null Beeld

Verzetsheldin Loek Caspers: “Een mens in nood moet je áltijd helpen”

Afgelopen zomer, in augustus 2019, overleed op 95-jarige leeftijd een van Nederlands laatst overgebleven verzetsstrijders: Loek Caspers. Het verzet kreeg ze met de paplepel ingegoten vanuit haar ouderlijk huis, maar ook na de oorlog bleef ze zich onvermoeibaar inzetten om racisme te bestrijden. “Ze had haar naasten lief.”

“Vluchtelingen hebben het niet gemakkelijk,” zei Loek Caspers in april 2018 tijdens een van haar laatste publieke toespraken in het plaatsje Langbroek bij Utrecht, waar ze zelf tijdens de oorlog zat ondergedoken. Ze richtte zich daarbij speciaal tot de aanwezige kinderen. “Een besluit nemen om te vluchten is niet eenvoudig. Je laat je huis, al je spullen en familie achter omdat je niet veilig meer bent. Je weet niet of je iemand die je kent ooit nog terug zult zien. Je hoopt op een leven in een veilig land. Deze mensen moeten geholpen worden, want een mens in nood moet je altijd helpen. Als er een vluchtelingenkind in je klas komt, ga er dan mee om zoals je doet met je andere vriendjes. Neem hem of haar mee naar huis en naar je sportclub zodat ze voelen dat ze erbij horen. En luister niet naar mensen die gemene opmerkingen maken over al die vreemdelingen.”

Heb oog voor je naasten: het was Loek Caspers ten voeten uit. Op 8 augustus 2019 overleed de voormalige verzetsvrouw. De uitvaartdienst was in Den Haag waar ze lid was geworden van de internationale katholieke kerk. Die zat bomvol. Er waren oorkondes van generaal Eisenhower, de geallieerde opperbevelhebber tijdens de Tweede Wereldoorlog, en de Britse luchtmacht RAF. “Ze heeft na haar dood veel van haar bezittingen aan goede doelen geschonken,” zegt haar zus. “Tot het laatst toe had ze haar naaste lief, dat is haar grootste verdienste geweest. Ze heeft zichzelf niet verloochend.” Loek is in Driebergen, de plaats waar ze opgroeide en waar haar oorlogsjaren zich afspeelden, begraven.

Gedreven door naastenliefde

Op 3 juli 1924 werd Loek in Driebergen geboren als Nellie Cato Caspers. Tijdens de oorlog had ze de schuilnaam Yvonne van Dam, met als roepnaam Loek; de naam die ze ook na de oorlog altijd is blijven gebruiken. Vanaf 1941 raakten Loeks ouders nauw betrokken bij het verzet. Haar vader was hoofd van de christelijke lagere school in Driebergen, haar moeder was onderwijzeres. “We waren een plezierig gereformeerd gezin”, zegt Loeks 11 jaar jongere zus Wilma de Graaf-Caspers. “We waren met vier kinderen, ik was de jongste. Mijn ouders werden gedreven door naastenliefde. Dat had meer met ethiek dan met religie te maken: iedereen was je naaste. En iedereen die hulp nodig had, moest je helpen.” In hun huis was het een komen en gaan van onderduikers; Joden, jongemannen die niet in Duitsland wilden werken en soms neergeschoten geallieerde piloten. En ook van koeriersters, die voor het verzet wapens en berichten rondbrachten of de onderduikers naar een andere plek begeleidden. “We woonden in een mooi, groot huis aan de Welgelegenlaan en er waren altijd mensen over de vloer. Onze buren waren Duitsgezind. De buurvrouw zei eens tegen mijn moeder: ‘Mevrouw Caspers, wat staan er toch altijd veel fietsen bij u.’ Toen wisten we dat we moesten opletten, maar ze hebben ons nooit verraden.”

Tas met wapens

Als kind kreeg Wilma een speciale taak. “Op de strook zand tussen onze tuin en de straat, waarop prachtige eikenbomen stonden, moest ik een hinkelbaan maken. Als er onderduikers of koeriersters in huis waren, speelde ik daar en hield ik de straat in de gaten. Zodra er een auto aankwam, moest ik iedereen waarschuwen.” Op een keer stopte er een Duitse legerauto voor de deur, waaruit een officier stapte met haar zus Loek aan zijn arm. “Ik was binnen en mijn moeder viel zó op de grond. Ze was flauwgevallen, volgens anderen die ook in de kamer waren – ik kende dat woord helemaal niet. Wat bleek: Loek was op het station van Veenendaal in elkaar gezakt, waarschijnlijk omdat ze een ze een zware tas met wapens bij zich had. De officier zag dat en dacht: ach, wat sneu, ik zal dat meisje even netjes thuis brengen. Niet wetende wat ze bij zich droeg.”

Hun ouders waren een groot voorbeeld voor hen, vertelt Wilma. “Ze moesten niets van de nazi’s hebben. Mijn vader heeft een keer de zoon van een NSB-er naar huis gestuurd omdat hij op school verscheen in zijn WA-uniform. Vader moest vervolgens bij de Ortskommandant op de Maliebaan in Utrecht komen. Hij ging er met de trein heen met een koffertje, want ze zouden hem vast arresteren. De commandant vroeg waarom hij de jongen had weggestuurd. ‘Ik ben directeur van een christelijke school’, antwoordde vader. ‘Daar is geen ruimte voor andere ideologieën.’ De Duitsers vergaten op het proces verbaal te vermelden dat ze hem de aanklacht in het Nederlands hadden voorgelezen en door deze vormfout kwam hij vrij. Dat jochie heeft dat uniform nooit meer gedragen.”

Plichtsgevoel en geloof

Het was voor vader en moeder Caspers vanzelfsprekend dat ook Loek bij het verzet ging. Op haar achttiende werd ze door een lokale verzetsleider gevraagd of ze hen kon helpen. Loek had een donker uiterlijk en mooie donkere ogen; ze kon doorgaan voor de oudere zus van Joodse kinderen. Omdat kinderen nog geen persoonsbewijs hoefden te hebben en Loek een persoonsbewijs had zonder ‘J’, kon ze deze kinderen overal in het land brengen. “Dat uiterlijk had ze van mijn vader,” zegt Wilma. “Hij was een mooie man. Mijn ouders stonden er volledig achter dat ze dat werk deed, hoewel ze natuurlijk een groot gevaar liep. Mijn zus Ank, die van 1930 is, hielp ook mee. Ank en Loek waren onverschrokken, ze hadden allebei een groot rechtvaardigheidsgevoel.” Loek was ook erg gelovig. Ze was lid van de christelijke korfbalvereniging Dalto (‘De aanval leidt tot overwinning’) en haar hele team zat in het verzet. “Ze werden gedreven door plichtsgevoel en hun geloof. Voor ze een actie ondernamen, vroegen ze Gods zegen. Loek had een rotsvast vertrouwen in God.”

Zelf zei Loek eens over haar drijfveren: “Dat is het niet kunnen verdragen dat de vrijheid wordt beknot en dat de integriteit van medemensen door de bezetter wordt aangetast. Verzetsmensen deden hun werk niet ten eigen bate, maar volgden de stem van hun geweten. Zij hielpen hun medemens in nood. Niet iedereen kan iets spectaculairs doen. Wel kan iedereen proberen een steentje bij te dragen aan een toleranter samenleving. Er is een Chinees spreekwoord dat zegt: ‘Het is beter een kaars aan te steken dan de duisternis te vervloeken’.”

Wonderlijk

In september 1944 begon de bevrijding van Zuid-Nederland. Het gebied boven de grote rivieren zou tot mei 1945 bezet blijven. Daar werden door de geallieerden veel wapens gedropt, die onder meer bij de familie Caspers in Driebergen werden opgeslagen. Voor Loek brak een drukke periode aan. Ze fietste in een kraamverpleegstersuniform met de benodigde papieren over de Utrechtse Heuvelrug van verzetsgroep naar verzetsgroep, om wapens en granaten rond te brengen, soms fietste ze wel 125 kilometer per dag. Ze verzamelde de notities van de zogenaamde ‘breidames’; vrouwen die met een breiwerkje op schoot achter het raam noteerden hoeveel Duitse soldaten en legerwagens er passeerden. Die informatie werd dan per zender doorgegeven aan de geallieerden. Ook hielp ze neergeschoten geallieerde piloten en soldaten die niet hadden kunnen ontsnappen na de mislukte Slag om Arnhem over de rivieren terug te komen in bevrijd gebied, de zogenaamde crossings.

Meerdere malen ontsnapte Loek ternauwernood aan een arrestatie. Toen ze een keer een geheime zender bij zich had, stuitte ze op een Duitse patrouille. Ze wilden haar spullen doorzoeken maar Loek wees op donkere wolken die dichterbij kwamen: “Het gaat hard regenen,” zei ze, “ik ga er snel vandoor.” “Loek zag dat als goddelijk ingrijpen”, aldus Wilma. “We geloven in wonderen. Op een middag had moeder het brood verdeeld toen er opeens toch nog 3 mensen aankwamen en ze het brood opnieuw verdeelde. Die avond zei ze: ‘We hebben nu niets meer te eten. Laten we bidden en vragen of de Heer ons wil helpen.’ De volgende ochtend stond er een zak graan op de stoep. We hebben nooit geweten wie dat heeft gedaan. Dat is een wonder toch?”

Enorm gedreven

Begin mei 1945 zat Loek ondergedoken in Leersum. In de buurt zat een bataljon Nederlandse SS’ers dat weigerde zich over te geven. 6 verzetsmannen die op 5 mei tevoorschijn waren gekomen, werden door hen vermoord. ‘Voor de lol’, zeiden ze tegen Loek, die langs de lijken kwam. ‘We maken even onze munitie op.’ Loek kreeg de zware taak om de weduwen van de mannen in te lichten. 3 van hen had ze goed gekend. Ze zou zich de rest van haar leven ervoor inzetten dat hun namen nooit vergeten zouden worden.

Na de oorlog studeerde Loek medicijnen in Utrecht en werkte daarna als anesthesist in Londen. In 1960 kwam ze terug naar Nederland en deelde een appartement in Utrecht met haar zus Wilma, die voor verpleegster leerde. Loek schreef verschillende boeken over de oorlog en was jarenlang secretaris van de Nationale Federatie Raad van het Voormalig Verzet Nederland (NFR). Ze hield een website bij waarop mensen haar vragen over de oorlog konden stellen en ze klom meteen in de pen als een krant of tijdschrift in haar ogen foute informatie over het verzet verspreidde. Ze is nooit getrouwd, daarvoor was ze te zelfstandig, vertelt Wilma. “Ze liet zich door niemand de wet voorschrijven. Ze had een enorme gedrevenheid om haar werk goed te doen. Toen ze vanwege haar slechte handen het beroep van anesthesist niet langer kon uitoefenen, ging ze bedrijfskunde studeren. Ze was altijd heel ijverig en verspilde nooit tijd. Ze heeft zich tot het laatst toe ingezet voor de vrede en voorlichting op scholen gegeven.”

Discriminatie

Loek vond het verschrikkelijk dat de discriminatie weer overal de kop op stak en sprak daarover met jongeren. Zo zei ze in 2018 tegen de kinderen in Langbroek: “In Amsterdam kan een Joodse jongen die een keppeltje draagt in sommige wijken niet komen zonder uitgescholden te worden.” Ze noemde nog een voorbeeld van vreemdelingenhaat: “Recent flyerde een uit Somalië afkomstige Nederlandse vrouw voor de gemeenteraadsverkiezingen. Ze werd zó uitgescholden dat ze zich bedreigd voelde en ermee stopte. Er zijn protesten geweest als er ergens een asielzoekerscentrum geopend werd. De mensen uit het verzet vochten tegen deze discriminatie en dat deden ze met gevaar voor hun eigen leven. Vraag je altijd af: wat zou ik gedaan hebben?”

Tekst Bram de Graaf. Beeld: Hans Dirksen fotografie

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden