null Beeld

PREMIUM

Tessel Tindert: “Na een paar minuten kijk ik om en raak ik in paniek”

Robert en ik gaan naar een hotelletje in Noordwest-Frankrijk waar we eerder zijn geweest. In Picardië, aan de monding van de Somme, de rivier waarbij in de Eerste Wereldoorlog zo bloedig is gevochten.

Daar lagen de loopgraven van waaruit miljoenen Franse, Engelse en Duitse jongens de dood in werden gejaagd. ‘Schuldig landschap’, zeg ik tegen Robert als we er bijna zijn. Links en rechts strekken zich lappendekens van gele korenvelden en groene weiden met witte koeien uit tegen een decor van zachtglooiende heuvels. Robert kijkt me niet-begrijpend aan. ‘Zo noemde de kunstenaar Armando een landschap waar oorlogen en andere verschrikkingen hebben plaatsgevonden,’ leg ik uit. ‘In de zomer bloeien hier duizenden klaprozen. De poppy is nog steeds het symbool van de verschrikkelijke Grande Guerre, de grote oorlog, zoals de Fransen zeggen.’

Als we het dorpje aan de kust inrijden, zien we al in de verte de torens van het hotel. We zijn er eerder geweest en het is een van de meeste romantische plekken die ik ken. Niet groot, niet chic, niet deftig, maar kleine, witte, eenvoudig ingerichte kamers en witgeschilderde houten badkamers. De kamers met uitzicht op zee zijn altijd volgeboekt. Daarom heb ik met vooruitziende blik in mei, toen Frankrijk nog in totale lockdown was, een kamer gereserveerd voor in september.

Als we het hotel binnenlopen roept de receptionist: ‘Masque buccal!’ en wijst naar haar gezicht. O ja, mondkapje op. In onze kamer gooi ik meteen de ramen open. Op steenworp afstand kabbelen grijs-groene golfjes onder een ijlblauwe hemel met flarden witte wolkjes. De lucht ruikt zoutig en een beetje kruidig. Ook hier komt het najaar eraan. Achter me heeft Robert zich op het bed laten vallen. Hij spreidt zijn armen. ‘Heerlijk hier’, zegt hij. ‘Ik kom de kamer niet meer af.’ ‘Nou ik wel’, zeg ik. ‘Ik ga zwemmen. Het is zulk prachtig weer.’

Even later heb ik mijn badpak aan met daaroverheen een tuniek en loop ik met mijn handdoek een stenen trap af naar zee. Het is eb en voor me ligt een breed strand dat me aan de Wadden doet denken: zand vermengd met klei, bezaaid met schelpjes. Hier stroomt de machtige Somme de zee in. Ik trek mijn bloesje uit, smijt mijn handdoek neer en loop de zee in. Tien, twintig stappen, en ik laat me vallen. Het water is adembenemend koud, tintelend en zalig. Als ik eenmaal door ben, zwem ik met rustige slagen verder de zee in, zonder gedachten, vrij. Na enkele minuten kijk ik om en zie ik dat ik al behoorlijk ben afgedreven. Er staat een sterkere stroming dan ik dacht en even raak ik in paniek. Er zullen hier toch geen muien zijn? Meteen maak ik rechtsomkeert.

Tien minuten later plof ik in het zand, de warme wind streelt mijn gezicht. De zon trekt gouden banen over de golfjes. Septemberlicht. Niks zo mooi als septemberlicht dat de wereld in een warme gloed zet. Ik maak een selfie die ik aan Pieter stuur. Waarom doe ik dit, vraag me ik af, ik ben hier met Robert! Waarom moet ik altijd aan Pieter denken? Waarom is hij altijd aanwezig, onder mijn huid, in al mijn vezels, in de onderstroom van alles wat ik doe en denk en voel? Omdat je verliefd op hem bent, Tessel, zegt ik tegen mezelf. Zoals je ook zo verschrikkelijk verliefd bent geweest op Thomas en op Robert. Ze zijn de drie belangrijkste mannen uit je leven. Van Thomas en Robert hou je inmiddels onvoorwaardelijk, ondanks alles wat er is gebeurd, maar op Pieter ben je verliefd. Met hem heb je het verhaal nog niet afgemaakt. Ik schud mijn natte haren, trek mijn tuniek aan over mijn nog vochtige badpak en loop de stenen trap weer op naar de kade voor het hotel.

Op de kamer ligt Robert nog steeds op bed. Met zijn armen achter zijn hoofd gevouwen kijkt hij naar me als ik mijn badpak afstroop. Als ik gedoucht en wel naast hem kruip trekt hij me met zijn sterke armen naar zich toe. Hij klemt zijn handen om mijn polsen. Ik maak een razendsnelle beweging, ruk me los, ga op zijn borst zitten en druk mijn knieën op zijn bicepsen. Dat kan hij natuurlijk niet accepteren, macho als hij is, en voordat ik het weet heeft hij mij van zich afgegooid, pakt me in de houdgreep en lig ik in een machteloze positie te kermen. Met niemand kan ik zo goed stoeien en vechten als met Robert. Een vriendin aan wie ik dit wel eens heb verteld, begreep daar niks van. Stoeien? Vechten? Welke vrouw wil nou stoeien of vechten? Ik dus. Ik ben er dol op. Heeft vast te maken met mijn jeugd met drie vechtlustige broers die me op hardhandige wijze judokneepjes bijbrachten. Het leuke van de stoelpartijtjes met Robert is dat het duwen en vechten en schreeuwen van het ene moment op het andere kan overgaan in strelen en zoenen en vrijen. Zo ook deze keer. Zodat ik een halfuur later nóg een keer onder de douche sta. Even later loop ik rozig en en hongerig naast Robert naar de eetzaal. Zwemmen, stoeien vrijen, mosselen eten en witte wijn drinken: precies de dingen waar ik van hou.

Beeld: iStock

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden