null Beeld

PREMIUMCOLUMN

José: “‘Els was altijd boos, jij altijd blij’, zei mijn moeder ooit. Was dat echt zo?”

José Rozenbroek

De zus van José gaat binnenkort dood. Al bladerend door oude fotoalbums komen herinneringen boven.

Voor mij op tafel liggen een groen en een blauw fotoalbum, in leer gebonden zoals dat heet. Beide tot op de draad versleten, in het blauwe hangen sommige bladen los. Het zijn onze familiealbums, ze bevatten de foto’s van mijn ouders en hun zes kinderen tussen 1950 en 1970. Van baby’s slapend in een kinderwagen – mijn moeder zette ons op gezag van dr. Spock elke middag in de tuin, of het nu sneeuwde of 30 graden was - en kampeervakanties in Zwitserland. Van sleetjerijden op de Holterberg en zondagse wandelingen op de Bornebroekse heide. Van verjaardagsfeestjes in petticoats, heilige communies met vlinderstrikken en bruiloften in Trevira 2000-jurken. De auto’s veranderen in de loop der jaren van rond en organisch naar hoekig en scherp, de zwart-witte wereld krijgt op een dag kleur. Ik zie opeens hoe mijn jongste op haar oma lijkt.

Ik blader door de albums, op zoek naar foto’s van mijn zusje. Binnenkort gaat ze dood, op haar uitvaart zal haar leven aan ons voorbijflitsen. Ze staat zelden alleen op foto’s. Fotograferen is in die jaren een kostbare zaak, en elke foto moet worden bevolkt met zo veel mogelijk broertjes en zusjes. Ze is de middelste en verdwijnt in de drukte van dat grote, lawaaiige gezin. Van een anonieme baby in een prinsessenwieg verandert ze in een lief peutertje, van een schuwe kleuter in een ongelukkig kijkend kind. Ze hangt met uitgeschoten armen en benen in een tuinstoel, duwt me weg als ik als dreumes voor haar voeten loop, kijkt verlegen de camera in, leest op de bank een van onze lievelingsboeken - Maartje de Wit, met haar paardenstaart, ik herken het omslag uit duizenden. Op een van de foto’s met de hele familie staat ze aan de zijlijn. Het is winter en koud, ze duikt kouwelijk weg in een witwollen winterjas. Als ik inzoom zie ik dat ze kniekousen draagt – ik zei het al, mijn moeder geloofde in een Spartaanse training van haar kinderen.

Wie is dat kind op de foto? Wie was ik? Kan ik nog bij die meisjes komen die we ooit waren?

Of zijn ze verdwenen in afgesleten herinneringen, in steen gebeitelde familieverhalen, in tot clichés verworden karaktertyperingen? ‘Els was altijd boos, jij was altijd blij’, hoor ik mijn moeder nog zeggen. Was dat werkelijk zo, of speelden we allebei een rol? Ik denk aan onze haat-liefderelatie, ons leven lang kenden we periodes waarin we close waren of juist onmetelijk van elkaar verwijderd. Nu is de haat verdwenen. Wat blijft is de liefde en een oneindig gevoel van weemoed.

Ik stuur twee foto’s naar mijn zusje: die ene waarop ze dat meisjesboek leest, een andere van ons samen. Zij een opgeschoten meisje van een jaar of acht, ik een mollige kleuter. Ik draag een dikke trui en handschoenen, zij een Schots geruit rokje boven magere knieën. De zon schijnt. We lachen in de camera, ogen dichtgeknepen tegen het licht, zij een rattenkopje, ik een scheve pony. Wat die foto’s wel of niet vertellen, één ding staat vast: knippen kon mijn moeder niet.

Bladenmaker en journalist José Rozenbroek is een nieuwsjunk. Elke week schrijft ze voor Libelle een column over wat haar opvalt en waarover ze zich opwindt.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden