null Beeld

PREMIUMCOLUMN

José: “De Grieken lijken nog steeds op de Grieken van toen. Maar dan stuift dat scootertje voorbij”

José Rozenbroek

José is in haar leven veel in Griekenland geweest. Nu ze weer terug is, voelt alles weer zoals toen. Maar is dat wel zo?

We trotseerden de drukte op Schiphol, stapten sinds twee jaar weer eens in een vliegtuig, en landden drie uur later in Athene, waar de zon uitbundig scheen. Daar stapten we in een huurauto, misten een boot en reden over een verderop gelegen brug het eiland Evia op. Daar kronkelden we langs een grillige kustlijn naar onze eindbestemming. Rechts van ons zakte de zon in de zee en zette de heuvels links van ons in een gouden gloed. Tientallen geiten stroomden uit het stenige land de weg op, blatend en klingelend, een bok probeerde woest springend een geit te beklimmen die er haastig vandoor ging.

De vakantie was begonnen.

Ik hou verschrikkelijk veel van Griekenland. Veertig jaar geleden maakte ik samen met mijn toenmalige vriendje een reis van drie maanden, van het westelijke puntje van de Peloponnesos tot de oostelijke stranden van Kreta. Misschien is het geen mooi land, het landschap is er minder weelderig en groen en lieflijk dan in Zuid-Frankrijk of Toscane, maar ik krijg altijd een brok in mijn keel als ik de grijzige, grillig gevormde eilanden zie, die zich als prehistorische dieren roerloos uitstrekken in een diepblauwe zee. In die veertig jaar ben ik vaak terug geweest, sommige eilanden zijn inmiddels zo fancy als Ibiza. Die moet je vermijden, tenzij je voor je koffie graag de hoofdprijs wil betalen, over de toeristen wil struikelen en woest wil dansen in de nacht.

Maar Evia lijkt nog op het Griekenland van vroeger. Geiten en ezels, in overvloed. Dorre, stekelige velden met hier en daar een kleurexplosie van bougainville en oleander. Olijf- en moerbeibomen langs de kant van de weg. Ongepolijste dorpen met taverna’s waar je Griekse salade en een souvlaki eet en waar de witte wijn te makkelijk wegdrinkt. Overal strandjes, met kiezels of met zand, vaak verlaten, soms wat mensen onder strooien parasols of kletsend met elkaar langs de vloedlijn.

De Grieken lijken nog steeds op de Grieken van toen: vrouwen met grote boezems en stevige achterwerken, tanige mannen met vierkante schouders en korte benen. Net als de Italianen communiceren ze graag luidruchtig met elkaar. Tijdens een van mijn wandeltochten zie ik een vrouw op haar erf staan, luid schreeuwend tegen een onzichtbare man die onbekommerd terugschreeuwt. Kom daar maar eens om in Appingedam of Zierikzee.

Even later passeert mij een scooter met een jonge vrouw, wilde lange haren met blonde strepen erin, gespierde kuiten onder een fladderende rok, aan het stuur een kokette knalroze handtas. Een kwartiertje later, ik ben al bijna thuis, komt datzelfde scootertje me tegemoet rijden. Achterop zit nu een vrouw, haar handen geklemd om het middel van de bestuurder van wie ik in een flits het gezicht zie; donkere ogen, vierkante kaken en een getrimd baardje. Haar/zijn/hun haren wapperen wild in de wind. De roze handtas schudt heen en weer. Het scootertje stuift voorbij, ze kijken naar me en lachen hard.

Ik blijf verward achter en voel me op mijn plek gezet. Alsof die twee me even hadden willen zeggen: ja, kijk maar goed, óók Griekenland gaat met zijn tijd mee.

Mooi is dat.

Bladenmaker en journalist José Rozenbroek is een nieuwsjunk. Elke week schrijft ze voor Libelle een column over wat haar opvalt en waarover ze zich opwindt.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden