Anne-Wil Beeld Libelle
Anne-WilBeeld Libelle

Anne-Wil: “Ik kan soms niet geloven dat dit allemaal al een jaar aan de gang is”

Anne-Wil heeft twee kinderen, zes kleinkinderen, is getrouwd met Han en werkt in een exclusieve boetiek. Han vraagt zich af of het wel goed gaat met haar.

Vrijdag

“Waar denk je aan?” vraagt Han. “Je zit al meer dan een kwartier voor je uit te staren. Maak je je ergens zorgen om?” Ik schrik op. Ik heb geen idee waaraan ik zat te denken. Dat heb ik de laatste tijd wel vaker, dat ik een beetje wegzak. Niet omdat ik slaap heb, het is meer een soort sloomheid. ‘Landerig’ noemde mijn moeder dat vroeger, zo’n woord waarvan je niet exact wist wat het betekende, maar wel wat er mee werd bedoeld.

“Ik ben een beetje landerig, geloof ik”, zeg ik. Han schiet in de lach. “Dat zei mijn moeder ook altijd als ik als kind niet actief genoeg was.” En ineens weer ernstig: “Weet je zeker dat het goed met je gaat, Anne-Wil? Ik vind je een beetje stilletjes de laatste tijd.” “Het heeft niets te maken met ziek zijn of zo”, zeg ik. “Alles is gewoon zo verschrikkelijk sloom. Elke dag lijkt op de dag ervoor én de dag erna. Ik weet nauwelijks meer welke dag het is. Terwijl de dagen voorbijkruipen, is een week om voordat dat ik er erg in heb. Het afgelopen jaar… Han, ik kan soms niet geloven dat dit allemaal al een jaar aan de gang is. Méér dan een jaar!”

“Ik weet wat er met jou moet gebeuren”, zegt Han. “Trek je jas aan. Ja, nú! We rijden naar zee en gaan een eind lopen tegen de wind in. Lekker doorwaaien. Als we moe zijn, halen we koffie to go bij een strandtent en zoeken we een plekje uit de wind in de duinen. Vanavond gaan we plannen maken voor de vakantie. Want deze toestand houdt een keer op. Er zijn al zo veel mensen gevaccineerd, we zijn echt met de laatste loodjes bezig, ik weet het zeker. Dus ergens dit jaar kunnen we weer naar Frankrijk. Of naar Schiermonnikoog. Maakt niet uit, ergens waar we op een terrasje kunnen zitten, lekker kunnen eten, en alles van ons kunnen afschudden. Hoe klinkt dat?” “Fantastisch!” zeg ik. Ik loop naar de gang om mijn jas te pakken. We zitten nog niet eens in de auto en ik voel me nu al een stuk opgewekter.

Maandag

Han heeft gelijk. Ik moet zorgen dat ik niet weer wegzak en actief blijf. In de tuin is genoeg te doen. Het enige wat ík moet doen, is mezelf in beweging zetten. Vooruit, overeind komen uit mijn stoel, jack aan, tuinhandschoenen en gereedschap pakken en aan de slag. Als ik eenmaal bezig ben, heb ik nergens meer moeite mee. Ik ben trouwens niet de enige die vecht tegen die coronasloomheid. Carolien heeft er net zo veel last van, vertelde ze. Mijn buurvrouw en ik hebben afgesproken dat we elke dag samen een eindje gaan lopen. Even de hei op, al is het maar een halfuurtje.

Woensdag

“Met je mondkapje op mag je haar heus wel de fles geven, mam”, heeft Manon gezegd. En nu zit ik in een makkelijke stoel met een heel klein meisje in mijn armen. Zo lief, zo teer en tegelijk zo stevig. Er zijn dingen die je nooit verleert, zoals een baby de fles geven. Met haar ogen dicht drinkt ze. Ik kijk naar haar. Voor de zoveelste keer verbaas ik me over het wonder dat zo’n klein wezentje al zo compleet kan zijn.

Tekst: Tineke Beishuizen.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden