janneke is vrijwilliger in een hospice

“Ik heb het gevoel dat ik iets kan betekenen”

null Beeld

Als Janneke Siebelink (46) stopt met haar heftige baan bij een groot commercieel bedrijf, gaat ze aan de slag als vrijwilliger in een hospice. Om te helpen bij de lunch, denkt ze. Maar ze luistert er vooral naar de bewoners: “Iedereen heeft een geschiedenis, een verhaal.”

Halftien in de ochtend. Een stevige aprilwind op de Berlagebrug wil me terugduwen naar mijn warme huis, waar mijn kinderen achter hun laptops een actief schoolleven simuleren. Op de fiets naar het hospice laat ik de mail die ik gisteravond van de vrijwilligerscoördinator kreeg nog eens door mijn gedachten gaan. Ze had alle medewerkers een bericht doorgestuurd van een andere vrijwilliger: ‘De afgelopen tijd merk ik dat ik met minder plezier naar het hospice ga. Nu ik met pensioen ben, wil ik me richten op dingen die me energie geven. Daarom heb ik besloten te stoppen met het vrijwilligerswerk.’ Terwijl ik doortrap, vraag ik me af: waarom doe je vrijwilligerswerk? Doe je het voor jezelf, voor karmapunten? Zo ja, is dat erg? Bestaat het dat je iets volslagen belangeloos voor de anderen doet?

Mevrouw van den B.

Aangekomen bij het hospice, zet ik mijn fiets op slot en doe ik mijn mondkapje op. Met mijn elleboog druk ik op de metalen plaat die de deur automatisch doet openzwaaien, hang mijn jas op en spelt mijn naambordje op mijn bloes. In het kantoortje pak ik de bewonerslijst. Er staan bekende namen op, er zijn namen verdwenen, er zijn nieuwe namen bij gekomen. Bij de meeste namen staat de P van palliatief, hier en daar staat een Q van quarantaine, omdat ze net zijn binnengekomen en we het virus graag buiten willen houden. Bij een paar namen staat niets. Zij blijven hier enkele weken tot maanden, hooguit een halfjaar, om op adem te komen. Mevrouw van den B. is zo iemand. Ze is 93, mankeert niets, behalve dat ze een paar dagen na haar verjaardag op mysterieuze wijze door haar benen zakte.

null Beeld

Ik ken het gevoel dat de grond onder je voeten wordt weggeslagen. Het is inmiddels ruim een jaar geleden dat ik zelf werd overvallen door sombere gevoelens, die in de nacht overgingen in paniekaanvallen. Ik had zeven jaar non-stop bij een groot commercieel bedrijf gewerkt. Mijn bevlogenheid ging ver: het eerste wat ik deed nadat ik ontwaakte uit de narcose na een pittige operatie, was mijn mail checken. De dienstdoende verpleegster tikte op haar voorhoofd en pakte mijn telefoon af. Het was een fantastische baan, waarin ik fantastische mensen leerde kennen, fantastische projecten mocht optuigen en fantastische resultaten kon boeken. Het was een fantastische verslaving. En ik hield er bijna een fantastische burn-out aan over.

Ik ben niet mijn werk

Er waren talloze gesprekken met een coach, familie en vrienden voor nodig om in te zien dat deze omgeving niet meer gezond was voor mij. Het voelde als falen, als opgeven, en enkele weken nadat ik was vertrokken, kwamen de donkere wolken. Uit het veld geslagen en met tranen in mijn ogen deed ik mijn verhaal bij mijn huisarts. Ik wist niet wat ik zocht of wat ik van hem verwachtte. Een pilletje dat alles voor me zou oplossen? Prima. Maar mijn huisarts schreef me helemaal niets voor. “Die pilletjes bestaan niet.”
Dat wist ik zelf natuurlijk ook wel. In plaats van een recept uit te schrijven, vertelde hij dat hij naast zijn werk als huisarts stervensbegeleider was. En dat de gesprekken die hij voerde met mensen in hun laatste dagen vrijwel nooit over werk gingen, tenzij ze iets werkelijk groots voor de wereld hadden gedaan waar ze trots op waren. De gesprekken gingen over familie, relaties, liefdes. “Je bent niet je werk, Janneke.”

Hij praatte verder, maar in gedachten bleef ik het woord stervensbegeleider omcirkelen. De verantwoording die het met zich meebrengt, de kostbaarheid van iemands laatste uren. Waar begin je een gesprek, hoe eindigt een gesprek. Hoe houd je moed? Hoe gaan andere culturen om met de dood?
Wij verstoppen onze doden achter hoge hekken en heggen. In Afrika eert men de doden met mystieke rituelen en een feest dat dagen kan duren. Men houdt de doden dichtbij, begraaft ze midden in het dorp. Want er is leven na de dood. Thuis meldde ik me aan bij een vrijwilligerscentrale en een dag later werd ik gebeld door de coördinator van het hospice waar ik nu wekelijks kook.

null Beeld

December slaan we over

Nadat ik de lunch heb bereid, ga ik zoals elke week naar mevrouw van den B. om te vertellen wat er op het menu staat. De mensen zonder P eten bij voorkeur in de woonkamer, zodat ze niet te veel afgezonderd raken. Mevrouw van den B. eet desondanks liever op haar kamer. Ze kan niet tegen de eetgeluiden van de anderen. Ik ken haar inmiddels een paar maanden en herinner me het eerste gesprek dat ik met haar had. Ze zat, net als nu, bij het raam toen ik binnenkwam, staarde in de verte.
“Mevrouw?”
Een zacht “Ja.”
“Ik heb lunch gemaakt, soep en nog iets lekkers. Zal ik het u dadelijk brengen?” Ik liep naar haar toe en herhaalde wat ik zojuist zei. De mondkapjes maken goed communiceren lastig.
“En heeft u fijne dagen gehad?”
Ze zei: “Ik ben blij dat het voorbij is.” Ik keek naar haar elegante handen, die in haar schoot gevouwen lagen. Haar nagels waren gelakt, ze droeg een zijden, lange rok, een zachtroze vestje en extravagante oorbellen. 93 jaar. Ze maakte direct een onuitwisbare indruk op me.
“Ik had tien kinderen. Sinds zes jaar overlijdt er elk jaar een in december. En vorig jaar ook een kleinzoon.”
Woordeloos nam ik plaats in de lege fauteuil naast haar.
“Ik vind het geen fijne dagen. Ik zie er altijd tegenop, tegen december. Ik kijk naar de klok, tot het tien uur is zodat ik naar bed kan.”
“Slaapt u goed?”, vroeg ik.
“Nee, maar dan is de dag in elk geval weer voorbij.”
“En televisie of een boek, geeft dat afleiding?”
“Er is geen afleiding voor mijn verdriet. Behalve de maand januari. Dan heb ik even rust.”
“Even rust?”
“Ja, dan kan ik me voorbereiden op het verdriet van februari. Dat is de maand dat mijn man vorig jaar overleed.”
Het mocht eigenlijk niet, maar toch raakte ik haar aan. Ik voelde haar tere huid. Het zou verboden moeten zijn om je eigen kinderen te moeten begraven.
“Daarom wil ik ook geen kerststukjes. Ze kwamen vragen of ik wat op mijn kamer wilde, maar ik zei: nee, dat wil ik niet. Ik vind december niet zo leuk. Ze kwamen ook nog met een goodiebag van de kerk hier vlakbij. Dat bruine papieren tasje daar. Er zitten iets van nootjes in en chocolademelk. Neem het zo maar mee naar de keuken, als je wilt.”
Ik kneep in haar handen, in een poging een bemoedigend gebaar te maken. Een mens zou van minder door zijn benen zakken. Net als een paar maanden geleden breng ik haar de lunch op haar kamer en blijf even bij haar zitten.

Schuilen voor het leven

In de huiskamer, die grenst aan de open keuken, zijn de bewoners die wel aan tafel zijn komen zitten voor de lunch, verwikkeld in een gesprek. Ze praten over het missen van bezoek. Er mag maar één persoon tegelijk komen. Ze dragen geen mondkapjes. Dat is alleen verplicht voor het personeel. Ik kijk naar hun gezichten. Ze zullen compromissen hebben gesloten. Met zichzelf, met anderen, met het leven. Wat resteert zijn flarden. Momenten, groot, klein. Bij elkaar gehouden door alledaagsheid. In hun leven waren ze geliefden, minnaars. Heimelijk, schuw, vurig, onzeker, wanhopig – al die dingen die de liefde met je kan doen. Ze zoenden, vrijden, dansten. Ze zullen hebben getwijfeld, gewankeld, geloofd en ze zullen hebben gelogen. Ze hebben de wereld rondgezeild, waren docent, boef, bekend. De dood maakt geen onderscheid, sluit niemand uit, stelt niemand boven een ander en is niet leeftijdsgebonden – de eerste dag dat ik hier kwam, werd een jonge man geëuthanaseerd. Zijn zoontje kwam, met een tablet onder zijn arm, met zijn moeder een suikerklontje halen in de keuken.
Ze hebben rafelranden, schaduwen. Ze zullen hun ouders hebben begraven, hun ouders zullen hen begraven. Ze zullen hebben gefantaseerd over de toekomst, wie ze wilden worden. Zijn ze geworden wie ze voor ogen hadden? Ze zullen dagen hebben gekend waarop het leek alsof ze al een beetje heengingen. Omdat ze verdwaald waren, onmachtig te geven wat een ander nodig had. Ze hebben een geschiedenis, een verhaal. Een verhaal dat de moeite waard is, zoals elk leven de moeite waard is. Ook al lijkt het soms van niet.

null Beeld

Van betekenis

Ik dien de soep op. Die is romig en dik, met koriander en gedroogde uitjes. Daarnaast kleine kokosgehaktballetjes. “Haute cuisine!”, zegt mevrouw A. verrukt. Ze schuilt hier samen met haar man voor wat het leven ze heeft gebracht. Allebei te ziek om voor de ander te kunnen zorgen. “Wat verwen je ons toch. En wat een leuk koppie heeft ze, hè?”, zegt ze knikkend naar de anderen. Ik schaam me voor mijn gevoel. Het gevoel gewaardeerd te worden. In mijn werk heb ik me nooit zo voldaan gevoeld, het gevoel van betekenis te zijn. Haar man is klein van stuk, mager. Hij praat weinig, zijn vrouw des te meer, zo enthousiast als ze is, over de aandacht die ze hier krijgen, de toewijding van de zorg. Misschien is het niet de dood die we vrezen. Ongezien verdwijnen, dat is waar we bang voor zijn.
Het eerste overlijden dat ik bewust meemaakte, was dat van mijn oma. Ik zal zeven of acht zijn geweest. Een leeftijd dat de dood ver van je afstaat. Je hebt er geen grip op, hij heeft geen grip op jou. Je leeft met de overmoed die de jeugd kenmerkt, genadeloos, op kliffen en in diepe zeeën. Hoogmoedig, je bent vermenigvuldigbaar. Het verpleeghuis waar mijn oma, de moeder van mijn vader rustte, baadde in de schemer. De broers hadden zich verzameld om het bed van oma. Buiten rende ik rondjes om het tehuis in de zachte lentelucht. Af en toe wierp ik een blik door het raam en zag ik oma’s borst op en neer gaan te midden van haar drie zonen en rende ik weer een rondje. Na het vijfde rondje zag ik hoe mijn vader en zijn broers in elkaars armen wegkropen. Ze versperden mijn zicht op oma. Ik keerde binnenstebuiten, dit gevoel was te groot. Ik rende door en door, totdat mijn vader me riep om naar huis te gaan.

Ik wil geven

In de lift van het hospice kijk ik naar mijn spiegelbeeld en voel me ongemakkelijk. Schuldig. Ik zei gedag, tot volgende week. Maar ik weet niet wie er dan aan tafel zal zitten. Het is twee uur. Ik mag de stad, mijn leven weer in. Ouderdom en ziekte zijn niet genadig. Het maakt me dankbaar op nederige wijze. Ik ben nu 46. Als het morgen voorbij zou zijn, dan zou ik mijn leven als onvoltooid beschouwen, ik ben nog niet klaar. Kun je er ooit klaar voor zijn? Ik wil geven, ik wil ontvangen, ik wil dansen, ik wil… Tot dat onvermijdelijke moment komt dat ‘willen’ niet meer aan de orde is. Tot dat moment, ik beloof het, zal ik altijd en met toewijding naar dit hospice blijven gaan, ook na mijn pensioen. De bijna meditatieve rust die ik hier ervaar, geef ik door. Dat is wellicht niet belangeloos, maar wel in het belang van de mensen in mijn kleine wereld. Het leven is een rimpeling in de eeuwigheid. Dat is alles wat het is. Een rimpeling. Besteed hem goed. ■

null Beeld

Dit is Janneke

Janneke Lidewij Siebelink studeerde aan de Frederik Muller Academie en werkte ruim zeven jaar bij bol.com, waar ze een online platform oprichtte om lezers te inspireren. Ze interviewde talloze auteurs en schreef voor diverse bladen en bedrijven. Op dit moment legt ze de laatste hand aan haar debuutroman Soms sneeuwt het in april, die in oktober verschijnt.

Meer lezen?

Janneke schrijft wekelijks een column over haar vrijwilligerswerk in het hospice. Volg haar ervaringen hier

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden