null Beeld

Sylvia Witteman: “De kapotte wasmachine gebruikten we als asbak”

Als kind vond ik dat mijn moeder niet goed bij haar hoofd was. Om de haverklap was ze aan het stofzuigen, dweilen, ramen lappen. Ze was in de weer met een ragebol en een zwabber, met staalwol en soda, met boenwas (dat rook lekker, eerlijk is eerlijk) of met een griezelig sissende strijkbout.

Ze deed dat allemaal met toewijding, maar duidelijk ook met tegenzin. Waarom dééd ze het dan? Omdat het zo hoorde.

Voor ons kinderen waren er alleen maar nadelen. Wilden we uit de tuin naar binnen rennen om een boterham te smeren, dan werd ons bij de keukendeur toegeschreeuwd: “Schoenen uit! Ik heb net gedweild! Niet rondlopen met die boterham, ik heb net gestofzuigd! Mes en bordje afspoelen, ik blijf niet aan de gang!” Wilde ik pannenkoeken bakken, dan hief ze de handen wanhopig ten hemel. Ze zag het beslag al tegen de plinten klotsen, de vetspetters op het pas geboende fornuis, de aangekoekte pan in de gootsteen. Zelf hield ze niet van koken, de enige huishoudelijke activiteit waarvan ik wél het nut inzag.

Zweeds kreng

Vreselijk vond ik ook haar opruimzucht. Elke dag mopperde ze: “Wat is het hier een zwijnenstal...” Dan werd ons speelgoed in de kast gestopt (Waarom? We haalden het er toch meteen weer uit). De jassen die wij in de garderobekast op de grond smeten, hing ze keurig op (Waarom? Je zag ze toch niet als de deur dicht was. En in de haast rukten wij ze ’s ochtends zo onbeheerst van de kapstok dat telkens het lusje brak). Het boek dat ik net aan het lezen was, werd wreed dichtgeklapt en in de kast gezet zodat ik telkens zoeken moest waar ik (en het boek) gebleven was.

Het ergste van alles was haar wegwerpwoede. Meermaals per jaar werd ze bevangen door de illusie dat een groot deel van onze inboedel uit ouwe troep bestond. Dan werd een heerlijk zacht bankje bij het grofvuil gezet (oké, het was wat verzakt en nogal mishandeld door poezennagels) en vervangen door iets hips en hards. Ze haalde de lieve oude gordijnen van vaalgroen fluweel weg en we kregen er veel te frisse, licht katoenen voor in de plaats. Ze was er kapot van toen mijn vader en zij rond mijn 12e gingen scheiden, maar dolblij dat hij “die gammele, hopeloos ouderwetse eettafel” meenam. Ze bedoelde de lieve, ronde, donkerbruine eettafel met fraai bewerkte balpoten. Mijn vader heeft hem nog steeds. Hoe heeft mijn moeder die ooit kunnen vervangen door zo’n hoekig Zweeds kreng van veel te blank, veel te glimmend gelakt beukenhout?

En wat is er gebeurd met de oude weegschaal met koperen gewichtjes waarmee ik als kind urenlang speelde? De stapels tijdschriften uit de jaren 30 die ik ooit op zolder had gevonden en waar ik zo graag in bladerde, gefascineerd door Brylcreem-advertenties, reportages over Spakenburgse klederdracht en eindeloze bollenvelden bij Lisse in zwart-wit? Waarom heeft ze de bontstola weggedaan met het echte vossenkopje dat in zijn eigen staart beet? Daarmee kon ik zo heerlijk ‘deftige dame’ spelen. Maar zij vond het een vies vlooiennest.

La vie bohème

Tegen de tijd dat ze de vertrouwde schemerlampen verving door kille spotjes was ik het huis al uit. Ik belandde met 3 vrienden in een lekkend antikraakpand waar wij, eindelijk zonder moeders, konden doen en laten wat we wilden. Chaotische tijden braken aan. We lieten de afwas staan tot alle kopjes en bordjes vies waren en wasten zelfs dan alleen af wat we direct nodig hadden (de muizen wisten er wel raad mee). Stofzuigen? We hádden niet eens een stofzuiger. Kleren strijken? We hádden niet eens een strijkbout. In het douchehok groeiden zwammen, van de gaskachels ontbraken de micaruitjes (mijn bed is zo nog eens in de fik gevlogen). Toen de wasmachine stuk ging, wasten we onze kleren met zeep onder de kraan. We schroefden het glazen deurtje uit de kapotte wasmachine en gebruikten dat als asbak. Lekker groot, je hoefde hem maar eens per week leeg te gooien. Van de lampen begaven de peertjes het een voor een. We kochten geen nieuwe, maar zetten kaarsen in lege wijnflessen. Daarvan hadden we er genoeg. La vie bohème! Het waren heerlijke, ontspannen tijden.

Het leukst waren de avonden dat andere mensen grofvuil buiten zetten. Dan kwamen wij uit ons hol en gingen op jacht. Onvoorstelbaar wat er werd weggegooid: tafels, stoelen, pannen, borden, een knalgeel hobbelpaard, een vliegtuigstoel met het zuurstofmasker er nog aan, de prachtigste huilend-zigeunermeisje-schilderijen, een levensgrote Canadese vlag (wat stond die leuk aan de muur van mijn kamer, hij verhulde alle gaten die we daar met dartpijltjes in gegooid hadden), een opgezette fazant onder een glazen stolp, een spiegel in een lijst van goud geverfd eikenloof, een koperen braadpan die groot genoeg was voor een heel varken (jammer dat we geen oven hadden, en geen varken), een paraplubak in de vorm van een paraplu. We sleepten het allemaal naar ons huis, waar het steeds gezelliger werd. En rommeliger. En viezer. Maar wat kon ons dat schelen?

Mijn Lies! Mijn Loek!

Mijn moeder werd intussen, misschien van de weeromstuit, steeds opruimeriger. Toen ik op een kwade dag weer eens in mijn ouderlijk huis kwam (om mijn kleren toch maar weer eens te wassen in een wasmachine), was mijn oude kamer zo goed als leeg. Mijn spulletjes en prulletjes, mijn posters, mijn kinderboeken: allemaal weg. Perplex vroeg ik mijn moeder wat haar had bezield. “Ik dacht, dat heb je allemaal niet meer nodig”, zei ze. “Anders had je het toch allang opgehaald? Je bent al 2 jaar het huis uit!” Ik was te verbaasd om kwaad te worden. Dat je iets 2 jaar niet gebruikt, betekent toch niet dat je het niet nódig hebt? En boeken wegdoen, bóeken?! Het was te bizar om te kunnen bevatten.

Eigenlijk had mijn moeder natuurlijk wel een beetje gelijk, net als Marie Kondo. Moet een mens werkelijk zijn hele leven oude schoolschriften bewaren? En kleren die 10 jaar geleden hip waren en dat nooit meer zullen worden? Een lege aansteker met de tekst ‘Garagebedrijf G. Bientjes, Nieuw-Vennep’? Nee. Die spullen miste ik ook niet echt. De boeken wel. Vooral de Lies en Loek-serie uit de jaren 20 van de 20e eeuw die ik ooit van een oude dame in de straat had gekregen. Ik miste ze smartelijk en bleef dat vele jaren doen, tot ik ze een jaar of 5 geleden tegenkwam op Marktplaats. Ik heb ze meteen gekocht en herlezen. Ze waren nog net zo fijn als vroeger.

Er kwam een eind aan mijn tijd in het lekkende kraakpand toen ik met huisgenoot P. naar Moskou verhuisde. Het hobbelpaard, de vliegtuigstoel en de koperen braadpan verhuisden niet mee. Zelfs ík begreep dat dat niet kon. Ze bleven achter bij mijn vrienden, hoe jammer ik het ook vond. Ach, wat was onze foeilelijke Moskouse flat leeg en kaal. Gelukkig viel er een hoop leuks te verzamelen in de nadagen van de Sovjet-Unie. Al spoedig barstte de flat uit zijn voegen van de Lenin- en Stalin-beeldjes, samovars, roodgele vaandels met communistische leuzen erop, beschilderd houtsnijwerk en andere kunstnijverheid, handgeknoopte tapijten, lelijk maar grappig speelgoed en klederdracht uit alle republieken van de Sovjet-Unie. Vooral onze collectie rare hoedjes was fenomenaal. Gelukkig bleek P. net zo dol op ‘rommel’ als ik.

Verzameldrift

Toen we na 5 jaar Moskou terug naar Nederland verhuisden, namen we alles mee. Het was dus nogal vol in ons Amsterdamse appartement, zeker toen er een baby bij kwam met alle accessoires van dien. Maar wat had onze dochter een schik met de hoedjes uit Kirgizië, Oezbekistan en Mongolië. En met de enorme trapauto die ik jaren tevoren met vooruitziende blik had aangeschaft in de Moskouse speelgoedwinkel Kinderwereld! Ook mijn beide zoontjes hebben er nog in gereden. Want in Berlijn, waar we naartoe verhuisden toen onze dochter een jaar oud was, kregen we er 2 jongetjes bij. Hier was een hoop leuke zooi te verzamelen uit de DDR-tijd. We woonden een stuk ruimer dan in Amsterdam, dus er kon best wat bij. Gelukkig waren we intussen wijs genoeg om wekelijks een schoonmaakster te laten komen. De combinatie van kleine kinderen en veel spullen is nu eenmaal niet zo hygiënisch. Er volgden nog een paar jaar in Washington (ook in de Verenigde Staten valt veel leuks te verzamelen, wist u dat?). Daarna belandden we - wellicht min of meer voorgoed - in Amsterdam. Mensen moeten altijd lachen als ze ons interieur zien en koffie krijgen in een Sarah Palin-beker met uitzicht op een DDR-vlag, een Sovjet-duikelpopje en een rood tapijt uit Dagestan. Maar als ze even later thuiskomen in hun eigen keurige Marie Kondo-bestendige woninkje, zitten ze vast te tandenknarsen van spijt. Omdat ze zelf niet zo’n zalige, kleurrijke berg rommel om zich heen verzameld hebben. Wedden?

Beeld: iStock

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden