x Beeld x
xBeeld x

PREMIUMcolumn

José: “Net als mijn moeder wilde mijn zusje warme sokken aan in haar kist”

Marie José Rozenbroek

Tijdens het wandelen beseft José maar al te goed dat geboorte en dood als broer en zus zijn. Haar eigen zus Els overleed gisteren.

Samen met mijn jongste loop ik over de hei. Er waait een harde, warme wind die de geur van hars en tijm meevoert en nog iets ondefinieerbaars, iets kruidig-herfstigs op deze schitterende nazomerdag. Een hond komt aangestoven, rossig-bruin met flapperende oren, hij remt abrupt, maakt een U-bocht en stormt weer weg. Zand waait op en dwarrelt neer. Ik moet aan Willem denken, de hond van Els, mijn zus.

Jongste en ik stappen stevig door. We zeggen niet veel, we laten ons meevoeren op de stroom van onze gedachten. Ik denk aan het moment dat jongste werd geboren, op een onbewolkte koude herfstdag, bijna 29 jaar geleden. Hoe toen de wereld tot stilstand kwam en mijn zintuigen alles vastlegden. Hoe dat warme, natte lijfje op mijn lijf werd gelegd, hoe ze krijste, hoe ik haar in haar ogen keek, haar herkende, maar niet helemaal. Een intieme vreemde was uit mij geboren. Hoe ze rook naar oer.

Ook vandaag, op deze heide, ruikt het naar oer. Geboorte en dood zijn als broer en zus, denk ik, ze horen bij elkaar, verbonden door het leven. Begin- en eindpunt, geheimzinnig, onbevattelijk, onomkeerbaar.

Een paar uur later zit ik bij de kapper. Terwijl Andrea in rap tempo pluk voor pluk mijn haren verft en in folie verstopt, krijg ik een appje van mijn broer uit de tuin van het hospice. Een foto van mijn zus, ze doet een hazenslaapje in haar bed in de tuin, naast haar een tafeltje met een glas whisky en een asbak met wat peuken.

Ik glimlach. “Ik zal rokend en drinkend ten onder gaan”, zei ze een paar weken geleden.

Een half uur later krijg ik weer een appje en een foto. Ik leg mijn hoofd tegen de borst van Andrea, mijn haar vol glinsterende, knisperende folievelletjes. Ze streelt troostend mijn rug. Kapster-zijn is ook een vak, denk ik.

Een dag later fiets ik voor de laatste keer naar het hospice. Weer ruist de wind door de kastanjebomen in het park, goudgele bladeren dwarrelen op het gras. In de tuin bloeien de laatste bloemen in de sering. Ik omhels mijn kinderen, mijn broers, mijn schoonzusje, een neef, nichtjes, vriendinnen. Er wordt gelachen, er wordt gehuild. Een kaarsje aangestoken. Een glas valt kapot op de grond. Gedoe met een bezem.

Dan halen oudste, jongste en ik diep adem, stappen door de open deuren de kamer binnen. Els ligt op haar bed, in de blauwe pyjama die ze van haar zussen kreeg op de dag dat ze hier kwam. We kijken onder de deken of ze wel sokken aan heeft. Net als mijn moeder wilde ze warme sokken aan in haar kist. Ja, dikke, oranje sokken, ze kleuren goed bij de oranje kist waarin ze straks zal worden gelegd.

Het is Els, ontegenzeggelijk, en ze ligt er vorstelijk bij. Om haar mond de gedecideerde trek die we zo goed kennen. Maar ze is ook dood, hartstikke dood. Een intieme vreemde geworden. Geheimzinnig weggegleden en geen levende ziel weet waarnaartoe.

Bladenmaker en journalist José Rozenbroek is een nieuwsjunk. Elke week schrijft ze voor Libelle een column over wat haar opvalt en waarover ze zich opwindt.

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden