null Beeld

Nico Dijkshoorn: “Ik heb niks met dat mannen- gedoe”

Nico Dijkshoorn (60) omschrijft zichzelf als een echte vrouwenman. Best logisch dus dat hij als columnist voor Libelle aan de slag gaat. “Ik denk dat ik veel ga schrijven over mijn moeder, mijn vriendin en mijn dochter.”

In de Leidse galerie waar we hebben afgesproken scharrelt een man met warrig haar rond in een zwarte trui en spijkerbroek, die me hartelijk toeknikt. Het is Nico Dijkshoorn, bijna onherkenbaar zonder bril en met een vriendelijke, bijna kwetsbare blik in zijn ogen. Hoe anders dan de schrijver die bij De wereld draait door elke woensdagavond de gasten becommentarieerde – vaak vol lof, soms met venijn. Met zijn typische stemgeluid vraagt hij of ik een kop koffie wil en gaat op zoek naar een mes voor de gevulde speculaas die ik heb meegebracht. “Jij dacht zeker: Nico Dijkshoorn is vast een gevulde-speculaas-man.”

Uit je columns en boeken rijzen twee Nico’s op: een man die lak heeft aan alles en een wat verlegen, gevoelige man.

(Verrast) “Dat is een goede observatie. De eerste Nico die je schetst, is de man die ik vaak in mijn stukjes ben. De tweede is de Nico die bij de slager in de rij staat en tegen zes mensen zegt: ‘Gaat u maar voor.’ Dat ik nu een bekende kop heb, heeft wel geholpen om over mijn verlegenheid heen te komen. In de platenzaak weten ze inmiddels dat ik deug, ondanks mijn wat onhandige voorkomen.”

Verlegen en onhandig?

“Tot aan de havo in Amstelveen was ik onzichtbaar – ik denk dat niemand weet dat hij met mij op school heeft gezeten. Maar in vier mavo moesten we een opstel schrijven over onze schooltijd. Tijdens de diploma-uitreiking, mijn moeder was erbij, werd mijn verhaal voorgelezen in een volle aula. Holy shit, toen merkte ik hoe lekker dat was. Voor mij was dat levensveranderend.”

Je vader was automonteur, je moeder werkte in een stomerij. Boeken lezen en stukken schrijven moet vrij ongewoon zijn geweest in jouw milieu en op die mavo.

“Ik ging naar de mavo omdat wij een arbeidersgezin waren, en ik gok dat mijn verlegenheid niet geholpen zal hebben bij het oordeel van de juf op de lagere school. Bovendien praatte ik plat Amsterdams – we woonden in de Pijp voordat we naar Amstelveen verhuisden. De juf wilde me zelfs op spraakles doen. Ook toen ik later in de bibliotheek werkte, merkte ik dat mensen je dommer inschatten als je plat praat. Als je dan een Russische schrijver citeert, levert dat verbaasde blikken op.”

Jij werd niet gestimuleerd om te lezen, jij moest honkballen…

“Mijn vader was er trots op dat hij nog nooit een boek had gelezen. Bij ons thuis draaide alles om honkbal. Het was mijn oom Wim, de broer van mijn moeder, die zag dat ik intellectueel moest worden gevoed. Oom Wim werkte bij Reader’s Digest, later ging hij aan de dope en werd hij alcoholist, maar hij gaf mij boeken van Ernest Hemingway toen ik een jaar of veertien was.”

Toen je nog bij de bibliotheek werkte, schreef je ’s nachts online stukken. Commentaar op het tv-programma Big Brother, later stukjes op GeenStijl, een website met seksistische mannengrappen. Toen werd je gevraagd voor de Volkskrant en De wereld draait door en nu ga je voor ons een column schrijven. Je komt van ver, Nico.

“Bij Libelle vroegen ze me of ik een stukje wilde schrijven voor een bijlage over vijftig jaar Dolle Mina. Als ik een lul was geweest, had ik wat foute mannengrappen opgetikt. Maar nee, ik schreef een mooi stukje over mijn moeder. Ik merkte de verbazing: dat is toch die gozer die altijd zat te schreeuwen bij DWDD? Toen boden ze me een wekelijkse column aan. Man, ik kwam juichend de trap af naar Tanja: ‘Ik ga voor Libelle werken!’”

(Hij stopt nog een stukje speculaas in zijn mond): “Ik denk dat ik veel over mijn moeder ga schrijven. En over mijn dochter Marlon, en over Tanja natuurlijk.”

Je noemt jezelf een vrouwenman.

“Ik loop liever zes uur met Tanja of Marlon in de stad dan dat ik vier uur lang met mannen in de kroeg zit. Ik heb niks met mannengedoe, over versnellingen lullen en met twaalf man naar voetbal kijken. Met vrouwen heb je een heel ander gesprek, die hebben niet de neiging om constant allerlei feitjes op te lepelen. Voor een vrouw is een motor een ding waar je achterop kunt zitten en romantisch mee naar de horizon kunt rijden, terwijl een man toch denkt: hoe zou de bandenspanning zijn?”

Romantisch beeld: man en vrouw samen op een motor, richting ondergaande zon.

“Dat beeld komt vaak terug in mijn boeken: man op brommer met een vrouw achterop, haar armen om zijn middel. Dat is toch wel het ultieme geluk, intimiteit zonder dat je elkaar hoeft aan te kijken. Ik ben weleens met een meisje achterop van Callantsoog naar Schagen gefietst, een pokkeneind. Maar dat hoofdje tegen je rug, daar doe je het voor.”

Tanja, je vriendin, speelt een grote rol in je boeken en columns. Zij is je kompas, zo lijkt het. Hoe heb je haar versierd?

“Met (maakt een typebeweging met tien vingers)… Tanja had een van de allereerste kookblogs op internet. Ze las mijn stukken over Big Brother en zo leerden we elkaar kennen. We hebben jarenlang gemaild zonder elkaar ooit te ontmoeten. Pas toen het stukliep met Orlanda, mijn ex, zeiden we tegen elkaar: nu moeten we elkaar maar eens zien. We waren al vrienden, vertelden elkaar dingen uit ons privéleven, maar ze was toch wel een beetje bezorgd over wie ik nou echt was, of ik niet zo’n man zou zijn die door het café schreeuwt dat de bitterballen niet op temperatuur zijn.”

Wat doet Tanja?

“Eh, ze is… kom, hoe heet dat nou… Iemand die de dokter helpt.”

Een praktijkondersteuner, een POH?

“Precies, ze zal me wel killen dat ik dat niet precies weet. Ik heb een blinde vlek voor afkortingen. Daarvoor werkte ze bij de crisisdienst, moest ze naar volkomen doorgedraaide jongens toe. Als Tanja ’s avonds de trap op komt heeft ze die dag zeven erge verhalen gehoord, terwijl ik sta te roepen: ‘Libelle heeft gebeld!’”

Het klikte dus bij die eerste date.

“We waren eigenlijk al verliefd, we moesten alleen checken of we ook fysiek door een deur konden. Godzijdank zijn we

allebei mensen die niet vallen op puur het fysiek van een ander. Ik heb nooit begrepen dat je valt op een kont, of op borsten, daar snap ik helemaal niks van. Die eerste keer gingen we wandelen langs het strand. Ik had een volkomen verkeerde broek en jas aan, maar Tanja zag er stunning uit in een Afghaanse jas tot op de grond. En ja, alles klopte.”

Werd ze meteen geaccepteerd door je kinderen?

“Ik woonde toen in een flatje in Amstelveen, dicht bij mijn ex. We hadden geen vechtscheiding, maar het was toch heftig voor ze. Pas toen alles weer harmonieus was, heb ik gezegd: ik heb een nieuwe vriendin. Vanaf het eerste moment was er een krankzinnige klik. Het klinkt mierzoet, maar verjaardagen bij ons, dat is Tanja en mijn ex samen aan een aanrecht lekkere dingen maken, terwijl ik met Orlanda’s vriend over Ajax zit te lullen.”

Je bent naar Leiden verhuisd om Tanja. Kun je er aarden?

“Nou, Amstelveen is natuurlijk niet meer dan een winkelcentrum met wat huizen eromheen, en Leiden is écht mooi. Maar het is dat Tanja hier werkt en woont, anders had ik nog steeds op dat flatje gezeten. Eigenlijk wil ik nooit verhuizen; ik wil een tafel in de grond schroeven, mijn armen eromheen en nooit meer weg.”

Je schrijft vier, vijf columns per week. Is dat niet zenuwslopend?

“Nee joh, ben je gek. Als ik één ding weet, is het dat ik kan schrijven. Voor de rest twijfel ik aan alles, en vind ik alles eng. Op vakantie gaan is voor mij de hel, ik denk altijd dat alles mis zal gaan: dat er geen kamer zal zijn, dat het huisje niet vrij is, dat we panne krijgen. Maar met schrijven heb ik een grenzeloos zelfvertrouwen. Ik word vaak ingehuurd om bij congressen de boel te becommentariëren, heerlijk vind ik dat: de hofnar zijn die commentaar levert op mannetjes die met slides zo’n zaal vervelen.”

Verveelt het nooit, het observeren van de menselijke lulligheid?

“Nou, mijn meeste stukjes gaan toch over mijn moeder of vader. Over menselijk leed.”

In 2012 schreef Dijkshoorn Nooit ziek geweest, een boek over zijn vader Klaas. Ogenschijnlijk een joviale man die met z’n Amsterdamse humor iedereen inpakt, maar de schrijver zet hem neer als egocentrische narcist die alle aandacht opeist en die sadistische grappen met zijn zoon uithaalt. Ooit gelukkig (2019) moest het boek over zijn moeder Nel worden, maar tijdens het schrijven kreeg Dijkshoorn meerdere TIA’s die zijn leven op zijn kop zetten.

“De kritiek was: het gaat niet over je moeder maar over jou, egoïstisch mannetje! Zo zie ik het helemaal niet: ik wilde een mooi boek over mijn moeder schrijven en toen ging ik bijna dood.”

Na die TIA’s riep je dat je een ander mens was geworden. Beklijft zo’n gevoel, of blijf je toch de oude Nico?

“Nee, de angst regeert altijd: elk moment kan ik weer zo’n TIA krijgen, ze hebben niet iets gerepareerd of zo. Ik heb last van stotterende TIA’s, soms blijft er een klontje vastzitten in een vernauwde ader. Als dat er weer doorheen schiet, is er niks aan de hand. Maar elk moment kan zo’n klontje blijven hangen. Dat heeft invloed op hoe je door het leven beweegt. Als ik duizelig word, raak ik al in paniek. Voor die angst ben ik twee jaar in therapie geweest, elke woensdagochtend – eerst traumatherapie, want ik durfde niet meer in de trein, het zat me in de weg als ik optrad in het theater. Die man zag algauw: hier is meer aan de hand. Uiteindelijk heb ik twee jaar over mijn vader zitten praten.”

Is je grootste angst dat je op je vader lijkt?

“Het is een belangrijke vraag voor mij: in hoeverre lijk ik op mijn vader? Ik weet van mezelf dat ik soms te veel plaats inneem, te veel aan het ouwehoeren ben. Bij DWDD leek ik op mijn vader in het kwadraat, een man die zat te oreren op een verhoging en niemand die hem tegensprak. Mijn antwoord op jouw vraag: mijn vader zag niemand, terwijl ik juist álles en iedereen zie. Je onzekerheid, je bravoure. Ik ging eens met mijn dochter een kamer bezichtigen, er stonden wel vijftig mensen in die kamer. Dat ontroerde me, want ik wist hoe graag mijn dochter die kamer wilde. Dat verdriet van haar, van al die mensen, dat komt zo heftig bij mij binnen. Ik praat er dan niet over met haar, maar een dag later leest zij in een column dat ik heb gezien hoe ze eventjes aan de vensterbank voelde, een mooie oude vensterbank. Via mijn columns en boeken praat ik vaak met mijn kinderen en Tanja. Mijn kinderen hebben pas in Ooit gelukkig gelezen hoe ik eraan toe was, met die TIA.”

Je gevoeligheid kun je alleen tackelen door te schrijven?

“Ja, dan kan ik intieme dingen delen, ook met een groot publiek. Daarin lijk ik dan weer op mijn vader, ik heb dezelfde drang om gehoord te worden. Voor mij is het belangrijk om het verschil te benadrukken, er zit een enorme gevoeligheid onder al die humor. Lees mijn boeken, dat is één open wond. Hoe kun je me dan zien als een vent die alleen maar ruimte inneemt en tekeergaat?”

Je zegt: ik ben een gevoelige observator. Toch gaat Ooit gelukkig over de immense spijt over alles wat je niet aan je moeder hebt gevraagd of gezien.

“Tot aan haar dood was ik ijskoud. Ik zat met een enorme woede over mijn vader, mijn opvoeding, mijn moeder.”

Waarom was je boos op je moeder?

(Driftig) “Wat was dat voor gekeutel haar hele leven achter die man aan? Mijn moeder kon heel goed patroontekenen, ze werkte ooit voor de halve PC Hooftstraat. Uiteindelijk deed ze er niks meer mee. Ze leefde voor mijn vader en haar drie zoons. Als ze een paar wijntjes ophad, begon ze er altijd over dat ze in Zwitserland was geweest. Dat was het mooiste wat haar was overkomen.”

Was ze daar op vakantie? Of zat ze in een sanatorium?

“Dat had ik moeten vragen! Hoe simpel was dat geweest, als ik één keer aan haar had gevraagd: ‘Nel, wat deed je daar in Zwitserland?’ En toen ging ze dood. Nadat ik zelf die TIA’s had gehad en had meegemaakt hoe kwetsbaar je bent, realiseerde ik me hoe fijn het is als kinderen vragen aan je stellen. Ze had drie zoons die niks aan haar vroegen. Ik heb haar nooit gevraagd hoe haar leven was voordat ze Klaas ontmoette. Vreselijk, niemand zag haar staan. Wij waren helemaal vol van onze eigen gevatheid en die Amsterdamse leut. Gelukkig is er nu een generatie Dijkshoorn 2.0.”

Hoe ziet die generatie eruit?

“Mijn zoon en dochter stellen wél vragen. Op een gegeven moment waren we met zijn drietjes aan het eten, we zaten nog wat op de bank, ik zag ze elkaar even gespannen aankijken, en toen zeiden ze tegen me: ‘We vinden dat je te vroeg uit Amstelveen bent weggegaan. We waren nog te jong, veertien en twaalf. We wilden een vader die in de buurt was, je hebt toen te veel voor jezelf gekozen.’ Toen dacht ik: ik heb fouten gemaakt, maar dit heb ik goed gedaan, ik heb kinderen die dit tegen mij durven zeggen. Ik ging ontroerd en bijna juichend naar huis. Objectief durf ik te zeggen: ik zie mijn kinderen. En dat laat ik hen voelen en weten. Dát is het grote verschil met mijn vader.”

Interview: José Rozenbroek. Fotografie: Ester Gebuis.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden