null Beeld

Sylvia Witteman: “Ik heb spijt dat ik mijn oma op haar oude dag van haar grote liefde heb beroofd”

Sylvia Witteman (54) is getrouwd, heeft een dochter (22), twee zoons (18 en 16) en katten Lola en Siepie. Deze week vertelt ze over haar oma. 

Elke keer dat ik een liedje van Wim Sonneveld hoor (en dat is nog verbazend vaak, gezien het feit dat hij al zowat een halve eeuw dood is) denk ik even aan mijn oma, eveneens zaliger. Wim was haar grote liefde. “Zo’n geestige man! Zo’n knáppe man ook! Een échte man en bovendien: zo’n kéurige man!” Mijn oma was erg gesteld op keurigheid. Zij was een vrouw van buffetlopertjes, van messenleggers, van antimakassars, gehaakte bedspreien, vitrages en soepterrines. Zij noemde een jas een mantel, zij droeg kleren van crêpe de chine of viyella in kleuren als mauve, vieux rose of vert de nil. En een bikini was een tweedelig badpak. Met een tweedelig badpak moest men oppassen dat het niet vulgair werd. Datzelfde gold voor spijkergoed. Het kón wel, maar uitsluitend frisgewassen en gestreken.

Wij, haar kleinkinderen, waren haar op kledinggebied dan ook een doorn in het oog, met onze jarenzeventighippiekleren. Afghaanse jasjes die doordringend naar schaap stonken, afgetrapte Zweedse klompjes, spijkerbroeken met rafelranden: “Kind, laat me daar nu even een zoompje in leggen!” Als we op de foto gingen, maakte ze met een natte kam eerst een zijscheiding in onze ragebollen. De meisjes rende ze achterna met schuifspeldjes. “Kind, je ziet toch niks als je haar zo in je ogen hangt!” Dat we van haar moesten bidden voor het eten, vonden we hoogst bespottelijk. Als mijn oma haar handen vouwde en de ogen sloot, probeerden we ons gegiechel te onderdrukken en intussen loerden we naar de pan met karbonaadjes. Ze kon lekker koken, dát wel. En na het eten zette ze een plaat op, van Wim Sonneveld.

Mijn oma werd ouder, en wij, kleinkinderen, werden pubers. Vervelende pubers, al zeg ik het zelf. We waren inmiddels geen hippies meer, maar punk. Mijn arme oma, ik zág haar gruwen. Verknipte T-shirts met gaten, (“Kind, is dat niet kóud?”) de veiligheidspeld door mijn oor (“Kind, als je ergens achter blijft hangen!”), mijn haar dat ik met zeep recht overeind had gezet – nou ja, het hing in elk geval niet meer in mijn ogen. Het allerergste vond ze de oorbel van mijn broer. Hij was toch zeker geen homo? We lachten haar in haar gezicht uit.

“Nou én, oma, en stel dat hij wél homo was, wat dan nóg? Doe niet zo bekrompen!”

Ze schudde haar hoofd. Nee, dat soort mensen was ziek, vond ze. En zielig. Nou ja, zeg! We leefden nota bene in 1980!

“Oma”, zei ik. “U wéét toch dat Wim Sonneveld homo was?”

Haar mond viel open. “Wát zeg je, kind?”

“Wim Sonneveld was homo, oma”, zei ik. “Hij viel op mannen. Hij had een vriend.”

“Nee”, zei ze ontzet. “Het is niet waar...”

“Het is wél waar”, zei ik. “Nou, en? Ieder zijn meug, toch?”

Ik had gelijk, natuurlijk. Maar nu, veertig jaar later, heb ik toch spijt dat ik haar op haar oude dag van haar grote liefde heb beroofd.

Beeld: iStock

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden