null Beeld

Verzetsheldin Jacoba van Tongeren redde duizenden levens, “maar droeg schuldgevoel mee tot haar dood”

Jacoba van Tongeren (1903-1967) was een markante verzetsvrouw die duizenden mensen het leven redde. Als enige vrouw richtte zij een grote verzetsgroep op, die zij 5 jaar lang leidde: Groep 2000.

‘Beste 2000, ik vind dat u tijdens de Tweede Wereldoorlog heel dapper was. En ik denk dat ik niet de enige was die dat denkt. We hebben ook de code geleerd. Die was echt geniaal.’

Met vriendelijk groet, Casper

‘Beste mevrouw van Tongeren, u bent een held en een voorbeeld voor ons allemaal.’

Hartelijke groet van 7025, Annemijn

Zomaar een paar fragmenten uit brieven, geschreven in 2018 door de leerlingen van groep 8 van de openbare lagere school De Octopus in Zwolle, nadat ze het verhaal hebben gehoord van Jacoba van Tongeren; een verzetsheldin die bijna in de vergetelheid was geraakt. Totdat haar neef Paul van Tongeren (1942) in 2013 op haar memoires stuitte en een boek over haar scheef: Jacoba van Tongeren en de onbekende verzetshelden van Groep 2000.

Zwartste bladzijde

Het was maandagochtend 12 maart 1945, de temperatuur kwam net boven het vriespunt uit. Bij het Eerste Weteringplantsoen in Amsterdam hielden Duitse militairen tientallen burgers aan, voornamelijk vrouwen, kinderen en oudere mannen, want de jongemannen zaten ondergedoken of waren tewerkgesteld in Duitsland. Ze mochten niet weg. Er verschenen vrachtwagens, waaruit 30 mannen in burgerkleding stapten. Het waren gevangenen uit het Huis van Bewaring aan de Weteringschans. Schreeuwende Duitsers leidden 10 van hen naar de kant van het water. Toen richtten ze hun geweren op hen. Een officier brulde: ‘Feuer!’

De 10 zakten levenloos ineen, een schok ging door de toekijkende menigte. Het tafereel herhaalde zich nog 2 keer. Daarna vertrokken de Duitsers. De 30 lijken moesten als waarschuwing blijven liggen. Vanuit de Rode Kruispost op de ernaast gelegen brug naar de Stadhouderskade, zag de 41-jarige Jacoba van Tongeren het gebeuren. Dit was haar schuld, vond ze. Dat schuldgevoel zou ze tot haar dood met zich meedragen, aldus haar neef Paul. “Die twaalfde maart was de zwartste bladzijde uit haar leven.”

De inval

Jacoba was de leidster van Groep 2000, een uit ruim 140 personen bestaande verzetsgroep in Amsterdam die tijdens de oorlog zo’n 4500 onderduikers aan voedselbonnen hielp. Dat waren Joden, maar ook verzetslieden en jongens die niet wilden werken in Duitsland. Voor elk van hen had Jacoba een unieke code bedacht, waarbij letters in cijfers waren omgezet. Zelf was ze ‘2000’.

Groep 2000 had zijn hoofdkwartier op Stadhouderskade 56, schuin tegenover het Eerste Weteringplantsoen. Ze huurden het van de familie Verwoerd, die erboven woonde. Op vrijdag 9 maart werd hun achttienjarige zoon Henk voor de deur aangehouden door de politie omdat er met zijn persoonsbewijs was geknoeid. Even later viel de gealarmeerde Sicherheitsdienst (SD) het huis binnen. Ze doorzochten ook de etage van Groep 2000 en troffen het archief met de codetaal aan.

De Duitsers dachten een grote slag te hebben geslagen, maar geen van hen – zelfs specialisten in Berlijn – konden de code ontcijferen. De volgende dag gingen 4 leden van Groep 2000 op eigen initiatief en tegen de uitdrukkelijke orders van Jacoba in naar Stadhouderskade 56 om te proberen de codesleutel, die verborgen lag onder de vloer, in veiligheid te brengen. Ze beseften niet dat er nog Duitsers aanwezig waren en er ontstond een schietpartij waarbij een SD-er omkwam. Voor elke gedode Duitse soldaat dienden 30 Nederlanders te worden gefusilleerd, aldus de richtlijn van de bezetters in die laatste oorlogsmaanden. Onder de geëxecuteerden bevonden zich Leendert en Henk Verwoerd, afkomstig uit de familie van wie ze de ruimte huurden waarvandaan het verzet werd geleid.

Discipline en plichtsbesef

Jacoba werd op 14 oktober 1903 geboren in Nederlands-Indië. Haar vader Hermannus, een hoge militair, bouwde in de kolonie spoorwegbruggen voor het Nederlandse leger. Toen hij in 1908 naar Sumatra moest, nam hij Jacoba als enige van het gezin mee. Van haar vijfde tot dertiende woonde ze met hem in het oerwoud. Hoewel ze in haar memoires schreef dat ze daar heerlijke jaren had, kreeg ze een strenge opvoeding waarin discipline en plichtsbesef vooropstonden. Contact met leeftijdgenoten had ze nauwelijks; haar vader onderwees haar.

“Deze tijd in het oerwoud was cruciaal”, aldus Paul. “Ze leerde er wat discipline en doorzetten was. Het zou haar tijdens de oorlog goed van pas komen.” Toen haar vader in 1916 met pensioen ging, verhuisde het hele gezin naar Nederland. Jacoba bezocht het gymnasium in Amsterdam en deed daarna een verpleegstersopleiding. In 1928 werd ze ernstig ziek: ze bleek tbc te hebben en kuurde 7 jaar in een sanatorium in Groenekan.

Nooit namen en adressen gebruiken

In mei 1940 bezetten de Duitsers Nederland. Omdat haar vader voorzitter was van de Vrijmetselaarsloge die de Duitsers als staatsgevaarlijk beschouwden, kwam hij in een concentratiekamp terecht. Hij overleed daar in maart 1941.

Jacoba, die werkte als maatschappelijk werkster en daarom in haar persoonsbewijs een aantekening had waardoor ze makkelijk kon reizen, was toen al actief bij het verzet. Ze was betrokken bij de verzetskrant Vrij Nederland, die haar vader mede had gefinancierd en hielp neergeschoten Engelse piloten. “Van haar vader had ze geleerd hoe ze de veiligheid in acht kon nemen, onder andere door nooit namen en adressen te gebruiken”, zegt Paul. “Zodoende bedacht ze de code.”

De bonnenkoningin

In het voorjaar van 1941, toen de Jodenvervolging begon, richtte Jacoba zich met haar groep op de hulp aan onderduikers. Voor hen regelde ze distributiebonnen die ze overal in het land met de trein ophaalde bij knokploegen die distributiekantoren overvielen. Ze droeg dan een speciaal vest met zakken waarin wel 5000 bonnen konden. Ze kreeg de bijnaam ‘de bonnenkoningin’. Daarnaast regelde haar groep onderduikadressen, was er een illegale persdienst, werd er koerierswerk gedaan en verstuurden ze voedselpakketten naar gevangenen in concentratiekampen. De leden gebruikten geen geweld.

Bron van energie en inspiratie

Onder Jacoba’s leiding en door haar organisatietalent werd Groep 2000 een van de meest efficiënte verzetsgroepen in Nederland. Als vrouw had ze het echter niet makkelijk; veel mannelijke leiders van andere verzetsorganisaties namen haar niet of nauwelijks serieus, vertelt Paul. “Een vrouw kon toch geen verzetsgroep leiden? Regelmatig kwam ze met andere verzetsleiders in conflict. Maar haar medewerkers volgden haar blindelings. Ze had een groot natuurlijk gezag en leiderschapskwaliteiten. Toen prins Bernhard haar vlak na de bevrijding ontmoette, zei hij: ‘In u zijn tien generaals verloren gegaan'.”

Paul citeert wat een van de leden van Groep 2000 na de oorlog over haar schreef: “‘Een vrouw met zeer sterke persoonlijkheid, die een eenmaal in het oog gevat doel zal najagen tot het bereikt is. Een kenau in haar daden, maar met een warm gevoel. Een dynamische kracht en onuitputtelijke bron van energie en inspiratie voor haar medewerkers, met een visie op het leven en de toekomst die menig man vaak beschaamd deed staan. (…) Een leiding, die zonder in dictatuur te ontaarden, in principiële zaken niet wist van toegeven’.”

Paul: “Het is een prachtige typering van haar. Ze was een dappere, moedige, integere, hoogstaande vrouw. Ik word stil als ik de tragiek in haar leven tot me door laat dringen. Een moeder die zegt: ‘Ga jij maar met vader mee naar de jungle’, de liefde die ze daardoor mist. 7 jaar kuren in Groenekan. Ze worstelde met relaties. De ontberingen in de oorlog, het verlies van haar vader, de fusillade. Er zijn er die om minder alle hoop opgeven en stoppen. Ik vind het bijzonder dat ze altijd maar doorging. Ze verdiende het om niet vergeten te worden.”

Waarom is jouw vader doodgeschoten?

Maar waarom heeft Paul zo lang gewacht met het optekenen van het verhaal? Dat heeft alles te maken met de dood van zijn vader, Jacoba’s oudere broer Herman. Hij was een van de 18 medewerkers van Groep 2000 die de oorlog niet overleefden. In september 1944 werd hij vermoord door de Gestapo. Paul beleefde daarna zulke nare jaren – zo belandde zijn moeder in een inrichting – dat hij zich pas na zijn zeventigste in zijn familiegeschiedenis ging verdiepen. “Een van mijn kleinzonen vroeg tijdens het kerstdiner: ‘Opa, waarom is jouw vader doodgeschoten en jouw opa in een kamp omgekomen?’”, vertelt hij. “Ik besefte dat de tijd was gekomen om een en ander uit te zoeken.”

Hoewel Paul zijn tante Jacoba een paar keer had ontmoet tijdens haar leven, leerde hij haar toen pas echt kennen. “Ze leefde teruggetrokken in Bergen en werd verpleegd door een vriendin. De oorlog had haar uitgeput. Ze had geleefd onder een enorme spanning. Het laatste jaar had ze geen vast onderduikadres en sliep ze soms zelfs in fietsenstallingen. Daarom kwam de ziekte in 1947 terug. Als ik haar bezocht, lag ze aan het zuurstof. Ze kon maar een halfuur bezoek ontvangen, praten ging nauwelijks. Tijdens mijn bezoekjes sprak ze over die oorlog, maar ik wilde er niets van weten.”

Niet vergeten

Uit haar notities leerde hij dat ze werd gepijnigd door gewetensnood. “Ze had te weinig gedaan, vond ze. Te weinig mensen gered. En niets kunnen doen toen die 30 mannen werden gefusilleerd op de Weteringsschans. Omdat die verzetslieden op eigen houtje naar Stadhouderskade 56 waren gegaan, waardoor die Duitser omkwam, had ze gefaald, vond ze. Ze zei: ‘Blijkbaar had ik niet voldoende overwicht’. Dat nam ze zichzelf kwalijk. Op aanraden van dominee Klamer, omroeppastor van het Ikon, schreef ze dingen van zich af.”

Wat Jacoba ook stak: niemand sprak na de oorlog over haar verzetsgroep, niemand kende de namen van de leden die achter de cijfercode schuilgingen en die al die onderduikers van voedselbonnen hadden voorzien. “Door alles op te schrijven, hoopte ze dat het niet vergeten zou worden – niet voor haarzelf, maar voor al die anderen die hun leven hadden gewaagd. Maar haar schrijven belandde in een archief.”

Nekschot van de Gestapo

Voor Paul waren de passages over de dood van zijn eigen vader uiteraard het meest aangrijpend om te lezen. “Ze beschreef dat in detail”, zegt hij. “Ze had gehoord dat er in Haarlem iets was gebeurd en reed er op een fiets met houten banden heen. Ze vond hem, neergeschoten langs de weg. Ik had wel eens aan mijn veel oudere zussen gevraagd wat er die dag was gebeurd, maar dan keken ze weg of zeiden iets als: ‘Het was mooi weer’. Nu las ik dat hij een nekschot had gekregen, maar nog leefde. Jacoba heeft hem naar een ziekenhuis gebracht, waar hij een paar dagen later overleed. Door deze gebeurtenis had ik geen enkele herinnering aan de eerste 10 jaar van mijn leven. Ik heb nooit geleerd om over gevoelens te praten, nooit geleerd me te hechten.”

In een zoektocht naar troost en de zin in het leven, stortte Paul zich op het verbeteren van de wereld. Hij richtte bijvoorbeeld de Wereldwinkel en een netwerk van vredesorganisaties op. Maar de echte troost vond hij toen hij op scholen over zijn tante Jacoba ging praten. “Kinderen waren aangedaan door mijn verhaal, sommigen wreven zelfs over mijn hand. Dat heeft me enorm goed gedaan. Een diepe troost.”

Opkomen tegen onrecht

In 1990 kreeg Jacoba postuum de Israëlische Yad Vashem-onderscheiding, als redder van Joden. Ze is ook opgenomen in het boek 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. “En in 2015 is in Amsterdam-Nieuw West een brug naar haar vernoemd. Ze is een rolmodel voor veel vrouwen. Ze leert ons dat je moet opkomen tegen onrecht en het niet moet pikken als er een groep apart wordt gezet. En dat we moeten strijden tegen racisme en discriminatie.” Hij pakt de brieven van de schoolkinderen aan zijn tante er nog maar eens bij. ‘Ik zal u nooit vergeten’, schrijft Xem. “Mooi, hè”, zegt Paul. “Ze is inderdaad niet meer vergeten.”

Tekst: Bram de Graaf. Beeld: privéarchief

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden