null Beeld

Sylvia Witteman is bij de tandarts: “Zelfs als je lacht zie je er niks van”

Sylvia Witteman (54) is getrouwd, heeft een dochter (22), twee zoons (18 en 16) en katten Lola en Siepie. Deze week wordt Sylvia weer geconfronteerd met het roerige verleden van haar gebit. 

Spijt is wat de koe schijt, zegt een charmant oudhollands spreekwoord. Spijt heb ik van een heleboel dingen (wie niet?), maar toch vooral van hoe ik in mijn jeugd mijn gebit verpest heb. Mijn moeder was fel tegen snoepen, daarom deed ik dat stiekem, ’s avonds in bed. Mijn moeder was vóór tanden poetsen, maar ik had er een hekel aan en nam alleen een hapje tandpasta voor een bedrieglijk frisse adem. Ik ging jong het huis uit, naar een kraakpand waar persoonlijke hygiëne gold als burgerlijk en zinloos. Het waren de jaren tachtig, wie poetst er nou zijn tanden als de bom elk moment kan vallen? Naar de tandarts ging ik al helemaal nooit.

Pas toen ik twintig was, bleek hoe stom ik was geweest. Om een lang verhaal kort te maken: ik ging jaren van kiespijn, vullingen en wortelkanaalbehandelingen en kronen tegemoet. Het kostte me duizenden euro’s, tientallen slapeloze nachten en liters angstzweet. Ik begon te poetsen, te flossen en te stoken om de verloren tijd in te halen. Rond mijn veertigste was mijn gebit pas echt in orde. Maar het geld en de inspanningen hadden effect gehad: ik had al mijn eigen tanden en kiezen nog.

Titanium

Inmiddels ben ik 55. Vorige week voelde ik een zeurende pijn onder één van die fraai bekroonde kiezen. “Tja”, zei de tandarts een paar dagen later, terwijl hij op de röntgenfoto tuurde. Hij schudde zijn hoofd. “Die kies moet eruit.” En, na een blik op mijn ontredderde gezicht: “Geeft niet hoor. Je krijgt een mooi implantaat van titanium.” Een hele troost, al is van ‘krijgen’ niet echt sprake. Van zijn offerte, de volgende dag, schrok ik mij het spreekwoordelijke hoedje. Maar ja, wat moet je? Ik wil ook niet rondlopen met een gapend gat. Dat moet ik trouwens tóch, bleek algauw. “Nee, dat implantaat kan ik er niet meteen in zetten”, zei de tandarts. “Die kaak moet eerst genezen, als die kies eruit is. Een paar maanden...” Máánden?! Daar schrok ik me een tweede hoedje.

Gisteren was het zover. Gelaten liet ik me achterover zakken in de tandartsstoel. Het prikje van de verdoving. Gefriemel, gepeuter, gekraak. “Ziezo,” zei de tandarts. “Die is eruit.” Ik voelde met mijn tong: een gigantische krater. “Zelfs als je lacht zie je er niks van”, zei de tandarts. Nou ja, er viel niks te lachen.

Bedroefd fietste ik naar huis, waar ik mijn jongste zoon weer eens aantrof met een pak roze koeken. Hij is dol op snoep. “Wat kijk jij moeilijk?”, zei hij. Wacht eens even, dit kon een mooi opvoedingsmomentje worden.

“Ik heb zojuist een kies moeten laten trekken!”, riep ik. “En weet je waarom? Omdat ik vroeger zo veel snoepte!” Dramatisch sperde ik mijn mond open en wees op de krater. Zonder veel interesse keek hij naar binnen. “Daar moet nu dus een peperduur implantaat in!”, riep ik. “Van titanium!”

Nu begonnen zijn ogen te blinken. “Titanium!”, riep hij. “Wat ontzettend cool! En dan zit je nog te zeuren?”

Hij greep nog een roze koek en vertrok kauwend naar zijn kamer.

Beeld: iStock

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden