null Beeld

PREMIUM

Dagboek van Anne-Wil: “Ik zet een stap en een pijnscheut flitst door mijn linkerenkel”

Anne-Wil ontdekt dat vermoeidheid en wandelen een slechte combinatie zijn.

Tineke Beishuizen

Zondag

Ik loop naast Manon over de hei de zon tegemoet. Of ik mijn zonnebril nou wel of niet op heb: ik zie slecht waar ik loop. Ik zou willen dat ik thuis was. Ik heb niet goed geslapen en had daardoor totaal geen zin in onze zondagse wandeling. Maar het is zo’n traditie geworden dat we met een goed excuus moeten komen om niet te gaan. Toen ik vanmorgen wakker werd, voelde het alsof ik een vierdaagse heb gelopen. Nog steeds eigenlijk, wat ben ik moe. “Mam!” roept Manon verschrikt. Te laat. Gewoon dat ene hobbeltje niet gezien, en daar ga ik, naar de grond. Manon knielt naast me. Ze roept weer. “Mam!” Waar ik ben gevallen is bijna geen hei, maar van dat lange goudbruine gras, dat de afgelopen jaren steeds meer hei heeft verjaagd. Het ligt hier wel lekker, zo in de zon. “Mam?” Ik hoor de ongerustheid in Manons stem. Arie snuffelt aan mijn wang en begint vervolgens mijn oor te likken. “Laat dat, Arie! Mam, zeg nou iets!” Ik mompel wat. Ik zou zo graag nog even blijven liggen, maar Manon sjort aan mijn arm. Moeizaam kom ik overeind. “Heb je iets gebroken? Kun je staan? Probeer eens een stapje te zetten, mam!” Ik zet een stap. Er schiet een pijnscheut door mijn linkerenkel. Een stuk sneller dan ik overeind ben gekomen, lig ik weer op het warme gras. “Heeft u hulp nodig?” Naast Manon staan twee mannen die met een bezorgde blik naar me kijken. Arie jankt zacht. “Mag ik even kijken?” Een van de mannen knielt. “Bent u arts?” vraagt Manon. “Nee, maar ik heb ook enkels”, antwoordt hij. Ik voel zijn hand op mijn enkel. “Verstuikt”, zegt de man, terwijl hij overeind komt. Hij kijkt om zich heen. “Onze auto staat hier dichtbij. Kunnen we u ergens naartoe brengen?” “Naar mijn auto graag”, zegt Manon, “die staat een eind verderop.” We zijn een vreemde stoet, ik tussen twee mannen in die me meer dragen dan ondersteunen, Manon met Arie erachter, met Han aan de telefoon om te vertellen wat er is gebeurd. Het voelt een beetje als een droom. Het enige waaraan ik kan denken is mijn bed.

Dinsdag

Eigenlijk valt het allemaal wel mee. Mijn enkel is niet echt verstuikt, meer een beetje gekneusd. Als ik ’m aanraak, is het gevoelig en ik hink een beetje, maar verder gaat het prima. Manon vindt dat we voortaan over paadjes moeten lopen en niet meer dwars over de hei. Ik denk dat ze gelijk heeft, al moet ik er voorlopig niet aan denken om hoe dan ook over een hobbelig terrein te lopen, want zo rechttoe rechtaan is zo’n pad nou ook weer niet. Wat me dwarszit, is dat we niet aan praten toekwamen afgelopen zondag.

Al enige tijd merk ik dat Manon ergens mee zit. Ik hoor het aan haar stem als we bellen, ik zie het aan haar gezicht als ze even langskomt. Ik lees een verdriet in haar ogen dat er eerder niet was. Mijn vragen weert ze af. “Laat nou maar, mam. Soms zit het even tegen, dat hoort er gewoon bij.” Dat stelt me niet gerust. Mijn intuïtie zegt dat het niet iets is wat er gewoon bijhoort, maar ik ken mijn dochter: ze zal pas iets vertellen als ze er klaar voor is, en geen minuut eerder.

Meer lezen van Anne-Wil? Dat kan hier!

Anne-Wil heeft twee kinderen, zes kleinkinderen, is getrouwd met Han en werkt in een broodjeszaak.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden