null Beeld

PREMIUM

Sylvia onthult hoe zij en haar man het al zo lang uithouden met elkaar

Sylvia Witteman (53) is getrouwd, heeft een dochter (21), 2 zoons (18 en 15) en katten Lola en Siepie.

Er zijn heel wat ogenschijnlijk onbeduidende meningsverschillen die een huwelijk op losse schroeven kunnen zetten.

In mijn geval (onder meer) museumbezoek. Ik houd van musea en huisgenoot P. ook. Of er nu een verzameling impressionisten hangt, het vroege werk van Rubens of een natuurhistorische collectie dierenskeletten, we vinden het allemaal leuk en interessant. Tot dusver niets aan de hand. Maar dan begint het. Daar heb je het eerste schilderij/skelet/beeldhouwwerk. Ik kijk. P. kijkt ook. Ik kijk een seconde of 10, misschien 20. Alleen als ik echt helemaal van mijn sokken word gezwiept, blijf ik weleens een halve minuut staan. Een halve minuut duurt lang, hoor. Ik heb de secondewijzer er weleens bij gepakt. Ein-de-loos.

Bovendien: ik heb een Museumjaarkaart. Ik woon in het meest museumdichte stukje van Nederland, het Amsterdamse Museumkwartier. Als ik wil, kan ik elke dag zo’n museum binnenlopen om nóg eens die dikke klodders verf op Het Joodse bruidje te bekijken, of Pieter de Hoochs Moedertaak, waarop een zeventiende-eeuwse luizenmoeder in actie te zien is, de krullenbol van haar kind op schoot (ik heb het denk ik al een keer of tien gezien, elke keer krijg ik geweldige kriebel op mijn eigen hoofd).

Huisgenoot P. is anders. Hij bekijkt elk schilderij/opgezet uiltje/merkwaardige staalconstructie/eerste kindertekening van Vermeer ontzettend lang. Van alle kanten. Dan gaat hij op zijn andere been staan en kijkt nóg eens ontzettend lang. Tijdens de eerste tentoongestelde stukken wil ik niet moeilijk doen. Ik wacht geduldig tot hij is uitgekeken. Bij het zesde en zevende exemplaar zeg ik nog niks, ik zucht alleen een beetje. Daarna wordt het heikel. Ik verveel me inmiddels dood en zeg dingen als: “Daar om de hoek moet een hele mooie Jan Steen hangen.” En: “Je wéét dat er nog veertien andere zalen zijn, hè?” Het helpt niets. In de volgende fase ga ik alvast een eindje verderop kijken. Ik laat P. achter en loop in sneltreinvaart de hele zaal rond. Dan kijk ik om. P. is nog niet eens bij die Jan Steen. Ik wuif vriendelijk en verdwijn de volgende zaal in. Ook daar is mijn rondje snel gemaakt. Nog een zaal. En nóg een. Binnen een minuut of twintig heb ik de hele tentoonstelling gezien. Koffie dan maar. ‘Ik zit in het museumcafé’, app ik naar P. Geen antwoord, die is verdiept in de zoveelste merkwaardige staalconstructie. Nóg een koffie. Broodje erbij, ik zit hier toch. Krantje lezen dan maar. Nog steeds geen P. Ik zit hier al een uur, de krant is uit en ik wil nu echt weleens weg. Hè hè, daar is-ie eindelijk. “Zullen we gaan?”, vraag ik. “Nou, ik zou eigenlijk wel een kop koffie willen”, zegt P. “En een broodje. Waarom heb jij toch altijd zo’n haast?”

Als mensen weleens vragen hoe wij het al een kwart eeuw met elkaar uithouden, zeg ik altijd: “Wij gaan zo min mogelijk samen naar een museum.”

Tekst: Sylvia Witteman

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden