null Beeld

Verzetsheldin Selma van de Perre-Velleman: “Pas als ik dood ben, zal ik bevrijd zijn”

De Joodse verzetsstrijdster Selma wist op wonderlijke wijze uit de handen van de Duitsers te blijven en werd actief in het verzet. Uiteindelijk werd ze toch opgepakt, maar kon ze haar Joodse identiteitverborgen houden. Ze vertelt haar verhaal in onze gloednieuwe Bevrijdingsspecial. 

Zou ze niet thuis zijn? Ik heb al 2 keer aangebeld. Op het afgesproken tijdstip ben ik op het adres in de Londense wijk Hammersmith. Na een paar minuten wordt het gordijntje van het raampje in de voordeur opzij geschoven. 2 ogen kijken me strak aan. Het is Selma. “Sorry, maar ik ben niet meer zo snel”, zegt ze, als ze heeft geopend. Ik schaam me voor mijn ongeduld. Even later sta ik in een gezellige, rommelige woonkamer. Overal liggen boeken en tijdschriften en er hangen kleurige schilderijen, sommige van Selma’s eigen hand. Ik kan me niet voorstellen dat ze al 97 jaar is, ze oogt nog zo helder en fit, zeg ik als we zitten. “Nou, ik merk dat ik achteruitga”, zegt ze. “Ik ben een paar keer gevallen de afgelopen maanden. Ik moet goed opletten.” Ze is blij met de amandelstaaf die ik heb meegenomen. “Wat lekker! Hoe wist je dat ik van zoetigheden houdt?” “Dat schrijf je in je boek”, zeg ik – vanaf het eerste mailcontact staat ze erop dat ik haar tutoyeer. “Echt? Ach, ik heb zo veel opgeschreven.”

De laatste die het kan vertellen

In januari 2020 verscheen Selma’s boek Mijn naam is Selma. Hoewel ze veel heeft geschreven in haar leven – ze is onder andere recensent geweest voor diverse tijdschriften – was het haar debuut. Het boek gaat over haar ervaringen gedurende de oorlog. Selma is Joods en zat in het verzet. Haar vader, moeder en zusje Clara werden in concentratiekampen vermoord. Haar 2 oudere broers, Louis en David, wisten in het begin van de oorlog naar Engeland te ontkomen – de reden dat ze zich daar ook in 1945 vestigde. Zelf overleefde ze kamp Ravensbrück. “Mijn neef zei: ‘Je bent de laatste die het kan vertellen, je moet het opschrijven’”, vertelt ze.Het gezin Velleman woonde in Amsterdam toen de Duitsers Nederland bezetten. Ze waren thuis niet belijdend Joods. “We gingen nooit naar de synagoge. Ik was me er dan ook helemaal niet van bewust dat ik ‘anders’ was. Mijn familie woonde al honderden jaren in Nederland. Mijn beste vriendin Greet was katholiek, ik voelde geen verschil. Na de oorlog voeflde ik me wel anders. Mensen waren aardig, hoor. Maar voor het eerst voelde ik me een vreemdeling in Nederland.” Omdat de Duitsers heel geraffineerdbeperkende maatregelen doorvoerden, had Selma aanvankelijk niet door wat er speelde. Eerst werden Joodse ambtenaren ontslagen, toen werd het Joden verboden om naar theaters te gaan. “Elke keer iets nieuws. Op een bepaald moment mochten andere Nederlanders geen omgang meer met ons hebben. Greet trok zich daar gelukkig niets van aan.”Op haar 20e verjaardag, op 7 juli 1942, kreeg ze een oproep voor transport naar een werkkamp. Haar vader gaf haar chocolade met een laxeermiddel waardoor ze diarree kreeg. Een dokter schreef een briefje dat ze ziek was. “Omdat ik daarna een baantje kreeg bij een bontfabriek die spullen maakte voor het Duitse leger, werd ik vrijgesteld van transport. Op een dag had ik vreemde buikpijn en besloot ik niet te werken. Juist die dagwerden alle Joodse medewerkers opgepakt.” Die buikpijn had ze vaker. “Het was een soort intuïtie, waardoor ik altijd de juiste beslissingen nam. Noem het geluk.”

Op de thee bij een officier

Nadat haar vader zich eind 1942 wel had gemeld voor een werkkamp en werd doorgevoerd naar Westerbork, besloot Selma dat ze moesten onderduiken. “’s Nachts hoorden we hoe buren werden opgehaald door de Duitsers”, vertelt ze. “Via kennissen van mijn vader regelde ik in Eindhoven een onderduikadres voor Clara en mijn moeder. We moesten er flink voor betalen, maar gelukkig had mijn vader hier geld voor verstopt. Zelf sliep ik continu ergens anders.” Bij een arts in Leiden waar ze verbleef, ontmoette ze zijn collega’s die onderduikers hielpen.“Op een avond hoorde ik dat ze een tekort hadden aan jongelui om mee te helpen. Ik bood mijn hulp aan, zo kwam ik bij het verzet.”Ze begon met het distribueren van verzetskrantjes. Omdat ze er niet heel Joods uitzag, bracht ze daarna koffers vol krantjes, vervalste identiteitsbewijzen en bonkaarten naar andere verzetsgroepen in Nederland, soms ook naar België en Frankrijk. Als ze in de buurt was, bezocht Selma haar moeder en Clara in Eindhoven. In juni 1943 werden zij verraden. Via Westerbork werden ze doorgestuurd naar Sobibor en, naar later bleek, meteen vergast. Voor de zekerheid verfde Selma haar haar blond. Later kreeg ze ook een persoonsbewijs met een andere identiteit: voortaan was ze Margareta (Marga) van der Kuit uit Soest. “Het was de naam van een overleden baby.”Op een keer werd haar gevraagd aan te pappen met een Duitse officier; het verzet had Duitse stempels nodig om papieren te vervalsen. “Ik twijfelde. Maar het moest omdat we zo jongens uit de gevangenis konden bevrijden. In Utrecht ontmoette ik bij een bushalte een Oostenrijkse officier die me uitnodigde voor de thee bij hem thuis. We hebben gedanst en hij zoende me. Ik liet hem begaan, want ik wilde die jongens redden. Toen hij in de keuken drinken haalde, heb ik snel zijn uniformjasje doorzocht en vond papieren met de benodigde stempels. Ik heb die in mijn tasje gedaan en ben er, zodra ik me kon excuseren, vandoor gegaan. Gelukkig ben ik hem daarna niet meer tegengekomen.” Ze was zich bewust van de gevaren die het verzetswerk met zich meebracht. “Maar het werd een alledaagse baan en het moest gebeuren. Daarnaast: zoveel mensen werkten voor het verzet. En niemand had een vermoeden wat de Duitsers met je deden als je werd opgepakt.”

Gearresteerd

In juli 1944 kwam ze daar zelf achter. Ze werd gearresteerd toen ze iets ging ophalen bij een vriend in Utrecht. “Ik vertelde de Duitsers dat ik gewoon een vriendinnetje was dat langskwam. Aanvankelijk geloofden ze me. Tot ik naar het SD-hoofdkwartier op de Euterpestraat in Amsterdam werd gebracht; daar stond de beruchte SD-er Willy Lages. Hij vroeg mijn bewakers wie ik was en die zeiden dat ik waarschijnlijk onschuldig was. Lages zei: ‘Glaube ich nicht.’” Ze was bang, bekent ze. “Zouden ze erachter komen dat ik Joods was en Selma heette? Hoewel ik niet zeker wist wat er met de Joden in het oosten gebeurde, dacht ik meer kans van overleven te hebben als ‘Marga de verzetsstrijdster’. Ik durfde niet te slapen in mijn cel, omdat ik bang was in mijn slaap te praten. Bij een verhoor zagen ze dat mijn haar was geblondeerd. ‘Waarom is dat?’, vroegen ze. Ik antwoordde: ‘Een meisje kan nu niets kopen, alleen maar naar een kapper gaan.’ Gelukkig geloofden ze me.”Zo kwam Selma als politiek gevangene in kamp Vught terecht. “Hoewel ik al 22 was, voelde ik me nog een kind. Zo was ik altijd behandeld in het gezin; ik had nooit zelf iets beslist. In het kamp was ik op mezelf aangewezen en moest zien te overleven, van de een op andere dag was ik een vrouw. Ongelofelijk, als ik eraan terugdenk.” Kamp Vught was een sanatorium vergeleken met wat haar nog te wachten stond. “We hadden voldoende te eten en ik werkte in een fabriek. We hadden onze eigen matras en er was goede hygiëne.”Op 5 september 1944, toen de geallieerden aan de Nederlandse grens stonden, werd Vught ontruimd. Iedereen moest naar een gereedstaande trein met goederenwagons. Selma kreeg weer buikpijn. Ze verstopte zich in de barak. Bij een laatste controle werd ze gevonden en zo kwam ze in de laatste wagon terecht. In tegenstelling tot de andere zat die niet tjokvol. De vrouwen erin hadden in de keuken gewerkt en waren zo wijs geweest eten mee te smokkelen. “Weer had ik geluk.” De trein bracht hen naar Ravensbrück, 80 kilometer boven Berlijn. Hier begonnen de zwaarste maanden van haar leven.

Hel naast de hemel

Rondom Ravensbrück liggen prachtige bossen en meren. Een ervan, de Schwedtsee, ligt tussen het dorpje Fürstenberg en het kamp. Het vormde destijds de scheiding tussen hemel en hel. “Je hebt dat mooie dorp, rijdt langs dat meer door de natuur en dan kom je bij het kamp,” zegt Selma. “Het contrast is enorm. In de Schwedtsee werd de as van de overleden gevangenen gegooid. De bakker van Fürstenberg leverde het brood en de slager het vlees aan de SS-bewaking die naast het kamp woonde. Nog steeds wordt volgehouden dat de inwoners niet wisten wat er écht in het kamp gebeurde. Daar heb ik grote moeite mee. Bijna 30.000 mensen zijn daar gestorven.” Ook in Ravensbrück had Selma weer relatief geluk. Oudere Nederlandse vrouwen leerden haar wat ze wel en niet moest doen. Ze kreeg werk in de bij het kamp gelegen Siemens-fabriek, waar ze secretaresse werd van een aardige Duitser die haar humaan behandelde. Maar dat nam niet weg dat het leven in het kamp werd gekenmerkt door honger, kou, ziekte en dood. “Ik droeg een haveloos kampjurkje zonder ondergoed. Ik was doodmoe, sliep nauwelijks. Het vieze matras moest ik met anderen delen. Gevoelens had ik nauwelijks meer. Het enige gevoel was: ik wil overleven. Ik probeerde niet te denken aan mijn ouders en zusje. Alles duwde ik weg. Dat doe ik nog steeds en dat helpt een beetje. Zo voorkom je dat je je verstand verliest. Zo overleef je.”

Opgehaald door een engel

In het voorjaar van 1945 namen de geruchten toe: ‘De Russen zijn dichtbij,we worden snel bevrijd.’ Maar de Duitsers begonnen de sporen van hun misdaden uit te wissen. “Op een dag moesten we ons verzamelen en naar het meisjeskamp Uckermark lopen, vlak bij Ravensbrück, waar we werden opgesloten. We wisten dat ze er mensen vergasten. Elke dag dacht ik: dit wordt mijn laatste. Elke ochtend werden op het appèl vrouwen geselecteerd en meegenomen. Ik rook de gaskamer en het crematorium. We zeiden tegen elkaar: ‘Ze zullen ons allemaal doden, want wat hier gebeurt, mag nooit naar buiten komen.’”Na 9 dagen stond er opeens een Zweedse man voor hun poort die hen vertelde dat hij ze kwam ophalen. “Een blonde, slanke man van een jaar of 30. Wat een verschijning! Het leek wel een heilige. Hij vertelde dat hij van het Zweedse Rode Kruis was en dat we naar Zweden werden gebracht. Hij gaf me een sigaret. Een Duitse bewaakster riep: ‘Marga, niet roken.’ Maar hij zei: ‘Niets van aantrekken.’ Voor het eerst voelde ik me vrij.” Op 23 april vertrokken ze. Eenmaal veilig in Zweden kregen ze alle hulp die ze nodig hadden en konden aansterken. Selma mocht 2 jurken uitkiezen, ze koos felgekleurde. “Ik wilde weer kleur in mijn leven. Daarom zitten er ook zo veel kleuren in mijn schilderijen.” Er kwam ook een Nederlandse delegatie langs. Ze moesten hun namen doorgeven. ‘Margaretha van der Kuit,’ zei Selma eerst. Toen ze hoorde dat de namenlijst naar Engeland zou gaan, omdat Nederland nog was bezet, bedacht ze zich. ‘Mijn naam is Selma’, zei ze toen. “Ik was wantrouwend. Bang om mijn Joodse identiteit te onthullen. Maar misschien zouden mijn broers de lijst zien en zo wisten ze dat ik nog in leven was.” Wantrouwend is ze altijd gebleven, zegt ze. “Om te overleven mocht ik niemand vertrouwen in de oorlog. Dat gaat nooit weg.”

Toch zwanger

Na de bevrijding vestigde Selma zich dus in Londen. Daar hoorde ze wat ermet haar opgepakte familieleden was gebeurd; haar vader bleek eind 1942 in Auschwitz te zijn vermoord. Hoewel ze nieuwe mensen leerde kennen en ook plezier maakte, voelde ze zich vaak erg alleen en depressief. Ze ontmoette in 1949 haar man Hugo, een Belg die net als zij bij de BBC werkte. Ze wilde dolgraag een gezin, maar een gynaecoloog vertelde haar dat ze vanwege de geleden ontberingen waarschijnlijk geen kinderen zou kunnen krijgen. “Wat was ik blij toen ik toch zwanger bleek. De geboorte van mijn zoon Jocelin was natuurlijk een troost. Maar het kon niet goedmaken wat er in de oorlog was gebeurd. Niets kan dat.”Sinds 15 jaar gaat Selma 2 keer per jaar terug naar Ravensbrück om haar verhaal aan jongeren te vertellen. Elke keer kost het haar weer moeite, zegt ze. “Niet vanwege mijn eigen verhaal, maar ook omdat ik danhet verhaal van Clara en mijn moeder vertel. Die wond heelt nooit. Elke avond verschijnen ze voor me. En dan zeg ik: ‘Selma niet aan denken, druk het weg. Je kunt er niets aan veranderen.’ Maar toch staan ze elke keer weer voor mijn ogen. Daarom durf ik niet naar hun kampen Westerbork en Sobibor, want dan word ik weer depressief.” “Heb je je ooit bevrijd gevoeld?” vraag ik. “Nee,” zegt ze. “Bevrijd zal ik pas zijn als ik dood ben.”

Mijn naam is Selma van Selma van de Perre is op 9 januari verschenen bij Thomas Rap.

De 'Libelle 75 jaar Vrijheid' ligt vanaf 30 maart in de winkels.
Of je kunt deze mooie bewaarspecial bestellen via onze online shop.

Tekst: Bram de Graaf. Fotografie: Chris van Houts.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden