null Beeld

Paulien Cornelisse: “Ik was net bekend geworden en ik voelde me alleen”

Om op safe te spelen, studeerde ze psychologie, maar uiteindelijk belandde Paulien Cornelisse (44) toch op het podium – iets wat ze altijd al wilde. Over het land dat haar enorm fascineert, schreef ze het boek Japan in honderd kleine stukjes. Thuis is het leven heel gewoon: “Om half 6 gaan we aan tafel.”

Boven het bed van de ouders van Paulien Cornelisse hing vroeger een poster van een houtsnede van de achttiende-eeuwse Japanse kunstenaar Utamaro. “Het was een aankondiging van een tentoonstelling in het Rijksmuseum en er stond een mooie dame in kimono op. “Ik keek graag naar haar”, vertelt Paulien. Mijn moeder heeft tekeningen van mij bewaard waarop je kunt zien dat ik toen dat soort dames probeerde na te tekenen: heel primitieve poppetjes, maar wel in kimono. De poster hoorde bij mijn gevoel van thuis.”

Achteraf gezien was die poster haar eerste kennismaking met Japan, het land waarvoor ze een bijna levenslange fascinatie heeft. Ze studeerde er als twintiger, ze leerde de taal, ze maakte er een reisprogramma – Tokidoki, waarvan het 2e seizoen vanaf 17 mei op televisie te zien is – én ze schreef er een boek over. Japan in honderd kleine stukjes is een verzameling van… ja, inderdaad honderd onderhoudende én leerzame stukjes over wat haar ‘opvalt, interesseert, ontroert en doet lachen in Japan’. Voor een deel vertelt ze er ook een verhaal over haar eigen leven mee.

Wat is dat toch, met jou en dat land?

“Het is enerzijds een soort optelsom van dingen waarvan ik houd: judo, origami, de houtsnijkunst zoals Utamaro die maakte. Daarnaast zijn er elementen in de Japanse cultuur die goed bij mijn karakter passen: gedetailleerd naar dingen kijken, op kleine dingen inzoomen. Japan is groot geworden dankzij zijn obsessieve aandacht voor details. Eerlijk gezegd: als ik daar ben, is dat precies de kant van de cultuur die me een beetje ergert. Alles moet precies op die ene manier worden gedaan. Een koffielepeltje ligt precies zó schuin op het schoteltje en niet de andere kant op. Soms denk ik: kom op jongens, doe eens wat losser!”

Je komt er net weer vandaan. Wat is je daar deze keer opgevallen?

“Wat me erg is bijgebleven is mijn bezoek aan een jongen die maar eens per 2 maanden buiten komt. Hij zit het grootste deel van zijn leven in een kamer met een futon (dun matras, red.) waarop hij slaapt, een stoel zonder poten zoals je die veel ziet in Japan, en een enorm beeldscherm. Hij werkt op afstand en verder is het gamen. Ik werd er kneiterdepressief van. ‘Hoe eet je dan?’, vroeg ik. ‘Nou, mijn moeder zet eten voor de deur.’ Die jongen was 30! ‘Oké’, zei ik, ‘maar als je moeder er op een dag niet meer is?’ ‘Ik kán wel koken’, schokschouderde hij. Het is dankzij de mogelijkheden die internet biedt een groot maatschappelijk verschijnsel in Japan: er zijn daar zo’n 800.000 mensen die zo leven. Een van de verklaringen daarvoor is dat dit soort types veel ondersteuning krijgen van hun moeder.”

Hoe probeer jij te voorkomen dat het met jouw zoon ook zo gaat?

“Ik weet het niet. Vooralsnog bestaat de iPad bij ons zogenaamd niet. Wiek, mijn zoontje van 5, mag wel filmpjes kijken op een van onze telefoons of op de laptop. Hij weet: dat mag om 5 uur, totdat we gaan eten. En we gaan om half 6 aan tafel. Dat is het, qua schermtijd. Ik vind dat niet zo moeilijk, want het is heel duidelijk.”

Wat knap, want hij heeft 2 oudere broers – de zoons van je vriend uit een eerdere relatie – die voor de helft van de tijd bij jullie wonen. Die zijn vast minder gedisciplineerd.

“Ja, hij is eraan gewend dat er pubers op de bank hangen met zo’n smartphone in de hand, maar vooralsnog accepteert hij dat het voor hem anders is. Hij is nog klein, hè. Ik probeer Wiek zoveel mogelijk te laten spelen met zijn handen en met echt speelgoed. Maar misschien is dat een achterhaald idee.”

Zelf was ze als kind verrukt van Japanse Bobby en Kate-gummetjes die zo lekker roken. Nog dichter bij haar fascinatie komt ze via haar Japanse vriendin Emi, die ze tijdens haar tussenjaar in Amerika ontmoet. Opvallend: Emi wil met gehandicapte vrouwen in ontwikkelingslanden gaan werken en doet dat ook. Paulien durft haar dromen dan nog niet te verwezenlijken. “Ik wilde actrice worden. Of schrijfster. Ik schreef altijd, maakte op school toneelstukken. Maar op een gegeven moment word je toch geïndoctrineerd als iedereen zegt dat het maar heel weinig mensen lukt om geld te verdienen met acteren en schrijven. Ik groeide op in de tijd van de campagne Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid en voor die boodschap was ik wel gevoelig. Het theater klonk niet als een slimme voorbereiding op de toekomst. Toen ik in Amerika was, werd me op bezoek bij de theaterminnende ouders van een vriendin gevraagd wat mijn toekomstplannen waren. ‘Ik wil theater maken en schrijven’, antwoordde ik. ‘O, you mean: waitressing’, kreeg ik als lollig antwoord. O jee, dacht ik, zelfs in het land van de onbegrensde mogelijkheden, het land waarin ik van Oprah had geleerd dat je er groot mag dromen, wordt wat ik wil doen niet als heel kansrijk gezien.”

Dus je ging terug in Nederland gewoon psychologie studeren.

“Ja, al heb ik eerst nog wel auditie gedaan voor de Toneelschool, maar daar werd ik afgewezen en dat was stiekem ook een opluchting. Ik had het geprobeerd, en nu hoefde het niet. Ik had misschien beter auditie kunnen doen bij de Kleinkunstacademie, maar die had ik toen niet in mijn vizier. Cabaret was niet iets wat ik van huis uit meekreeg. Mijn moeder vond wel dat we ons cultureel moesten ontwikkelen, maar mijn broer had er nooit zin in. Daarom gingen we een keer naar een voorstelling van iemand die we al kenden van televisie: Paul de Leeuw. Ik vond het fantastisch: dat je met z’n allen aan het lachen was, dat er een soort eenheid was in die zaal… Ik had toen mijn conclusies kunnen trekken, maar dat heb ik wonderlijk genoeg niet gedaan. Tijdens mijn studie psychologie, die ik trouwens ook superinteressant vond, bleef het bloed echter kruipen waar het niet gaan kon. Ik volgde een cursus kleinkunst, die vond ik heel leuk. Ik ging het vaker doen, nog steeds heel leuk, ik ging stand-uppen… Ik durfde het te gaan doen omdat de wens om te spelen en te schrijven door dik en dun bij me bleef.”

Wat is daar zo fijn aan?

“Ik vind het heel leuk om iets te vertellen aan mensen en ik vind het ook niet speciaal eng om dat vanaf een podium te doen. Als ik heb opgetreden, heb ik na afloop altijd een goed gevoel. Dit was nou een zinnige avond, denk ik dan – voor mezelf, maar hopelijk ook voor het publiek. En schrijven vind ik ook altijd fijn. Optreden en schrijven zijn voor mij allebei manieren om iets wat in mijn hoofd zit naar buiten te brengen. Als ik de ene manier een tijdje niet heb gedaan, mis ik die. Volgend jaar ga ik weer een theatervoorstelling doen. De afgelopen periode heb ik vooral geschreven – sinds 1,5 jaar heb ik 3 keer per week een column op de voorpagina van de Volkskrant – en televisie gemaakt, nu moet ik echt weer eens het podium op.”

Terwijl ze optrad en schreef, reisde de poster van Utamaro van boven het bed van haar ouders met haar mee. Hij was in Amerika, hij hing aan de muur in de Amsterdamse kamers en appartementjes waar ze daarna woonde. Hij bleef bij haar thuisgevoel horen. ‘Ik vond het prettig om naar de serene dame te kijken, die vast op weg was naar een kopje thee in een kamer met een bloesemtak in een vaas’, schrijft ze in Japan in honderd kleine stukjes. Dat verandert als ze iets in de afbeelding ziet wat ze niet eerder zag. Lees vooral haar boek om erachter te komen wat dat was, waar het hier om gaat, is de les die ze erdoor leerde.

“Het was een wat sombere tijd in mijn leven. Ik was 34, mijn relatie was voorbij en ik woonde tijdelijk in een huis waar ik me niet op mijn gemak voelde. In die tijd was ik net bekend geworden door Taal is zeg maar echt mijn ding, en ik voelde me zowel heel bekeken als heel alleen. Dat gevoel werd nog eens versterkt toen er op een dag, terwijl ik in mijn pyjama aan tafel zat te schrijven, een mailtje binnenkwam met de tekst: ‘Hé Paulien, woon jij daar en daar? Dan ben ik je overbuurman!’ Toen ik opzij keek, zag ik 2 mensen blij voor een raam aan de overkant staan zwaaien. In die tijd stond mijn mailadres nog op mijn website en die mensen hadden zich kennelijk afgevraagd: is die vrouw daar aan tafel Paulien of niet? Het was vast goed bedoeld, maar ik vond het toch onprettig. O, en wat er in die tijd ook gebeurde: ik vond mijn benedenbuurman dood in zijn deuropening. Hij had terwijl hij naar binnen liep een hartaanval gekregen. Heel heftig. Het zette me ook aan het denken: ik woon op de 3e etage, stel dat er met mij zoiets gebeurt – wie zal mij dan vinden?”

Ja, dat is een heel beklemmende vraag. Het is ook niet fijn om alleen te komen te staan op een leeftijd waarop bepaalde dingen in het vrouwenleven moeten gebeuren, als je die zou willen.

“Je bedoelt: of ik nog kinderen zou krijgen? Dat speelde ook, ja. Ik kom uit een gelukkig gezin, dus kinderen wilde ik graag. Maar zoals ik in het boek schrijf: ik leerde dat ik naar dingen moest gaan kijken zoals ze waren in plaats van hoe ik ze had bedacht. Ik besloot om te beginnen om een poes te nemen. Dat was een grote stap voor mij, want ik wilde het allang maar vond dat het nog niet kon. Eerst een relatie, dan kinderen en dan komt de poes – dat was mijn idee. Hoezo dan pas?, vroeg ik me toen af. Is dat niet wel een heel passieve manier van denken? Ik besloot: ik doe het gewoon en dan zien we wel hoe het loopt. Het zal toeval zijn, maar niet lang nadat ik een poes had genomen, ontmoette ik Chris.”

Wat is zo leuk aan hem?

“Chris is gewoon een vrolijk iemand. Dat vind ik fijn, want zelf ben ik iets zwaarmoediger. Hij houdt net als ik van dingen verzinnen. Hij snapt ook hoe het creatieve proces werkt, om het met een stom woord te zeggen. En ik kan heel erg met hem lachen. Dat komt goed uit, want we zien elkaar heel veel: we werken allebei vanuit huis.”

En je werd dus toch moeder.

“Gelukkig wel, want ik vind het moederschap het leukste wat er is. Mijn kind is ook het leukste en liefste kind van de wereld, al doe ik liever geen uitspraken over hem in het openbaar. Wat kan ik er verder over zeggen? Het is moeilijk om niet in clichés te verzanden, maar ik ben het gelukkigst als we een gewone dag hebben met gewone kleine gedoetjes. Laten we zeggen dat het een dag in het weekeinde is: wakker worden, een beetje spelen of knutselen, naar het bos, oefenen met fietsen, ‘s avonds een pan pasta, verhaaltjes vertellen en dan naar bed. Dat geeft me veel voldoening.”

Waar is de poster van Utamaro intussen gebleven?

“Hij staat opgerold in mijn werkkamer. Misschien is de magie er wel een beetje vanaf sinds ik zag wat het voorstelde. Een tijdje geleden heb ik trouwens het origineel mogen zien in het Rijksmuseum, waar een conservator hem voor me had opgezocht. Ik wees hem op wat ik er nu in zie, maar hij zag het totaal niet. Er stonden allemaal mensen om ons heen die zeiden: eh, wij zien het wel. De conservator was de enige die het niet zag, al zei hij op het laatst wel dat hij dacht dat ik gelijk had. Ach, ik heb er zelf ook 30 jaar tegenaan moeten kijken om te zien wat het is.”

Paulien Cornelisse (1976) is schrijfster, theater- en programmamaakster. In april verscheen haar nieuwe boek Japan in honderd kleine stukjes (Uitgeverij Cornelisse) en vanaf 17 mei komt er een nieuwe reeks op televisie van haar succesvolle reisprogramma over Japan: Tokidoki. Paulien Cornelisse woont samen met radio- en theatermaker Chris Bajema en hun zoon Wiek (5).

Tekst Liddie Austin. Fotografie Petronellanitta .

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden