null Beeld

PREMIUMColumn

José: “De strijd met mijn zus is voorbij, de haat is over. Wat blijft is de liefde”

José Rozenbroek

José gaat weer langs bij haar zus Els in het hospice. Ze hebben grote lol samen. Dat was vroeger weleens anders.

Ik fiets naar het hospice, inmiddels een vertrouwd tochtje van precies vijf minuten. Langs het park waar de bomen ruisen in de zoele zomerwind, linksaf de Tweede van der Helststraat in, langs de ijssalon van Massimo. Bij de bloemenstal op het Cornelis Troostplein koop ik grote knalrode dahlia’s.

Als ik haar kamer in sluip, slaapt ze. De deuren naar de tuin staan open. Vogels zingen in de seringen. Het is er vredig als altijd.

Dan slaat ze haar ogen op, de ogen van onze vader. Blauwer dan ooit lijken ze.

“Dag zusje”, zegt ze. “Wat een mooie bloemen heb je bij je.”

Even later zitten we achter een cappuccino in de tuin, Els met een sigaret.

“Ik zal rokend ten onder gaan”, zegt ze vergenoegd. “Maar wat kan het schelen? Heerlijk, niks kan meer schelen.”

We praten over haar medicijnen die ze aan het afbouwen is. Het einde van die medicijnen zal ook het einde van haar leven betekenen.

“Weet je zeker dat je al dood wil?” vraag ik dringend. Ik kijk naar haar, in haar knalroze trui, ik zie dat ze mager is geworden, maar haar blauwe ogen staan scherp.

Te scherp, vind ik, om te sterven.

Het is natuurlijk doodjammer om dood te gaan, zegt ze, en ze had graag 70 willen worden. “Maar ik heb de mooiste zomer van mijn leven gehad. Zo veel liefde en zo veel aandacht. En altijd scheen de zon. Nee, het is goed zo.”

Ze kruipt weer in bed. Ik schuif een stoel bij en knijp in haar voeten onder het laken. We maken in het Twents, de taal van onze kindertijd, grappen over onze moeder die doodging vlak nadat ze een enorme lachbui had gehad. Hoe ze vreselijke pijn kreeg, en dat mijn zus, die erbij was, gealarmeerd 112 belde. En dat mijn moeder met een vertrokken gezicht zei: “Je kunt toch niet om elk wissewasje een ambulance bellen?” Even later was ze er niet meer.

De verpleegkundige die net binnen is gekomen, kijkt naar ons gegiebel.

“Dit is mijn zusje”, zegt Els.

De vrouw, ze heet Cora zo lees ik op haar zomerjurk, kijkt vertederd van haar naar mij.

“Jullie zijn zeker ook hartsvriendinnen.”

We kijken naar elkaar en barsten weer in lachen uit.

Ik weet dat zij, net als ik, denkt aan de heftige zussenstrijd die ons hele leven heeft gewoed.

“Niet bepaald”, zeggen we tegelijk.

Maar de strijd is voorbij, de haat is over. Wat blijft is de liefde. En het vreselijke lachen. Lachen om grappen en herinneringen die je alleen met je zussen en broers kunt delen.

Als ik mijn fiets van het slot haal, schaam ik me. Dat ik hier sta, met mijn stevige benen op de straat, de zon op mijn gezicht. Dat ik gezond ben, dat ik zo naar huis fiets, misschien nog een pistache-ijsje bij Massimo haal, daarna de was uit de machine. Dat ik leef en dat zij doodgaat.

Bladenmaker en journalist José Rozenbroek is een nieuwsjunk. Elke week schrijft ze voor Libelle een column over wat haar opvalt en waarover ze zich opwindt.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden