null Beeld

Sonja Barend: “De oorlog bleek de basis voor de rest van mijn leven”

Voor haar werk interviewde Sonja Barend duizenden mensen. Maar 1 gesprek lukte maar niet: ze sprak nooit met haar moeder over haar in Auschwitz vermoorde vader David Barend. Toch ging Sonja op zoek naar die geschiedenis.

Sonja: "Op mijn werktafel ligt een klein badkamertegeltje van zwarte en witte blokjes naast de zwarte lakschoentjes die ik van tante Fietje kreeg op mijn tweede verjaardag, eind februari 1942. Een houten doosje waarin mijn vader ooit talkpoeder bewaarde, samen met zijn foto in een lijstje, maken mijn museum compleet.

Ik zit er vaak naar te staren terwijl ik nadenk over iets anders.

Soms zie ik in die schoentjes mollige kleuterbenen die mijn vader nog echt heeft gezien voor hij op 23 juni 1942 uit ons huis werd gehaald door 2 de Duitsers behulpzame Nederlanders. Dezelfde dag nog leverden ze hem af bij de Scheveningse strafgevangenis: het Oranjehotel. Hij zou er een halfjaar zitten voor hij via Westerbork naar Auschwitz werd getransporteerd.

Het tegeltje kreeg ik van een vriendin die een huis kocht in de straat waar wij in de oorlog woonden. Toen zij bij de verbouwing de oude badkamer eruit liet hakken, redde ze een stukje tegel en gaf het mij. “Niet uit jullie eigen badkamer maar ze waren in die straat – net als de huizen – allemaal hetzelfde en ik moest aan je denken.” Voorwerpen en beelden uit mijn verleden dat ik niet bewust heb meegemaakt.

Mijn vader wel, hij kraste zijn naam in het doosje. Een bewijs dat hij heeft bestaan.

Nog net in de tijd dat hij een gelukkig mens was met een mooie vrouw van 30 jaar en een dochter van 2. Maar zelfs dat weet ik niet meer zo zeker, na alles wat ik heb uitgezocht toen ik besloot een boek te schrijven waarin ons en dus mijn verleden belangrijk was. Waren ze wel gelukkig geweest die 2? “Ja,” zei mijn moeder als ik het vroeg, “heel gelukkig.” Ik geloofde het maar al te graag.

Mijn vader is niet meer teruggekomen. Ik heb hem nooit gekend, was te klein om hem mij te kunnen herinneren. Een jurkje met geborduurde vlindertjes, het groene rieten poppenwagentje met de piepende houten wieltjes en de schoentjes, waarom zag ik die wel fotografisch voor mij, maar hoe ik het ook probeerde, niet mijn vader? Mijn moeders antwoord op alles wat ik vroeg was meestal: “Ach kind, het is zo lang geleden. Ik weet het echt niet meer.”

Het wás ook lang geleden en ik vroeg niet door. Bang haar te kwetsen, ongelukkig te maken en ook bang voor de antwoorden die mijn idyllische gedachten over hun geluk in die paar jaar dat ze samen waren, weleens voorgoed konden uitwissen. Ik keek liever naar die ene foto die ik van hem heb, waarop hij op een muurtje zit. Ongedwongen, zorgeloos."

Angst om haar verdriet

"Nooit had ik kunnen denken dat ik zou besluiten een boek te schrijven waarin hij een grote rol zou spelen. Ik was de dochter van iemand die ik niet bewust heb gekend, op wie ik volgens mijn moeder in bepaalde opzichten leek hoewel ze er nooit bij vertelde hoe precies. Een vader van wie ik had kunnen houden, van wie ik zo graag had willen houden.

Wat kun je schrijven over iemand die je nooit bewust hebt ontmoet, die samen met zijn en dus mijn familie was vermoord in Auschwitz? De paar mensen die hem echt hadden meegemaakt, waren meestal niet in staat over die tijd te praten, weer anderen kwamen niet verder dan een anekdotisch verhaal of barstten bij mijn vragen in snikken uit. In de tijd dat ik ze kon spreken was ik zelf te onervaren en te jong om door te vragen en bij mijn moeder was de schroom te groot. De angst haar verdriet te doen weerhield me.

Inmiddels had ik op de televisie half Nederland gesproken over alle onderwerpen die te bedenken waren, bij mijn moeder lukte dat niet."

Geschiedenisboek

"De Bezige Bij, mijn uitgever vroeg mij een boek te schrijven over mijn 40-jarige loopbaan bij de televisie en vooral over de praatprogramma’s die we 30 jaar lang hadden gemaakt. De onderwerpen die ik in die jaren aan mijn tafel met alle mogelijke mensen besprak zouden een mooi beeld geven van wat er in die jaren gaande was, een ander soort geschiedenisboek met verhalen van mensen die praatten over wat ze bezighield, wat er in die tijd allemaal veranderde en vooral waar ze zich druk over maakten.

Mijn eigen verhaal zou daarin passen als achtergrond van de manier waarop we dat deden. Al snel kwam ik erachter dat ik het terugkijken van minstens een paar 100 programma’s – nodig om er echt goed over te kunnen schrijven – een kwelling vond. Wie houdt het vol zo lang naar zichzelf te kijken? Het schrijven zelf vond ik prettig en dus liet ik mij overhalen verder te gaan met mijn eigen verhaal.

Hoe kon mijn vader die ik nooit heb gekend zo’n stempel op mijn leven hebben gedrukt?

Kon zijn geschiedenis een belangrijke invloed hebben gehad op de manier waarop ik mijn werk al die jaren had gedaan? Ik maakte dat programma met een redactie die al die programma’s voorbereidde en Ellen Blazer als eindredacteur. Ellen had net als haar Joodse familie in de oorlog ondergedoken gezeten. Zij, haar broers, vader en moeder overleefden dankzij de hulp van dappere Nederlanders. Mijn vader werd door zijn eigen landgenoten verraden. Wij spraken samen veel over de oorlog en de gevolgen. Solidariteit met minderheden was voor ons vanzelfsprekend in wat wij al die jaren belangrijke onderwerpen vonden voor een groot publiek."

Dwingende letters

"Letters op papier zijn dwingend. Ze vragen verklaring voor alles wat je opschrijft op dezelfde manier waarop ik zo veel jaar vragen aan andere mensen had gesteld. Nu stelde ik ze mijzelf en moest ik ook de antwoorden geven. Wilde ik dat wel, mij zo kwetsbaar opstellen?

Kon ik dat terwijl ik zelf over mijn schouder meelas en mij bij elke alinea afvroeg of ik dat wilde delen met onbekenden terwijl de gêne mij voortdurend overviel?

Niet eerder had ik veel over mijn achtergrond en verleden in het openbaar verteld.

Dat verhaal, voor zover ik het zelf kende, was veilig bij familie of goede vrienden als ik behoefte had erover te praten of als ze ernaar vroegen.

Er waren ook onderwerpen waar ik liever niet eens over nadacht. Die ik graag voor mij uit schoof. Vragen over de rol van mijn moeder in die oorlogsjaren. Van haar had ik de antwoorden nooit gekregen. De talloze avonden die ik bij haar doorbracht, de honderden kopjes koffie. De schaal met de lekkerste boterhammen die iemand ooit voor me maakte mis ik nog steeds, maar ze maakten niet dat we dat gesprek ooit voerden of verder kwamen dan: “Kind ik weet het niet meer, het is zo lang geleden.”

Mijn schuld: ik wist tenslotte hoe je dat moest doen, vragen stellen tot je de antwoorden kreeg. Goed luisteren, alles horen wat er wordt gezegd, maakt dat – hoe moeilijk ook – de meeste mensen hun verhaal graag willen vertellen. Achteraf vaak tot hun grote opluchting hoezeer ze er ook tegenop hadden gezien. Bij mijn moeder durfde ik het niet."

Joodse jongen, katholiek meisje

"Niet alleen mijn schuld: mijn moeder had zonder 1 vraag van mij moeten praten over mijn vader. Wat voor man was hij? Hoe had ze hem ontmoet? Waarom viel ze op hem? Was hij lief, slim, met gevoel voor betrekkelijkheid en humor? Konden ze samen lachen? Was hij een warm mens en voelde zij zich goed en veilig bij hem? Hoe waren die drie jaar die ze in totaal samen waren, waarvan ik er twee onbewust heb meegemaakt? Wat deed hij in die tijd, waar verdiende hij zijn geld mee, had hij een beroep geleerd? Uit wat voor milieu kwam hij?

Waar had hij belangstelling voor, waar lagen zijn interesses precies? Hoe waren zijn vader en moeder, mijn oma en opa, zijn zusjes en hun mannen? Hoe leefden die in de oude Amsterdamse Jodenbuurt waar de meeste Joden arm waren? Waren zij dat ook? Zijn vrienden, wie waren dat? En voelde zij zich thuis in zijn omgeving als streng opgevoede jonge vrouw uit een groot katholiek gezin? Ook al had ze de wil om daar zo snel mogelijk uit te breken en naar de grote stad te gaan. Maar om met een Joodse jongen thuis te komen bij haar strenge vader en moeder moet niet simpel zijn geweest.

Een beetje weet ik: mijn vader was slim, lang en slank en bij zijn familie en vrienden vond ze het gezellig: “Altijd met veel lekkere hapjes.” “Je vader was intens gelukkig met je,” vertelde ze en nam je overal mee naartoe: “Soms tot wanhoop van zijn vrienden, die dan vroegen of hij je niet een keer thuis kon laten.” Ik hoorde het maar al te graag.

Er is 1 foto waar we met z’n 3 opstaan. Ik zit tussen ze in. Hij houdt mijn hand vast en mijn andere hand ligt op het dijbeen van mijn moeder. De foto moet een paar weken voor hij uit huis werd weggehaald genomen zijn. Ik had de schoentjes aan die ik eind februari had gekregen en we zaten buiten in de zon. Was het mei? Of al juni? Op 23 juni werd hij uit huis weggehaald. Hij kijkt niet vrolijk op die foto. Wist hij wat hem te wachten stond? Want waarom precies arresteerden ze hem? Mijn moeder kon het mij niet vertellen. Ook in de administratie van de gevangenis in Scheveningen was het niet te achterhalen omdat de ongetwijfeld ‘pünktliche’ lijsten van de Duitsers verloren waren gegaan. In het archief dat zij zelf hebben, kwam mijn vader niet voor. Van Oorlogsdocumentatie in Amsterdam had ik een kopie van de kaart gekregen die geschreven was bij zijn aankomst in de gevangenis. Ze pakten hem zijn horloge en een tientje af, staat erop."

“Je ziet mij nooit meer terug”

"Mijn moeder had mij vaak verteld hoe hij uit huis was weggehaald. Dat wist ze nog tot in de details. Dat hij zijn hoed opzette, zijn regenjas aantrok en zijn portefeuille voor haar achterliet die hij in de schaal van de lamp gooide die boven tafel hing. Dat hij mij kuste in het bedje waarin ik lag te slapen. Ook hoe bang ze was dat die mannen mij uit mijn bedje zouden pakken en mee zouden nemen.

“Je ziet mij nooit meer terug”, zei mijn vader bij het afscheid. Het werd de titel van mijn boek.

Veel verder zijn we nooit gekomen.

Mijn man had gelijk toen hij mij in de tijd dat mijn moeder nog leefde elke keer opnieuw aanspoorde om dat gesprek waaraan ik zelf zo’n behoefte had met haar te voeren. Steeds opnieuw nam ik mij voor het te doen als ik naar haar toeging. Ik deed het niet. Bang voor de gevolgen op welke manier dan ook. Natuurlijk heb ik spijt, niet alleen voor mijzelf. Ook voor haar. Hoe groot zou de opluchting ook voor haar zijn geweest als ze eindelijk haar ‘oorlogsgeheim’ kwijt had gekund, het mij had kunnen vertellen? Wat was dan haar oorlogsgeheim? Misschien had ze het zelfs graag gewild, als ik haar er tevoren van had kunnen overtuigen dat ik nooit boos zou worden. Haar nooit iets zou hebben kwalijk genomen omdat ik veel van haar hield."

Mijn moeders ‘bekentenis’

"Ik ken die opluchting maar al te goed van de mensen die ik in mijn programma’s heb gesproken. Die mij op de televisie hun verhaal vertelden terwijl ze dat nooit eerder hadden gedaan, aan niemand. Het was les 1 van de journalist die mij aan het begin van mijn loopbaan bij de televisie hielp hoe gesprekken te voeren: “Je kunt bijna alles vragen. Aan de meeste mensen wordt nooit een vraag gesteld en die zijn blij dat ze het eindelijk kunnen vertellen.”

Mijn moeders ‘bekentenis’ vond ik in een kistje met een sleuteltje, waarvan ze door de jaren heen had gezegd dat ‘als er iets met haar zou gebeuren’, de inhoud van dat kistje voor mij was. En wat was die bekentenis?

Ik vond het pijnlijk het op te schrijven, deed het toch en besloot het boek niet in de onderste la van mijn werktafel te verbergen. Met enige regelmaat vertel ik nu mijn verhaal in bibliotheken in het land: mijn geschiedenis die begon met de oorlog die ik nauwelijks bewust heb meegemaakt, maar die de basis bleek voor de rest van mijn leven. Ik vertel er graag over zonder een spoor van de gêne waar ik zo bang voor was: te worden bekeken als klager over een verleden dat ik zelf jarenlang zag als een zwart gat, terwijl de oorlogsgeneratie die de verschrikkingen lijfelijk hadden meegemaakt er vaak nauwelijks over konden spreken, laat staan klagen."

Struikelsteen

"Voor het huis waar mijn vader werd weggehaald, heb ik een ‘struikelsteen’ laten leggen door de Duitse kunstenaar Gunter Demnig. Hij sloeg hem zelf in het zand, tussen de straat tegels. Op zijn knieën. Een koperkleurige messing steen: ‘30 april 1943 Auschwitz’ staat erop. De dag waarop hij werd vermoord. We stonden er met z’n allen omheen: onze volwassen kinderen met de 4 kleinkinderen en ik vertelde de kleintjes waarom we dat deden.

Ze weten al wat we herdenken en wat dat betekent omdat wij een familie zijn met veel oorlogsverhalen.

Ik was net zo jong als zij toen de bevrijding eraan kwam in 1945. Er was sprake van dat het elk moment kon gebeuren maar niemand wist wanneer precies. Oma, bij wie ik in de oorlog woonde, trok haar jas aan, zette haar hoed op en liep elke dag met mij naar het Rozenpark in Alkmaar waar de Canadezen zouden komen. Ze kwamen heel lang niet, herinner ik mij, of waren het maar 3 dagen? Tot ze er plotseling waren met chocola en kauwgum. Op 5 mei moet ik er altijd aan denken dat ik een fijn Canadees jack kreeg met witte, rode en groene strepen.

Herdenken doe ik bijna elke dag. En af en toe ga ik naar de struikelsteen met een lapje om hem op te poetsen."

Tekst: Sonja Barend. Beeld: Sacha de Boer

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden