null Beeld

PREMIUMcolumn

José: “Wat nu telt is dat we zussen zijn, en dat zij straks doodgaat, op deze plek”

José Rozenbroek

José heeft altijd een moeizame relatie gehad met haar zus. Sinds ze weet dat haar zus dood gaat, lijkt dat echter allemaal onnozel gedoe. Ze gaat samen met haar broer langs in het hospice.

Het is woensdagochtend, half elf. Door de zomerse stad fiets ik naar een stille straat in Zuid. Ik heb een pakje bij me met daarin een nieuwe pyjama die net zo hemelsblauw is als de lucht. In mijn tas zitten ook wat oude kinder- en meisjesboeken: Het kleine huis in het bos, Het kleine huis op de prairie, Hoe Jetty weer Jet werd, Schoolidyllen.

Aan het einde van de straat bel ik aan bij een huis en een kleine vrouw doet open. Ze heet Myra lees ik op haar naambordje. Ik vertel wie ik ben en waarom ik kom.

“Kom binnen,” zegt ze, “je zusje is er nog niet, maar haar kamer is klaar voor haar komst. Wil je ‘m zien?”

Ze gaat me voor door een gang, doet een deur open naar een ruime kamer. Twee fauteuiltjes, een kast, een bed, een tafel met twee stoelen. De openslaande deuren staan op een kier en ik stap het terras op. Hier en daar een zitje, bloemen in potten. Wat verderop een vrouw onder een dekentje op een ligbed. Ze slaapt.

Een merel fluit. Een ekster krast. Verder is het onwezenlijk stil.

“Wat een oase midden in de stad”, zeg ik.

“Dat is ook de bedoeling”, zegt Myra.

Ik leg het pakje met de pyjama op het bed. De boeken rangschik ik op het nachtkastje. De kaart met het lezende meisje ertegenaan. Ik heb geschreven dat ik nog veel meer meisjesboeken kan komen brengen: Joop ter Heul. Zuster Juul, Polly Parker, Maartje de Wit; de heldinnen uit onze jeugd.

Even later komt mijn broer binnen. In zijn armen een boeket met vijf gigantische hortensia’s. “Van alle vijf broers en zussen”, zegt hij.

We krijgen koffie en zitten dan samen een half uurtje aan het tafeltje op het terras. We kijken om ons heen. Dit is het dus, het laatste thuis van onze zus.

Mijn zusje en ik – we hadden een gecompliceerde relatie, to put it mildly. Soms zagen we elkaar jaren niet. Maar dat alles is weggevallen. Lijkt onnozel gedoe. Niet belangrijk meer. Wat nu telt is dat we zussen zijn, dat zij straks doodgaat, hier, op deze plek om te sterven.

Na de koffie gaat mijn broer naar haar toe om haar te halen. Ik stap weer op mijn fiets. Thuis probeer ik te werken, maar steeds weer zie ik die kamer voor me, het terras, de slapende vrouw op het ligbed.

Dan ontvang ik een foto van mijn broer. Mijn zus, stralend, de pyjama tegen zich aangedrukt. Even later ontvang ik een filmpje. De camera zwenkt langs een vriendin die de kast inruimt, langs de vaas met hortensia’s, stopt bij mijn zus die op het bed zit. Ze bladert door Het kleine huis, leest de kaart en roept: ‘Jongens, ik kan nog lang niet dood! En er mag niemand op bezoek komen! Ik moet eerst nog 57 boeken lezen.’

Ze zucht.

“Wat kent mijn zus me toch goed.”

Bladenmaker en journalist José Rozenbroek is een nieuwsjunk. Elke week schrijft ze voor Libelle een column over wat haar opvalt en waarover ze zich opwindt.

Meer over

Op alle verhalen van Libelle rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@libelle.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden