null Beeld

Sylvia Witteman: “Ik had me nog zo voorgenomen nooit op mijn moeder te gaan lijken”

Sylvia Witteman (53) is getrouwd, heeft een dochter (21), twee zoons (18 en 15) en katten Lola en Siepie. Iedere week schrijft ze voor ons een column. Deze week schrijft ze over schoenenleed. 

“Ik breek mijn nek nog eens!”, brul ik elke dag tegen mijn kinderen als ik weer eens struikel over hun verbijsterende hoeveelheid sneakers, laarzen, slippers en ander schoeisel. Waarom zijn het er zo véél? “In mijn tijd had ik maar één paar schoenen!”, roep ik dan.

Het is waar. Uit mijn jeugd kan ik me elk paar schoenen dat ik kreeg nog haarscherp herinneren, want de aanschaf van nieuwe schoenen waren een opzienbarende en verheugende gebeurtenis die zich uitsluitend voltrok als de oude te klein waren geworden.

Dat was anders al vaak genoeg, vond mijn moeder. Schoenen waren duur en zij was bevangen door het bijgeloof dat kinderen geen schoenen van elkaar mochten afdragen: dat zou ‘slecht zijn voor de groeiende voeten’. Zelf had ze, als oorlogskind, vergroeide tenen opgelopen, daar had het misschien iets mee te maken. De schoenen die mijn broertje, zusje en ik kregen waren dus altijd nieuw. Dat zou heerlijk zijn geweest als we ze zelf hadden mogen uitzoeken, maar helaas: wij kregen alleen schoenen ‘waar je iets aan had’. Degelijke, saaie schoenen, van een dito schoenenzaak.

Ach, wat verlangde ik vurig naar Kickers! Het waren de hipste kinderschoenen van de jaren zeventig. Enkelhoog, in drie verschillende kleuren leer. In het beste geval waren die kleuren fel en contrasterend, oranje, rood en paars bijvoorbeeld, of groen met blauw en geel. Ik kreeg ze niet, natuurlijk, want ‘daar had je niets aan’, met ‘die vloekende kleuren’. Ook was er geen sprake van een ‘behoorlijk voetbed’ en uiteraard waren Kickers, zoals zowat alles ‘geen waar voor je geld’.

Zuchtend van gefrustreerd verlangen accepteerde ik dan in vredesnaam maar de indertijd ook zeer populaire ‘Zweedse klompjes’. Die mochten wel, want mijn moeder geloofde heilig in de heilzaamheid van alles wat uit Scandinavië kwam. Bovendien waren ze nagenoeg onverslijtbaar en door de open hiel duurde het lang voor je eruit groeide. Een ideale aanschaf dus, voor een zuinige huisvrouw. Die klompjes waren in alle kleuren verkrijgbaar, maar ik moest het doen met een naturelkleurig paar, dat kon je tenminste ‘overal bij dragen’. Het stugge leer deed pijn aan mijn wreef en door de onhandige dikke houten zolen viel ik een paar keer van de trap, maar dat wende wel, zei mijn moeder. In mijn dromen zie ik mezelf nóg weleens onhandig over het schoolplein klossen, terwijl mijn fortuinlijker klasgenootjes voorbij zweefden op hun vrolijk gekleurde Kickers.

“Ruim die berg schoenen nou eens op!”, klaagde ik gisteren tegen mijn dochter, waarna ik haar vertelde over het leed van de klompen en de Kickers. “Nou, maar mama”, zei mijn dochter. “Ik wilde heel graag van die schoenen met knipperende lampjes toen ik klein was, en die mocht ik van jou óók niet...” Ze liet haar lip behendig trillen. Is dat zo? Ja, inderdaad, ik vond die schoenen vreselijk. Wat gemeen van me! En ik had me nog wel zó voorgenomen om nooit op mijn moeder te gaan lijken! “Laten we zaterdag maar weer eens samen de stad in gaan”, zei ik. “Ik heb wat goed te maken.”

Beeld: iStock

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden