null Beeld

Sylvia Witteman: “Je zet toch ook geen stervende kat aan de stoeprand?”

Sylvia Witteman (54) is getrouwd, heeft een dochter (22), twee zoons (18 en 16) en katten Lola en Siepie. Deze week vertelt ze over haar liefde voor kamerplanten. 

Ik hou van planten. Mijn hele leven al, ook in tijden dat kamerplanten uiterst onhip waren. In de jaren tachtig bijvoorbeeld; bij mijn vrienden bestond het interieur voornamelijk uit plexiglas, veel wit, hier en daar een strak zwart randje of misschien een Mondriaanmotiefje, maar bij mij zag het altijd groen van de planten.

Nou ja, groen is een groot woord. Eerder stoffig. Ik kocht mijn planten indertijd niet in een winkel, want ik was chronisch arm. Ik redde ze. Had er weer eens iemand in de straat een zieltogende potpalm of ficus bij het vuilnis gezet, dan nam ik die mee naar huis. Uit medelijden. Ik kon dat niet verdragen, die arme planten. Zeker, ze zagen er meestal belabberd uit (daarom waren ze ook bij het vuilnis gezet), maar ze lééfden nog. Je zet toch ook geen stervende kat aan de stoeprand? Thuis probeerde ik zo’n plant dan wat op te knappen, meestal zonder resultaat. Dat had er ongetwijfeld mee te maken dat ik A: geen enkel verstand van planten had en B: wie heeft er tussen haar 18e en 25e tijd voor getut met gietertjes en Pokon? Mijn planten mochten blij zijn dat ze water kregen, een keer in de week, uit de fluitketel. Ze wáren ook blij, want als ik ze buiten had laten staan waren ze allang op een treurige vuilnisbelt aan een dito einde gekomen.

Mijn moeder vond het maar niks. “Wat heb je nóu weer naar je hol gesleept?”, vroeg ze dan, met een vieze blik naar het zoveelste yucca-stompje of een halfvergane vetplant. (Zelf heeft ze wél groene vingers. Zelfs de notoir moeilijke kamerlinde staat er altijd pront bij in haar huis.) En dan mocht ze graag nog eens vertellen hoe ik als kind bij de Floralia-schoolplantjeswedstrijd altijd al mijn Vlijtig Liesje liet verdorren, terwijl mijn klasgenootjes er tientallen bloemen uit tevoorschijn wisten te toveren.

Inmiddels neem ik geen planten meer mee van het vuilnis, al jeuken mijn handen vaak. Ik koop ze, als een nette mevrouw, in het tuincentrum. De eerste weken staan ze er dan fris en gezellig bij, een lust voor het oog. Vervolgens worden ze langzaam stoffig, ze vergelen, ze verliezen bladeren. Dan sla ik, niet gehinderd door enige kennis van zaken, aan het snoeien. Daar wordt de plant niet mooier van, maar wel een stuk kleiner. “Die kan echt niet meer”, zegt huisgenoot P. weleens over zo’n plantenwrak. “Och...”, zeg ik dan. Want een plant weggooien kan ik nog steeds niet.

Het is erfelijk, vrees ik. Een paar weken geleden kwam mijn zoon thuis met een dode cactus. Hij was echt helemaal dood. Zo dood dat hij ritselde als je hem aanraakte. “Bij het vuilnis gevonden”, zei hij. “Zo zielig! Ik ga hem goed verzorgen, dan komt hij er weer bovenop.” Met oprecht medelijden keek hij naar het gemummificeerde onding. De cactus krijgt dagelijks water. Hij is inmiddels zwart en begint slijmerig in elkaar te zakken. Maar we hebben geduld, mijn zoon en ik. Hij komt er vást weer bovenop.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden