null Beeld

Veteraan Lin Andringa: "Toen ik wakker werd, kon ik me niet meer bewegen"

Op zoek naar avontuur werd Lin Andringa (35) militair. Maar de missies naar Bosnië, Irak en Afghanistan gingen haar niet in de koude kleren zitten. Erover praten lukte niet, totdat ze in 2015 helemaal vastliep.“Ik wilde geen watje zijn.”

“Op een ochtend in 2015 werd ik wakker en kon ik me niet meer bewegen. Ook praten lukte niet meer, ik kon alleen nog maar huilen. Jarenlang was ik op pure wilskracht doorgegaan, nu bleek ik compleet vastgelopen. Alle narigheid die ik op buitenlandse missies had gezien en die ik zo zorgvuldig probeerde weg te stoppen, eiste zijn tol. Ik had er nooit over gesproken, want ik wilde geen watje zijn. Ik was toch die stoere vrouw die zich als een vis in het water voelde bij Defensie? Achteraf vraag ik me af: was ik wel zo geschikt voor het leger?”

De beste van allemaal

“Toen ik op de middelbare school zat, kwam Defensie langs voor een voorlichting. Ik wist meteen: ja, dat wil ik! Als kind al had ik een hang naar avontuur. Van meisjesdingen hield ik niet. Liever had ik stoere hobby’s, zoals judoën en slootjespringen. Na school was ik nog te jong voor de militaire opleiding. Ter overbrugging deed ik een soort oriëntatiejaar waarin we fysiek en mentaal helemaal binnenstebuiten werden gekeerd. Gelukkig kwam ik de keuring gemakkelijk door en het jaar erna begon ik op de AMO, de algemene militaire opleiding. Mijn ouders waren minder enthousiast, maar ze wisten dat ik dit graag wilde en respecteerden mijn keuzes. Ik ga een paar jaar bij Defensie werken, sprak ik met mezelf af, mijn rijbewijs halen, een beetje reizen, discipline aanleren en iets doen voor de wereld.

De opleiding tot algemeen militair vond ik fantastisch. Ik was heel competitief en wilde beter zijn dan de mannen. Er waren ook een paar vrouwelijke collega’s, maar veel van hen stopten met de opleiding. Het maakte me niet zo veel uit. Ik werk graag met mannen, ze doen gewoon wat moet, zonder te mopperen of steeds te vragen: waarom dan? Dat maakte de militaire wereld heel duidelijk voor mij. Ik kreeg ook veel respect van de mannen. We waren allemaal hetzelfde. Toen ik de grootste groei en doorzettingsvermogen van de hele groep liet zien, werd ik uitgeroepen tot best woman van mijn lichting. De beste van allemaal! Dat voelde goed.”

Geen klein meisje meer

“Op mijn achttiende werd ik voor het eerst uitgezonden naar het buitenland, 4 maanden Bosnië. Nu begon het echte werk, besefte ik, hiervoor was ik militair geworden. Spannend was het wel: voor het eerst vliegen, voor het eerst ver van huis en voor het eerst lopen met een wapen met scherpe munitie. Tijdens oefeningen werken we alleen met oefenmunitie, dit was wel even iets anders. Het idee dat ik er iemand mee kon doden, vond ik heftig.

Bosnië was weer een beetje in opbouw. Je zag overal nog duidelijk de tekenen van de oorlog: er was veel kapotgeschoten en mensen leefden in armoede. Mijn eenheid moest de basis beveiligen en patrouilles rijden om de vrede te bewaren. Af en toe kwamen locals bij ons hun handgranaten of mijnen inleveren. We spraken geregeld met burgers. Sommigen waren ouders die nog hoopten dat hun weggehaalde kinderen terug zouden komen. Terwijl wij wisten: die komen niet terug, die leven niet meer. Het raakte me diep, ik voelde dat ik hierdoor veranderde. Ik realiseerde me dat ik geen jong meisje meer was.”

‘Andringa, láág!’

“Het jaar daarna ging ik met mijn eenheid op missie naar Irak. Daar was het meer oorlogsgebied. We zaten met geladen wapens en onze helm op in een geblindeerde bus. Daarop kun je je niet mentaal voorbereiden. Overal zag ik arme kinderen op straat zwerven en mensen die agressief met elkaar omgingen. Een keer lagen we op het dak van een oude bibliotheek. Beneden werd geschoten vanuit open jeeps. Dat gelooft niemand thuis, dacht ik. Ik wilde me iets oprichten om er een foto van te maken. Tot mijn sergeant riep: ‘Andringa, láág!’ Hij had helemaal gelijk. De kogels vlogen er gewoon door de lucht, stel dat ik ook werd geraakt.

Ik kon het allemaal niet van me afzetten, twijfelde steeds of ik wel het goede deed. Op patrouille lag ik ’s nachts in mijn slaapzak te piekeren over alles wat me zo raakte. Met mijn collega’s durfde ik mijn angsten niet te delen. Iedereen ging gewoon door. Er was een raadsman mee op missie met wie je kon praten, maar niemand maakte daar gebruik van. Ook ik niet.”

In één klap volwassen

“Na die missies was terugkomen in Nederland elke keer moeilijk. Ik wilde wel vertellen wat ik had meegemaakt, alleen lukte het niet om duidelijk te maken dat ik een totaal andere wereld had gezien. Elders was het een puinhoop en in Nederland maakten mensen zich druk om onbenulligheden. Als ik erover vertelde, merkte ik dat anderen niet echt voelden en begrepen wat ik had meegemaakt. Dat voelde eenzaam. Vrienden spraken over alledaagse dingen, ik vond ze verwend. Al was ik pas twintig, ik was in één klap volwassen en stukken serieuzer geworden. De tijd van stappen en uitgaan had ik overgeslagen.

In 2006 ging ik voor de derde keer op missie, naar Afghanistan. Pas 5 dagen voor vertrek hoorde ik dat ik daar naartoe moest. Toen ik mijn ouders belde, dachten ze eerst dat ik een grapje maakte. Ze vonden het steeds moeilijker dat ik militair was. Ik had misschien kunnen weigeren, dat mag je één keer, maar ergens wilde ik er toch heen. Achteraf is dat te veel van het goede geweest, ik had nog geen woord gesproken over Irak. In Afghanistan kwam alles keihard terug. Net voor we landden, werd er op ons vliegtuig geschoten. Ik keek naar de sergeant naast me die doodstil zat en alleen één oog opende. Hij leek ook bang, wat me enorm raakte.”

Boos op alles en iedereen

“Na die 3 missies wist ik: ik moet stoppen als militair. Wat ik echt voelde, kon ik niet uitleggen. Wel bespeurde ik allerlei alarmsignalen bij mezelf: ik sliep slecht, had nare dromen en was enorm prikkelbaar. Als situaties onoverzichtelijk waren, raakte ik in paniek. In grote mensenmassa’s was ik bang. Vaak voelde ik me zomaar ontzettend eenzaam en verdrietig. Verder piekerde ik me suf: had ik alles wel goed gedaan tijdens mijn werk als militair? Ik wil hier niet te veel over kwijt, maar op missie gebeuren dingen die in Nederland niet zouden kunnen. Al volgde ik als militair gewoon de orders op, als mens voelde het toch of ik steken had laten vallen.

Ik ging werken bij personeelszaken van Defensie en deed tegelijkertijd een opleiding om jeugdzorgbegeleider te worden. In 2009 verliet ik het leger voor een baan bij een groep jongeren met gedragsproblemen. Toen kwam ik mezelf pas echt goed tegen. Ik had een kort lontje, was boos op alles en iedereen, vooral ook op mezelf. Sommige vrienden was ik inmiddels al kwijtgeraakt, ook door mijn eigen gedrag. Ze konden me emotioneel gezien niet meer bereiken. ‘Je bent zo hard geworden’, zeiden ze tegen me. Ik realiseerde me dat ik hulp nodig had en ben gaan praten met een psycholoog die PTSS, posttraumatische stressstoornis, vermoedde. Ik kreeg EMDR, een traumabehandeling die de scherpe randen van de pijn weghaalde en waardoor het een tijdje goed ging. Steeds als de klachten terugkwamen, stopte ik ze weg. Tot die ochtend in 2015 waarop ik compleet bleek vastgelopen.”

Bouwen aan kameraadschap

“Ik kwam terecht bij Veteranenzorg en ging een intensief zorgtraject in. Vooral exposuretherapie hielp me. Daarbij ga je de confrontatie aan met je angsten en doe je steeds kleine opdrachten, zoals brood halen bij de bakker. Langzamerhand ging het beter. Toch vind ik het, inmiddels 5 jaar verder, nog moeilijk een goede balans te zoeken tussen dingen doen en rust pakken. Ik wil zo veel mogelijk uit het leven halen, al zit mijn emmertje snel vol. Vaak doe ik spannende dingen alleen omdat ik vind dat ik ze móet doen. Daardoor moet ik wel sociale afspraken overslaan, omdat het me anders te veel wordt. Ik probeer me vooral te focussen op de drie dingen die nu het belangrijkst zijn: wonen, mijn werk als jobcoach en goed contact mijn zoon Novi van 6. De relatie met mijn vrouw is helaas gestrand, maar onze zoon Novi is regelmatig bij mij. Ook met mijn stiefzoon, de halfbroer van Novi, kan ik goed overweg.

Ik heb veel aan een clubje van 8 vrouwelijke veteranen met wie ik nog regelmatig contact heb. Mijn beste vriendin Anne, ook veteraan, is als een zus voor me. Tijdens het leven op de kazerne, de oefeningen en de missies bouw je enorm aan kameraadschap. Je naaste collega’s voelen als familie. Ook bij weinig woorden weten de anderen al wat je doormaakt. We steunen elkaar in alle uitdagingen van het leven. Kameraadschap zoals bij Defensie, dat mis ik in de burgermaatschappij.”

Praten over emoties

“Mijn leven liep een beetje anders dan ik van tevoren had bedacht. Al ben ik het diepste dal nu wel uit, ik vind het nog steeds moeilijk. Het had van mij allemaal wel wat lichter mogen voelen. Ik denk weleens: was ik maar niet bij Defensie gegaan. Vroeger was ik een heel vrolijke meid, nu ben ik zwaarder op de hand. Aan de andere kant was ik dan niet geweest wie ik nu ben, hoe cliché dat ook klinkt. Ik vind het veel waard dat ik heb leren praten over gevoelens en emoties, en dat ik mezelf kwetsbaarder durf op te stellen. Ik accepteer dat dit is wat het is en maak er het beste van.”

Interview: Annemarie van Dijk. Fotografie: Karlien van der Geest. Visagie: Sjardé Kirioma.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden