null Beeld

Tessel Tindert: “Willem blijkt net zo saai als ik al dacht”

Vandaag heb ik een wandelafspraak met Willem. Willem is een tinderkennis met wie ik sinds een week of 6 af en aan app. Op zijn foto’s ziet er hij er aantrekkelijk uit met flink veel grijs haar en de regelmatige trekken van zo’n model in coltrui uit de Neckermann-gids die we vroeger thuis hadden.

Zijn leren jackje vind ik maar zo zo. Leren jasjes vind ik bij mannen die de 45 zijn gepasseerd, altijd discutabel. Net als cowboylaarzen trouwens: ze duiden erop dat deze jongens tegen beter weten in eeuwig rock&roll willen blijven en/of geen smaak hebben. Dat leren jackje zou ik Willem nog met zachte hand kunnen afnemen, maar het zijn vooral de tekstjes van Willem die me zorgen baren: ze zijn nietszeggend, vriendelijk, neutraal en nergens is ook maar een flintertje flirtende ondertoon te bespeuren. Dat nodigt mij niet uit tot een flitsende conversatie.

Zo zie je maar: de ene man kan je laten spetteren, bij de ander verschrompel je tot een saaie doos. En nu komt ook nog eens de coronacrisis erdoorheen fietsen en stokt de conversatie helemaal. Totdat Willem met het idee komt om eens te bellen. Door de telefoon klinkt hij aardig en al snel besluiten we tot een wandelafspraak met 1,5 meter afstand. Daarmee slaan we het advies in de wind dat Tinder zelf nogal schijnheilig in een berichtje heeft gezet: ‘We hopen in deze moeilijke tijd als platform te dienen voor verbinding, maar het is belangrijk om te benadrukken dat dit niet het moment is om je match IRL te ontmoeten.’ IRL? Wat is dat? Een ziekte? Ik raadpleeg Julie, mijn oudste, die ook op Tinder en Happ’n zit. ’Nee mam, dat betekent in real time’, zegt ze zuchtend. En, er meteen achteraan: ’Dus je moet nu echt met niemand afspreken mam!’ Ik vertel maar niet dat ik met een man die Willem heet, ga wandelen in het Amsterdamse bos.

Als ik aan kom fietsen zie ik hem al staan in zijn leren jackie. Hij ziet er precies zo uit als op zijn foto. En tijdens het uurtje dat we wandelen blijkt hij net zo saai als ik al vreesde. Regelmatig vallen er stiltes in het gesprek die ik opvul met nog maar een vraag en hij met opmerkingen over het weer; hoe mooi en droog en helder het is, hoewel een beetje fris.

Als Willem bij een koffietentje koffie voor ons haalt, kijk ik tersluiks op mijn telefoon. Er is een berichtje van een mijn vriendinnen: Marijke appt dat haar man in het ziekenhuis is opgenomen met corona. Ik heb het nu ook, niet ziek maar moe. Moet 14 dagen binnenblijven. We hopen er het beste van. Het zijn maar een paar regeltjes, maar de eenzaamheid spat eraf. ‘Ik moet terug’, zeg ik gejaagd tegen Willem als hij aan komt lopen met twee bekertjes koffie. Ik vertel hem van het appje van mijn vriendin. Een half uurtje nemen we afscheid bij mijn fiets. ‘We keep in touch’, zegt hij vriendelijk maar vaag. ‘Succes met alles.’ Even later zit ik op de fiets en ben ik de hele Willem al vergeten. Als een gek fiets ik naar het huis van Marijke. Ik koop bloemen bij de kraam tegenover haar huis en bel haar. Ze neemt gelukkig op. Haar stem klinkt dun als ze me het verhaal vertelt. ‘Tessel, het is echt erg. Maarten is zo verschrikkelijk ziek! Eergisteren is hij opgenomen het OLVG, hij krijgt nu zuurstof. Hij kan niet bellen, maar wel appen. De verpleegsters zijn engelen. Maar er is me wel gevraagd wat we willen als het onverhoopt slechter gaat en hij naar de IC zou moeten. Daar kan ik toch niet over beslissen? Dat moet Maarten zelf doen.’

Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik doe wat boodschappen voor haar en leg ze even later samen met de bloemen voor haar deur. Ik bel aan, zoals we hebben afgesproken. Dan loop ik weg. ’Dank je wel, Tessel,’ roept ze vanachter de deur.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden