg.” Ze konden zich nauwelijks wassen. Hoewel hun haren niet zoals bij andere concentratiekampgevangenen waren afgeschoren, deden veel vrouwen dat wel om geen last van luizen te krijgen. Die waren er desondanks genoeg, want al die tijd droegen ze dezelfde kleding en schoenen. “Ondanks het weinige eten groeide ik wel. Mijn schoenen deden veel pijn en mijn vader knipte toen de voorkant eraf. Ik heb nog steeds last van slechte voeten, mijn tenen zijn krom gegroeid.”

Bijzondere gevangenen

Myrna’s moeder verzwakte. Ze spaarde eten uit haar mond voor haar dochter. In maart 1945 was haar moeder zo uitgeput, dat ze werd opgenomen in de ziekenbarak. Haar vader ontfermde zich over zijn dochter en verborg haar in de mannenbarak. Op een dag werd hij weggeroepen door iemand die in de ziekenbarak werkte. Toen hij terugkwam vertelde hij Myrna dat haar moeder was overleden. Het beeld van haar moeders lichaam dat op een kar langs de buitenkant van het hek wordt weggevoerd naar het massagraf, terwijl ze zelf aan de binnenkant van het kamp meeloopt, roept nog altijd tranen bij haar op.Bergen-Belsen was tegen die tijd overvol. Omdat de Russen de Duitsers in het oosten terugdrongen, waren gevangenen uit kampen als Auschwitz naar Bergen-Belsen overgebracht. Op 7 april 1945 besloten de Duitsers een deel van de ‘bijzondere’ gevangenen te evacueren. Met haar vader en 2.500 anderen werd Myrna op een trein naar Maagdenburg gezet. De meeste gevangenen zaten in beestenwagons, Myrna had geluk en werd vervoerd in een personenwagon. Ze wisten niet dat de trein vol explosieven zat waarmee de Duitsers een brug over de Elbe wilden opblazen, zodat de Russen er niet overheen konden. Zo zouden ze meteen bewijsmateriaal van de holocaust vernietigen. De brug werd nooit bereikt. De Russen waren al zo ver opgerukt dat de trein na 6 dagen bleef staan in de buurt van het Duitse plaatsje Farsleben. De gevangenen kregen nauwelijks eten en er waren geen sanitaire voorzieningen. Op 13 april werden ze door Amerikaanse troepen gevonden. “Vanwege de wagons dachten ze beesten te vinden. Ze waren stomverbaasd mensen aan te treffen. Er lagen ook 133 lijken in de trein. De stank was ondraaglijk.”

Terug naar Rotterdam

De Amerikaanse commandant Frank Towers had zijn pistool gepakt en dat tegen het hoofd van de burgemeester van Farsleben gezet. “Je zorgt dat deze mensen worden gevoed en opgevangen”, had hij gezegd. Ook moesten de inwoners van het dorp de lijken langs het spoor begraven. Myrna werd door haar bevrijders overladen met snoep en eten, maar haar maag was niets meer gewend. Ze had alles uitgekotst en was, net als veel anderen, in het ziekenhuis beland. Toen haar maag na een paar dagen was hersteld, begon ze met haar vader aan de terugtocht naar Nederland. In Rotterdam bleken er andere mensen in hun huis te wonen.

Ze konden bij aardige buren op de zolderverdieping terecht. “We hadden niets meer. Ik miste mijn moeder vreselijk. Lang heb ik niet precies geweten wat er nu allemaal was gebeurd. Mijn vader leed aan nachtmerries, daarom durfde ik hem niets te vragen.” Joseph Reens, die als enige van 9 broers en zussen de oorlog overleefde, hertrouwde met een weduwe die Myrna liefdevol opvoedde. “Maar het duurde heel lang voordat ik haar mama kon noemen.”

Ook met Mattie, wiens hele familie van moeders kant was uitgeroeid, sprak Myrna zelden over het verleden. Ze kregen 2 zoons en hebben inmiddels 7 kleinkinderen en vier achterkleinkinderen. Myrna is 1 keer terug geweest in Bergen-Belsen. “Ik wilde nog 1 keer dicht bij mijn moeder zijn. Ze ligt in een massagraf, waar is niet duidelijk.” Pas 15 jaar geleden, toen ze voor het eerst werden uitgenodigd voor deze internationale herdenking in Limburg, begonnen beiden over hun ervaringen te praten.

Dankbaar

De leerlingen in Heythuysen hebben ademloos naar de verhalen van Myrna en Mattie geluisterd. Ze hebben veel vragen, vaak heel direct. “Jullie hebben goede vragen gesteld”, zegt Mattie na afloop. “Het is belangrijk dat jullie van ons verhaal leren. We zijn oud en kunnen dit niet lang meer doen. Onthoud dat je niemand mag pesten omdat hij of zij anders is. Wij zijn 5 jaar lang gepest. Laten we ervoor zorgen dat we vrienden blijven. En dat we respect hebben voor elkaar.”

Myrna is opgelucht dat het er weer op zit. “Hoe ouder ik word, hoe emotioneler ik ben als ik het verhaal vertel. Maar ze waren echt geïnteresseerd. Daar ben ik dankbaar voor en het ontroert me. De wereld mag niet vergeten wat men de Joden heeft aangedaan. Niemand is destijds voor ons opgekomen. En als we goed kijken, begint de toestand zich weer aardig te herhalen. Het antisemitisme groeit weer. Daarom zal ik dit blijven doen, zolang mijn gezondheid dat toelaat.”

Interview: Bram de Graaf. Beeld: Gerard Wessel

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden