null Beeld

Nicoles broer koos voor euthanasie: “Ik heb hem zo vaak geprobeerd te helpen, maar het was steeds zinloos”

De broer van Nicole (50) was drugsverslaafd en depressief. Met hulp van een arts maakte hij een eind aan zijn leven. “Waarom heb ik nooit bij hem aangebeld toen ik wist van zijn plan?”

“Het was een onwerkelijke situatie: ons hele gezin zat in Michels woonkamer te wachten tot de psychiater hem het dodelijke drankje zou geven. We dronken koffie, zo raar, we dronken gewoon koffie en aten cake! Mijn moeder praatte aan een stuk door, mijn vader en ik waren juist stil. Volgens het protocol moest de psychiater nog één keer vragen of mijn broer het écht zeker wist. ‘Ja’, zei hij vol overtuiging. Maar toen ze hem het bekertje wilde geven, stond hij op omdat hij nog naar de wc wilde. Even dacht ik: zie je wel, hij durft niet. Hij gaat ervandoor! Maar hij kwam terug, gaf ons allemaal een knuffel en nam het drankje. Hij zat tussen mijn ouders op de bank. Langzaam vielen zijn ogen dicht, hij brabbelde nog wat. We legden hem languit, mijn vader zat aan het hoofdeind, mijn moeder aan het voeteneind. Ik zat op de grond en hield zijn hand vast. Toen begon het wachten.”

Binnenvetters

“Als kind was Michel een rustige, lieve en zorgzame jongen. Een beetje verlegen ook. Ik denk dat hij toen al onzeker was. Toen hij nog heel jong was, kwam aan het licht dat hij een ernstige heupafwijking had. Daardoor trok hij met zijn been. Als we buiten speelden en balletjetrap deden, was hij altijd de langzaamste. Meedoen met voetballen ging niet. Hij had genoeg vriendjes in de buurt en is op school nooit gepest, maar hij vond het vreselijk dat mensen hem op straat nakeken. Door die heupafwijking is hij vaak geopereerd, hij lag soms weken in het ziekenhuis. In die tijd kon je als ouders niet dag en nacht bij je zieke kind zijn, maar kwam je alleen langs tijdens het bezoekuur. Dat moet een behoorlijke impact hebben gehad.

In zijn puberteit had Michel een grote vriendengroep met stoere, populaire jongeren. Zelf was hij een stuk alternatiever; hij hield van hardrock, had lang haar en droeg zwarte kleren. Hij koos er zelf voor om er anders uit te zien, maar kon zich tegelijkertijd ook druk maken over wat anderen daarvan vonden. Ik denk dat hij toen al niet lekker in vel zat, dat hij zoekende was, maar ik heb het hem nooit gevraagd. We zijn geen praters. Mijn moeder heeft als kind geleerd dat je je emoties niet toont, andere mensen mogen haar niet zien huilen. Ook mijn vader komt uit een familie van binnenvetters. Dat Michel worstelde, zagen ze – denk ik – als iets tijdelijks dat zichzelf wel weer zou oplossen. Ik heb later, toen het veel slechter ging met Michel, weleens aan ze gevraagd of ze zelf geen behoefte hadden aan psychische hulp. ‘We zijn toch niet gek’, zei mijn moeder toen.”

“Na de havo schreef Michel zich in voor een sociale opleiding, hij wilde mensen helpen. De opleiding haalde hij niet en het ging snel bergafwaarts met hem. Toen ik 21 jaar was, vertelden mijn ouders me dat Michel aan de drugs was. Ik had daar nooit iets van gemerkt. Hij zou gaan afkicken en het zou snel opgelost zijn, zeiden ze. Het liep anders. Soms was hij een tijdje clean, maar hij begon altijd weer en uiteindelijk raakte hij verslaafd aan heroïne. Hij loog en bedroog en deed van alles om aan geld te komen. Van ons heeft hij nooit geld gestolen, maar er is weleens een inbraak bij ons geweest waarbij we hem van betrokkenheid verdachten. Toch zijn mijn ouders hem altijd blijven steunen. Ik vond dat moeilijk, ik had het gevoel dat ze veel van zijn gedrag vergoelijkten. In het begin had hij nog weleens een baantje, later was hij daarvoor te verslaafd. Soms deed hij een poosje vrijwilligerswerk, zoals schilderwerk op de camping waar wij allemaal een seizoenplek hadden. Door zijn beperking ging dat niet lang goed en dan zat hij weer helemaal in de put, terwijl ik dacht: vind je het gek? Het is alsof Michel zichzelf en zijn beperking nooit heeft kunnen accepteren. Hij wilde zich steeds opnieuw bewijzen. Ik ontwikkelde een haat-liefdeverhouding met hem. Ik hield van hem als mijn broer, maar ik haatte de manipulatieve verslaafde die hij óók was. Zo vaak heb ik geprobeerd hem te helpen, maar het was steeds zinloos. Dus gaf ik het uiteindelijk op.”

IJskoude blik

“Toen mijn ouders me vijf jaar geleden vertelden dat Michel erover dacht om met hulp van een arts een eind aan zijn leven te maken, schrok ik enorm. Maar ik begreep zijn doodswens. Hij wilde graag een normaal leven en dat lukte niet. Ook zijn psychiater vond dat er geen zicht was op verbetering van zijn depressies en angsten. Mijn broer had niets om voor te leven: geen partner, geen kinderen, vrienden of kennissen, geen werk, gewoon helemaal niets. Hij had al verschillende zelfmoordpogingen gedaan, ik weet niet precies hoe veel, en dat wilde hij niet nóg eens. Vanaf het moment dat ik van zijn euthanasieplan afwist, zat Michel steeds in mijn gedachten. Wanneer zou het gebeuren? Bij zijn zelfmoordpogingen wist ik nooit goed hoe serieus ik het moest nemen. Nu dacht ik steeds: er komt een datum, maar wanneer? En moet ik daar vanaf nu bij alles wat ik plan rekening mee houden?

Maar zo’n beslissing neem je natuurlijk niet zo gemakkelijk. Uiteindelijk heeft het bijna drie jaar geduurd. Michel heeft nog shocktherapie geprobeerd, ook dat bracht geen verbetering. We hadden in die tijd nauwelijks contact. Gesprekken gingen moeizaam tussen ons, maar we hebben wel een poosje gemaild. Hij ervoer het leven als een strijd, schreef hij, en haalde er praktisch geen plezier of voldoening uit. Toen mijn man eind 2016 aan Michel vroeg of hij nog steeds een doodswens had, heeft op ons initiatief een gesprek met de psychiater plaatsgevonden. Dat was ruim een jaar voor Michels dood. Mijn ouders waren erbij, ook zij vonden dat wij als gezin meer begeleiding nodig hadden. Tijdens dat gesprek is Michel heel boos op mij geworden. Hij vroeg waarom hij niet meer werd uitgenodigd als mijn man en ik naar mijn ouders gingen. Ik heb toen eerlijk gezegd dat hij al heel lang niet zulk fijn gezelschap was, dat zijn humeur vaak de sfeer bepaalde. En dat het voor ons, sinds we wisten dat hij een doodswens had, ook niet gemakkelijk was om te zien hoe ongelukkig hij was. Toen keek hij me aan met een ijskoude blik en zei: ‘Nou, dan zien we elkaar toch gewoon helemaal niet meer!’ Pas anderhalve maand voor zijn dood hadden we via e-mail en WhatsApp weer contact.”

Sprankje hoop

“Achteraf denk ik: waarom heb ik, toen ik van zijn plan wist, nooit eens bij hem aangebeld? Uit zelfbescherming, denk ik, omdat hij soms woedeaanvallen had. Maar ik was ook boos op hem om alles wat hij ons al die jaren had aangedaan. Ik leefde die drie jaar in een vreemde, dubbele wereld. Aan de ene kant was er dat vreselijke, waarvan ik niet wist of het ooit ging gebeuren. Aan de andere kant ging het leven door. Ik sprak er niet veel over met mensen. Het schrikte af, merkte ik, en bovendien was lang onduidelijk of Michel de stap écht zou zetten. Mijn man heeft hem een keer gevraagd: wat weerhoudt jou om het nú te doen? Toen noemde hij het schuldgevoel tegenover onze ouders, en toch dat sprankje hoop dat het beter zou worden. Ik heb nooit het idee gehad dat ik hem die hoop kon bieden. Ik dacht: als jij jezelf niet kan helpen en de professionals kunnen het niet, wie ben ik dan? Maar misschien heeft hij dat juist wél nodig gehad, iemand van de familie.

Toen Michel in november 2017 liet weten dat zijn beslissing definitief was, kwam er een soort rust over hem, én over ons. Eindelijk konden we ontspannender met elkaar omgaan. Hij moest nog wel groen licht krijgen van een second opinion-psychiater en de SCEN-arts die controleerde of alles volgens de Euthanasiewet verliep, maar dat was geen probleem. Drie dagen voor zijn afscheid in februari 2018 ben ik, alleen, naar hem toe gegaan met een paar biertjes en wat hapjes, dat was fijn. Vijftig is hij geworden.”

De juiste hulp

“Anders dan ik had verwacht, is de donkere wolk die zo lang boven ons heeft gehangen na de dood van Michel niet verdwenen. Ik dacht dat de stress in elk geval voorbij zou zijn, maar ik moest zoveel verwerken. Dertig jaar spanning. Ook voelde ik me bij vlagen schuldig. Had ik misschien toch…? Dat ik meteen na Michels dood gewoon weer aan het werk ging, was geen goed idee. Ik sliep steeds slechter en kon me moeilijk concentreren. Ik kwam ziek thuis te zitten en heb toen geprobeerd alles op een rijtje te zetten door te schrijven. Uiteindelijk heb ik er een boek van gemaakt. Mijn belangrijkste boodschap: praat met elkaar! Achteraf vraag ik me af waarom ik zo lang ben meegegaan in dat niet-praten. Met sommige mensen praat ik zo makkelijk over mijn gevoelens, waarom niet met mijn ouders en mijn broer? Wees open over wat je dwarszit, in plaats van lastige dingen uit de weg te gaan. Mijn broer voelde zich als tiener al eenzaam en ongelukkig. Als hij toen de juiste hulp had gekregen, had hij misschien geen uitvlucht in de drugs gezocht.”

Ik gun jou de dood, maar alleen als je anders écht niet gelukkig kunt zijn € 19,50 (Uitgeverij Boekscout)

Interview: Truska Bast. Fotografie: Robert Alexander

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden